ECLI:NL:RBMNE:2026:4324

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/4109
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Wegenverkeerswet 1994Art. 3 Regeling kentekens en kentekenplatenVerordening (EU) 1003/2010Verordening (EU) 2015/166
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gebruik model 18.2 kentekenplaten wegens voldoende ruimte voor standaardplaat

Eiser verzocht de RDW om toestemming voor het gebruik van model 18.2 kentekenplaten op zijn auto, maar dit verzoek werd door de RDW afgewezen omdat er voldoende ruimte is aan de achterzijde van de auto voor een standaard kentekenplaat. Eiser stelde dat de ruimte tussen de logo's te smal is en dat hij de logo's zou moeten verwijderen, wat ingrijpende en kostbare modificaties zou vergen. Ter onderbouwing overhandigde hij een offerte van een dealer en een expertiserapport van DEKRA.

De rechtbank oordeelde dat de RDW binnen haar beoordelingsruimte handelde en dat de logo's geen fabrieksmatig aangebrachte onderdelen zijn die niet zonder ingrijpende aanpassingen verwijderd kunnen worden. De standaard kentekenplaat kan volgens het expertiserapport over de logo's heen worden bevestigd zonder dat deze verwijderd hoeven te worden. De afwijzing is niet onevenredig omdat de belangen van verkeersveiligheid en handhaving zwaarder wegen dan het belang van eiser.

Eiser voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, stellende dat toezeggingen waren gedaan door een RDW-keurmeester en de Koninklijke Marechaussee. De rechtbank stelde dat hiervoor geen sprake was van een toezegging waarop eiser redelijkerwijs mocht vertrouwen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, en hij kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot gebruik van model 18.2 kentekenplaten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4109

