Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Rechtbank Midden-Nederland
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift over een WOZ-beschikking. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend, omdat de beslistermijn op grond van artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet tot en met 31 december 2025 liep.
Opposant betwistte deze uitleg en stelde dat de reguliere beslistermijn van artikel 7:10 Awb Pro van toepassing was, waardoor zijn ingebrekestelling wel tijdig was. De rechtbank oordeelde dat de afwijking van de standaard beslistermijn correct was toegepast, omdat het bezwaarschrift niet in de laatste zes weken van het kalenderjaar was ingediend.
De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere uitspraak van 9 januari 2026 in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.