ECLI:NL:RBMNE:2026:4323

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/8074, UTR 24/8076, UTR 24/8077, UTR 24/8079 en UTR 24/8080
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting wegens gewijzigde standpunt heffingsambtenaar

Eiser werd geconfronteerd met vijf naheffingsaanslagen parkeerbelasting voor het parkeren zonder betaling op verschillende data in oktober 2024. De heffingsambtenaar handhaafde aanvankelijk alle aanslagen, maar wijzigde tijdens de zitting zijn standpunt en gaf aan twee aanslagen uit coulance te vernietigen.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslagen van 18 en 26 oktober 2024 terecht werden vernietigd, mede omdat de bewonersvergunning op 26 oktober 2024 inging. Voor de overige drie aanslagen op 5, 7 en 17 oktober 2024 bleef de naheffingsaanslag terecht van kracht, aangezien eiser naliet tijdig de parkeervergunning te verlengen en te betalen, ondanks herinneringen.

De rechtbank draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak vervangt de vernietigde uitspraken op bezwaar en kan worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting worden vernietigd, drie blijven gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/8074, UTR 24/8076, UTR 24/8077, UTR 24/8079 en UTR 24/8080

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: D.J. Koopmans).

Procesverloop

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een vijftal naheffingsaanslagen parkeerbelasting die aan hem zijn opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft op 23 oktober, 30 oktober en 13 november 2024 aan eiser naheffingsaanslagen parkeerbelasting (met aanslagnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ) opgelegd (elk) ter hoogte van € 81,70. Dit bedrag omvat € 5,- aan parkeerbelasting en € 76,70 aan naheffing.
1.3
Met de vijf uitspraken op bezwaar van 10 december 2024 (de bestreden uitspraken) heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
1.4
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraken beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De zaken zijn behandeld op de zitting van 7 april 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser is niet verschenen.

Overwegingen

Feiten
2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat aan eiser naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd omdat is geconstateerd dat hij op 5 oktober 2024, 7 oktober 2024, 17 oktober 2024, 18 oktober 2024 en 26 oktober 2024 een auto heeft geparkeerd aan de Agaatlaan en Smaragdhof in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan.
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Dat doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Beoordeling van het geschil
Het geschil met betrekking tot de naheffingsaanslag van 18 oktober 2024 (UTR 24/8079) en 26 oktober 2024 (UTR 24/8080)
4. Op de zitting heeft verweerder aangegeven bereid te zijn de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] (UTR 24/8079) uit coulance te vernietigen.
5. Daarnaast heeft verweerder aangegeven de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] (UTR 24/8080) te vernietigen. De reden hiervoor is dat deze naheffingsaanslag op dezelfde dag is opgelegd als de ingangsdatum van de bewonersvergunning (26 oktober 2024).
6. Omdat verweerder op de zitting een gewijzigd standpunt heeft ingenomen, is het beroep gegrond. De uitspaken op bezwaar met betrekking tot deze naheffingsaanslagen worden vernietigd. Gelet op het voorgaande worden ook de naheffingsaanslagen parkeerbelasting vernietigd. Verweerder dient het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.
7. Wat resteert, zijn de geschillen met betrekking tot de naheffingsaanslagen die zien op het belastbaar feit van 5 oktober 2024, 7 oktober 2024 en 17 oktober 2024.
Het geschil met betrekking tot de overige naheffingsaanslagen (UTR 24/8074, UTR 24/8076 en UTR 24/8077)
8. Eiser wijst erop dat hij al jaren beschikt over een bewonersvergunning, maar dat hij pas nadat er vijf naheffingsaanslagen parkeerbelastingen waren opgelegd, er achter kwam dat de automatische incasso bleek te zijn gestorneerd.
9. De rechtbank overweegt dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser is om ervoor te zorgen dat zijn parkeervergunning op de juiste wijze verlengd en betaald wordt. Indien hij dit niet doet, komt het voor zijn eigen rekening en risico dat hem een naheffingsaanslag wordt opgelegd als de parkeervergunning nog niet is verleend en er ook niet op andere wijze voor het parkeren is betaald. Daarbij komt dat verweerder heeft toegelicht dat aan eiser twee keer een herinneringsbrief is gestuurd om de betaling te voldoen. Dit is ook in de brief van 1 juli 2024 medegedeeld, waarin de bewonersvergunning beëindigd werd.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen in de zaken UTR 24/8079 en UTR 24/8080 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslagen [nummer] en [nummer] en herroept deze naheffingsaanslagen. Dat betekent dat eiser deze naheffingsaanslagen niet hoeft te betalen. De overige drie beroepen zijn ongegrond, de naheffingsaanslagen blijven in stand. Dat betekent dat eiser deze naheffingsaanslagen wel moet betalen.
12. Omdat twee beroepen gegrond zijn verklaard, dient de heffingsambtenaar aan eiser het betaalde griffierecht te vergoeden. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen in de zaken UTR 24/8074, UTR 24/8076 en UTR 24/8077 ongegrond;
- verklaart de beroepen in de zaken UTR 24/8079 en UTR 24/8080 gegrond en vernietigt de betreffende uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen met aanslagnummers [nummer] en [nummer] ;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
A. Kasi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.