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),
en

De directie van de RDW, de RDW

(gemachtigde: P.R. Kamps).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de RDW de aanvraag van eiser tot het gebruik van model 18.2 kentekenplaten mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag gedaan tot het gebruik van model 18.2 kentekenplaten. De RDW heeft de aanvraag met het besluit van 21 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de RDW bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de RDW. Eiser heeft zich voor de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
6. De RDW heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat aan de achterzijde van zijn auto voldoende ruimte is voor het bevestigen van een standaard kentekenplaat. Dat de standaard kentekenplaat gedeeltelijk over de logo’s van de auto komt betekent volgens de RDW niet dat er geen ruimte is om een kentekenplaat met standaardafmetingen te bevestigen. De logo’s van de auto zijn namelijk geen fabrieksmatig aangebrachte onderdelen in de nis die de beschikbare ruimte voor een standaard kentekenplaat beperken. Verder is het besluit volgens de RDW niet onevenredig, omdat eiser niet verplicht is om de logo’s te verwijderen voordat een standaard kentekenplaat bevestigd kan worden en omdat de doelen die gediend zijn met het voeren van een standaard kentekenplaat zwaarder wegen.
Het standpunt van eiser
7. Eiser vindt dat de RDW hem toestemming had moeten geven voor het gebruik van een model 18.2 kentekenplaat. Volgens eiser is er geen ruimte in de nis aan de achterzijde van zijn auto om een standaard kentekenplaat te bevestigen. Dit omdat de ruimte tussen de twee logo’s aan de achterzijde van zijn auto te smal is om een standaard kentekenplaat te bevestigen. Ook vindt eiser dat het bestreden besluit onevenredig is. Eiser zal de logo’s moeten verwijderen om voldoende ruimte te maken. De RDW kan volgens eiser niet van hem verwachten dat hij zijn auto permanent wijzigt en de kosten daarvan draagt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen een offerte van een Toyota-dealer en een technisch expertiserapport van DEKRA Claims and Expertise B.V. overgelegd.
Kon de RDW de aanvraag afwijzen?
8. Uit de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling kentekens en kentekenplaten volgt dat de RDW bevoegd is om toestemming te verlenen voor het voeren van model 18.2 kentekenplaten. [1] De RDW heeft deze bevoegdheid uitgewerkt in punt 4A van de Wijze van werken [2] . Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de RDW beoordelingsruimte heeft bij het verlenen van toestemming voor het voeren van model 18.2 kentekenplaten. [3]
Is er genoeg ruimte aan de achterzijde?
9. De rechtbank is van oordeel dat de RDW er terecht op heeft gewezen dat er voldoende ruimte aan de achterzijde van eisers auto is om een standaard kentekenplaat te bevestigen. Eiser heeft bij zijn aanvraag foto’s overgelegd op basis waarvan de RDW heeft beoordeeld dat voldoende ruimte aanwezig is. Een dergelijke visuele controle is volgens punt 4A van de Wijze van werken een geschikt middel voor het bepalen of er ruimte is voor het monteren en bevestigen van standaard achterkentekenplaten.
Zijn de logo’s fabrieksmatig aangebrachte onderdelen waardoor de ruimte beperkt wordt?
10. De RDW stelt in het bestreden besluit dat sprake is van fabrieksmatig aangebrachte onderdelen als het gaat om onderdelen die niet zonder ingrijpende en kostbare modificaties kunnen worden verwijderd. Daarbij moet het volgens de RDW gaan om een aanpassing van een technische constructie en niet om een aanpassing die puur cosmetisch is. Gelet op de beoordelingsruimte die de RDW heeft bij het verlenen van toestemming voor het voeren van model 18.2 kentekenplaten vindt de rechtbank dit een redelijke uitleg. De stelling van eiser dat de logo’s op de achterzijde van zijn auto fabrieksmatig aangebrachte onderdelen zijn kan de rechtbank daarom niet volgen. De RDW heeft er terecht op gewezen dat het niet vereist is dat de logo’s op de achterzijde verwijderd worden zodat een standaard kentekenplaat bevestigd kan worden. Dit omdat de standaard kentekenplaat over de logo’s kan uitsteken. Dit laatste is ook bevestigd in het expertiserapport van DEKRA. In dat rapport is over de feitelijke plaatsing van een Nederlandse kentekenplaat het volgende opgemerkt: “Tijdens onze inspectie hebben wij een Nederlands kenteken gemonteerd. Hieruit blijkt dat de emblemen de ruimte beperken in de nis voor het monteren van een Nederlandse kentekenplaat. Aan weerszijde van de kentekenplaat valt deze over de originele emblemen heen.” Uit die feitelijke vaststelling blijkt dat de Nederlandse kentekenplaat gemonteerd kan worden waarbij de logo’s niet verwijderd hoeven worden.
Is de afwijzing in dit geval onevenredig?
