ECLI:NL:RBMNE:2026:431

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11825080 \ AC EXPL 25-1805
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:230l BWArt. 6:233 BWArt. 6:96 BWAfdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenrechtelijke toetsing van kostenbeding in advocaatfacturen met sanctie wegens schending informatieplicht

De zaak betreft een vordering van een maatschap die juridische bijstand verleende aan een consument, die betaling van openstaande facturen eiste. De consument had de facturen tot 2022 voldaan, maar stopte na faillissement in 2023 met betalen.

De rechter toetste ambtshalve het kostenbeding in de overeenkomst aan het consumentenrecht, waarbij werd vastgesteld dat het beding niet transparant was omdat geen totale kosteninschatting vooraf was gegeven. Dit is in strijd met de informatieverplichtingen uit het Burgerlijk Wetboek en de Europese richtlijn.

Desondanks werd het kostenbeding niet als oneerlijk beoordeeld, omdat de consument bekend was met het uurtarief en de facturen met urenspecificaties ontving. Wel werd geoordeeld dat de advocaat onvoldoende heeft voldaan aan haar plicht om de consument na het faillissement goed te informeren over de financiële consequenties.

Als sanctie werd de hoofdsom verminderd met 20%. Daarnaast werd de consument veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Consument veroordeeld tot betaling van verminderd bedrag aan openstaande advocaatfacturen met rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11825080 \ AC EXPL 25-1805
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de maatschap
[eiseres],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. [A] ,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1-15;
- de conclusie van antwoord met producties 1-3;
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 12 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar namens [eiseres] mevrouw [A] aanwezig was. De heer [gedaagde] was niet fysiek aanwezig. De kantonrechter heeft hem gebeld en op deze manier heeft [gedaagde] toch de mondelinge behandeling bijgewoond, vragen van de kantonrechter beantwoord en zijn standpunt naar voren kunnen brengen. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat het vonnis wordt gewezen op 21 januari 2026.

2.De kern

2.1.
[eiseres] heeft juridische bijstand verleend aan [gedaagde] en eist betaling van nog openstaande facturen, een bedrag van € 4.235,-, te vermeerderen met rente en kosten.
De ambtshalve toetsing op grond van het consumentenrecht leidt tot het oordeel dat een sanctie van 20% op de gevorderde hoofdsom moet worden toegepast. Dat betekent dat [gedaagde] nog een bedrag van € 3.388.- aan [eiseres] betalen. Ook moet hij de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten betalen.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1.
[gedaagde] heeft zich in september 2021 tot [eiseres] gewend om hem bij te staan in een echtscheidingsprocedure. Mr. [A] , die als advocaat verbonden is aan [eiseres] , heeft [gedaagde] op 17 september 2021 een afspraakbevestiging gestuurd, met aangehecht de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. Haar handelen wordt hierna toegerekend aan [eiseres] .
3.2.
[eiseres] heeft [gedaagde] in de periode september 2021 – januari 2024 juridische bijstand verleend. De daarvoor verzonden facturen heeft [gedaagde] tot en met 2022 voldaan. In januari 2023 is het bedrijf van [gedaagde] failliet gegaan. Daarna is [gedaagde] gestopt met het betalen van de facturen van [eiseres] .
Toetsingskader
3.3.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tot het verrichten van juridische dienstverlening door [eiseres] (een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf) aan [gedaagde] (een consument). Op zo’n overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als de kantonrechter constateert dat die belangrijke consumentenbeschermende bepalingen zijn geschonden moet hij daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. In de regel zal dan (een deel van) de vordering moeten worden afgewezen.
3.4.
Getoetst moet worden of in de overeenkomst en de daarbij behorende algemene voorwaarden geen bepalingen (‘bedingen’) zijn opgenomen die onredelijk bezwarend (oneerlijk) zijn voor consumenten, als bedoeld in artikel 6:233 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Een onredelijk bezwarend beding is op grond van artikel 6:233 BW Pro vernietigbaar. Daarnaast is van belang om te beoordelen of (en zo ja, welke) informatieplichten van toepassing zijn en of die zijn nageleefd [1] .
Kostenbeding is niet transparant, maar dat maakt het beding op zichzelf niet oneerlijk
3.5.
Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten. In artikel 4 van Pro de algemene voorwaarden van [eiseres] wordt informatie gegeven over het honorarium van de advocaat en de wijze van declareren. In de opdrachtbevestiging die [eiseres] op 17 september 2021 aan [gedaagde] heeft toegezonden staat dat het honorarium € 200,- per uur bedraagt, exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW.
3.6.
Hoewel het kostenbeding een kernbeding is (en geen algemene voorwaarde) moet de kantonrechter toch beoordelen of het beding al dan niet onredelijk bezwarend/oneerlijk is, in het geval het beding niet voldoende duidelijk en begrijpelijk (transparant) is geformuleerd. Dat volgt uit artikel 6:231 sub a BW Pro en artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
3.7.
In dit geval is aan het vereiste van transparantie niet voldaan. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft namelijk geoordeeld dat enkel het noemen van het uurtarief door de advocaat de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien [2] . [eiseres] had [gedaagde] dus informatie moeten vertrekken met voldoende aanwijzingen om de totale kosten bij benadering te ramen. Die informatie is niet gegeven voordat de overeenkomst werd gesloten, althans dat blijkt niet uit de stukken. Dat [gedaagde] tijdens de opdracht een kosteninschatting kon maken doordat er met regelmaat werd gedeclareerd en hij zodoende inzicht had in de (oplopende) advocaatkosten maakt niet dat alsnog aan het vereiste van transparantie is voldaan. De handelaar moet die informatie aan de consument verstrekken
voordatde overeenkomst wordt gesloten. [3]
3.8.
Een niet transparant beding is niet meteen een oneerlijk beding, maar het gebrek aan transparantie weegt wel mee bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid [4] .
3.8.1.
Op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn is een beding oneerlijk als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In artikel 6:233 onder Pro a BW, dat de implementatie is van de richtlijn, wordt in dit kader gesproken over een beding dat ‘onredelijk bezwarend’ is. Artikel 6:233 onder Pro a BW moet richtlijnconform worden uitgelegd.
3.8.2.
Bij de beoordeling van de goede trouw moet worden gelet op de verschillende onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet om in te stemmen met het beding. De handelaar kan aan de eisen van de goede trouw voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen. Het komt dan aan op de vraag of de handelaar er redelijkerwijze vanuit mocht gaan dat, als hij op eerlijke en billijke wijze zou hebben onderhandeld, de consument het beding zou hebben aanvaard. [5]
3.9.
Het onderzoek naar het mogelijk oneerlijke karakter van een beding berust dus op een algehele beoordeling van het beding in het licht van alle omstandigheden van het geval ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Deze beoordeling leidt in dit geval niet tot de conclusie dat het evenwicht van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen in de eerste jaren dat de relatie die tussen [eiseres] en [gedaagde] heeft bestaan ten nadele van [gedaagde] aanzienlijk is verstoord. Uit wat [gedaagde] naar voren heeft gebracht kan de kantonrechter namelijk niet opmaken dat [gedaagde] zich niet met het kostenbeding zou hebben kunnen verenigen als hij voldoende over de te verwachten kosten zou zijn ingelicht. [gedaagde] heeft namelijk verklaard dat hij wist dat mr. [A] duur was en niet op basis van gefinancierde rechtsbijstand werkte en wilde sowieso met haar in zee omdat ze de naam had goed te zijn. mr. [A] heeft regelmatig facturen gestuurd met een urenspecificatie van haar werkzaamheden, waaruit [gedaagde] op heeft kunnen maken hoeveel tijd zij waaraan besteedde en wat dus specifieke handelingen kostten. Die facturen heeft [gedaagde] altijd zonder bezwaar betaald totdat zijn bedrijf failliet ging. Verder is niet gesteld dat het tussen partijen overeengekomen uurtarief niet marktconform was, zodat ook op dat punt niet gezegd kan worden dat het evenwicht ten nadele van [gedaagde] is verstoord.