11. De rechtbank is van oordeel dat de afwijzing van eisers aanvraag voor toestemming voor het voeren van model 18.2 kentekenplaten niet onevenredig is. De RDW heeft gewezen op de algemene belangen die zijn gediend met het beperken van model 18.2 kentekenplaten zoals de verkeersveiligheid en de zichtbaarheid van kentekenplaten voor controle en handhaving. Het belang van eiser weegt in dit geval minder zwaar dan deze algemene belangen. Eiser stelt dat hij kosten moet maken om de logo’s aan de achterzijde te laten verwijderen om voldoende ruimte te maken voor een standaard kentekenplaat. De rechtbank kan deze stelling niet volgen, omdat niet is gebleken dat het maken van ruimte en de bijbehorende kosten noodzakelijk is voor het bevestigen van een standaard kentekenplaat.
Kon eiser zich beroepen op het vertrouwensbeginsel?
12. Eiser stelt dat de keurmeester van de RDW heeft gezegd dat tussen de logo’s op de achterzijde van zijn auto onvoldoende ruimte is voor het bevestigen van een standaard kentekenplaat. Eiser heeft de volgende citaten overgelegd:
“KM: Dit is hoe de kentekenplaat komt te zitten.[eiser] : Maar dan komt hij voor een klein gedeelte over Camry heen, of over het Hydride logo.
KM: Dat is voor mij geen probleem.
[eiser] : Maar het hoort natuurlijk niet dat het een ander deel bedekt.
KM: Dat Camry of Hydride logo kan je gewoon bij de dealer laten verplaatsen.”
Volgens eiser heeft de Koninklijke Marechaussee in het proces-verbaal van 1 april 2025 ook bevestigd dat tussen de logo’s onvoldoende ruimte is voor een standaard kentekenplaat. Daarin is, voor zover relevant, opgenomen:
“De verbalisanten hebben waarschuwend opgetreden en geen proces-verbaal aangezegd tegen de tenaamgestelde. De verbalisanten zagen dat er wellicht aanpassingen gedaan moesten worden voordat het regulier kenteken geplaatst kon worden.”
13. Voor zover eiser aanvoert dat hij kon vertrouwen op de toezeggingen van de keurmeester van de RDW en de Koninklijke Marechaussee voor het verlenen van toestemming voor het voeren van model 18.2 kentekenplaten is de rechtbank van oordeel dat van een dergelijke toezegging geen sprake is.
14. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet ten eerste aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen. [4] Daarvan is in dit geval geen sprake geweest. Uit de door eiser overgelegde citaten van de keurmeester blijkt niet dat is toegezegd toestemming te verlenen voor het voeren van model 18.2 kentekenplaten. Dit blijkt ook niet uit de verklaringen van de Koninklijke Marechaussee.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Punt 4A van de Wijze van werken van juli 2022 van de RDW
4A Ruimte voor het monteren en bevestigen van achterkentekenplaten
Versie juli 2022
Voertuigcategorie
Ml, M2, M3, Nl, N2, N3, 01, 02, 03, 04
Basis
Verordening (EU) 1003/2010, bijgewerkt tot en met
Verordening (EU) 2015/166
Datum eerste toelating met ingang van:
1 juli 2014
Datum eerste toelating tot:
6 juli 2022
Individuele toelatingseis
Voertuig moet voldoen aan bijlage II, met uitzondering van de punten 1.2.1.6 en 1.2.3., van Verordening (EU) 1003/2010. De eis van punt 1.2.1.4.2 voor wat betreft de hoogte van de
plaat boven het wegdek is niet van toepassing voor huisvuilwagens met een laadconstructie aan de achterzijde. In afwijking van het gestelde in punt 1.1.1. mag onder de volgende voorwaarden een minimale kentekenplaatafmeting van 310 x 110 mm worden geaccepteerd en hoeft niet te worden voldaan aan punt 1.2.1.1.1:
- het betreft een voertuig van de voertuigclassificatie Ml en N1,en
- de plaats voor de kentekenplaat bestaat uit een van fabriekswege aangebrachte nis die een geheel vormt met de carrosserie of de achterbumper, en waarbij de
kentekenplaatverlichting in deze nis is opgenomen, en
- de nis te geringe afmetingen heeft voor de zowel een kentekenplaat van de afmetingen 520 x 110 mm als voor een kentekenplaat van de afmetingen 340 x 210 mm, of
- de nis voldoende ruimte heeft maar bij montage van een kentekenplaat van de afmetingen 520 x 110 mm of 340 x 210 mm een oorspronkelijke gebruikersfunctie verloren gaat. De nis wordt ook als te klein aangemerkt indien de van fabriekswege ingerichte plaats voor de kentekenplaat aan de onderzijde open is en dermate laag is gelegen dat bij montage van een kentekenplaat van de afmetingen 340 x 210 mm de onderkant van deze kentekenplaat minder dan 0,30 m boven het wegdek is gelegen, gemeten met het voertuig in onbeladen toestand.
Wijze van keuren
Visuele controle. Bij twijfel meten.
Toelichting
Onder een oorspronkelijke gebruiksfunctie van een voertuigonderdeel wordt verstaan een onderdeel dat door de voertuigfabrikant zelf is aangebracht in de nis waardoor de reguliere kentekenplaat niet past. Elk onderdeel dat buiten de voertuigfabrikant is gemonteerd in de nis, valt niet onder oorspronkelijke gebruiksfunctie. Als gevolg van de uitspraak 201806282/1/A2 van de Raad van State is de minimale diepte van de nis van 15 mm komen te vervallen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 42, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met Artikel 3, tweede lid, onder b van de Regeling kentekens en kentekenplaten.
2.De Wijze van werken zoals deze gold toen de auto van eiser voor het eerst werd toegelaten tot Nederland in 2016 is opgenomen als bijlage bij deze uitspraak.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1549, overweging 3.1.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:807, overweging 4.