3.10.
Het kostenbeding zelf is dus niet oneerlijk. [gedaagde] is daarom in beginsel verplicht om de voor de verrichte werkzaamheden verstuurde facturen te betalen. Aan die betalingsverplichting doet niet af dat een aantal facturen, volgens [gedaagde] , niet is ontvangen en/of in zijn spambox terecht is gekomen. [eiseres] heeft ook via andere kanalen aan [gedaagde] gemeld dat er een betalingsachterstand was, zoals [gedaagde] zelf heeft opgemerkt, en hij was daar dus van op de hoogte.
Schending van een (pre)contractuele informatieplicht leidt tot een vermindering van de gevorderde hoofdsom met 20%
3.11.
Zoals hiervoor is overwogen is het kostenbeding niet transparant omdat geen (inschatting van de) totale prijs is gegeven. Dat heeft consequenties voor de prijs die [eiseres] in dit geval in rekening mag brengen om de volgende reden.
3.12.
Ook in een situatie waarin een advocaat erop mag vertrouwen dat een cliënt bewust een overeenkomst sluit waarin werkzaamheden op basis van een bepaald uurtarief in rekening worden gebracht en hij daar de consequenties van aanvaardt, rust op de dienstverlener de plicht zijn cliënt goed voor te lichten over de financiële gevolgen van de door hem verrichte prestatie, zeker als zich een wijziging in de financiële omstandigheden van de cliënt voordoet. Toen [gedaagde] in 2023 failliet was gegaan had [eiseres] [gedaagde] dus deugdelijk moeten informeren over wat hem nog te wachten stond én om na te gaan of hij de met die werkzaamheden gemoeide kosten wel kon betalen. [eiseres] mocht er in ieder geval niet zonder nader onderzoek vanuit gaan dat wat in 2021 is afgesproken voor [gedaagde] in 2023 nog acceptabel/haalbaar was. In dat kader past dat de advocaat nader onderzoekt of een doorverwijzing naar een andere advocaat met een lager uurtarief (of een advocaat die, anders dan [eiseres] , wél op toevoeging werkt) nodig is.
3.13.
[eiseres] heeft zich op dit punt onvoldoende van haar plicht gekweten. Toen [gedaagde] steeds dringender aandacht vroeg voor zijn benarde financiële situatie na zijn faillissement, heeft [eiseres] alleen een betalingsregeling aangeboden en aangedrongen op naleving daarvan. Pas op het moment dat een zitting bij de rechtbank in zicht kwam, die eind januari 2024 was gepland, heeft [eiseres] kennelijk met [gedaagde] overlegd over de kosten die gemoeid waren met de nog te verrichten werkzaamheden. Toen is geconstateerd dat er geen geld meer was om te procederen over een bepaalde vermogensverdeling. Op advies van [eiseres] heeft [gedaagde] daarop alle nevenvorderingen laten vallen en is alleen de echtscheiding gevraagd uit te spreken. [gedaagde] dacht dat hem daarmee verdere kosten bespaard zouden blijven, maar daarna heeft [gedaagde] nog drie facturen ontvangen die voor hem als een verrassing kwamen omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij niet nog meer facturen zou krijgen. Pas met de specificatie bij de laatste facturen is aan [gedaagde] duidelijk gemaakt dat er nog te betalen werkzaamheden moesten worden verricht voordat de echtsscheiding een feit zou zijn. Daaruit volgt dus dat de informatie die [eiseres] heeft gegeven over de verschuldigde tegenprestatie niet tijdig en duidelijk was, met vergaande financiële consequenties voor [gedaagde] .
3.14.
Een gedeeltelijke vernietiging als sanctie bovengenoemde schending is dus op zijn plaats. Volgens de Richtlijn sanctiemodel essentiële informatieplichten [6] wordt de prijs bij één tot drie voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieplichten met 20% verminderd. In dit geval is sprake van één (ernstige) schending en dus een vermindering van het gevorderde honorarium met 20%. Dit betekent dat [eiseres] ten hoogste recht heeft op een bedrag van € 3.388,- (0,8 x € 4.235,-).
Rente en buitengerechtelijke incassokosten
3.15.
De gevorderde wettelijk rente over elke openstaande declaratie wordt toegewezen als onder de beslissing is vermeld.
3.16.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en heeft [gedaagde] op 24 februari 2025 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Omdat de toewijsbare hoofdsom lager is dan gevorderd zal de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toewijzen tot het wettelijke tarief dat daarbij aansluit, te weten een bedrag van € 463,80
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.17.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,15
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.271,15
3.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.19.
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen de beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.388,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over elke openstaande factuur, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, waarbij voor elke factuur telkens rekening moet worden gehouden met de sanctie van 20%,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 463,80 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.271,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
1257

Voetnoten

1.zie afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het BW
2.HvJEU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14
3.artikel 6:230l, onder c BW
4.Idem: overweging 47
5.HvJEU 20 april 2023, ECLI:EU:C:2023:311, overwegingen 45 en 46 (Ocidental)
6.Gepubliceerd op www.rechtspraak.nl