ECLI:NL:RBMNE:2026:436

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11954068 \ LV EXPL 25-45
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 196 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot schorsing vonnis en nakoming afspraken in huurovereenkomst

In deze zaak staat een geschil tussen partijen omtrent de uitvoering van een huurovereenkomst voor een woonhuis centraal. Eiseres vordert onder meer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis en nakoming van gemaakte afspraken, alsmede diverse aanvullende vorderingen.

De kantonrechter beoordeelt dat een voorziening in kort geding alleen kan worden getroffen bij een spoedeisend belang, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt voor de meeste vorderingen. Zo wordt de vordering tot inzage in huurovereenkomsten als voorlopige bewijsverrichting beschouwd en dient deze in hoger beroep te worden ingediend. Ook de vorderingen tot inzage in meterstanden, vergoeding van verhuiskosten, servicekostenafrekeningen en terugbetaling van de waarborgsom worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis en dat de belangenafweging uitkomt in het voordeel van gedaagde. Omdat de overige vorderingen worden afgewezen, behoeft de vordering tot oplegging van een dwangsom geen bespreking.

Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van € 814,00. Het vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en op 21 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Alle vorderingen van eiseres worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11954068 \ LV EXPL 25-45
Vonnis in kort geding van 21 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.M. van Eerten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de akte inbreng producties van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling op 5 januari 2025 op de locatie van de rechtbank Midden-Nederland in Almere, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 21 januari 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen partijen heeft een huurovereenkomst bestaan ten aanzien van een woonhuis aan de [adres] in [.] (hierna: het gehuurde). Over deze huurovereenkomst hebben partijen eerder bij de kantonrechter geprocedeerd. In die procedure heeft op 4 september 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben voor een deel van het geschil samen afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal, en voor overige deel heeft de kantonrechter op 8 oktober 2025 een eindvonnis en op 5 november 2025 een herstelvonnis gewezen. [eiseres] vordert in deze procedure de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en nakoming van afspraken die partijen hebben gemaakt. Ook dient [eiseres] een aantal nieuwe vorderingen in.

3.De beoordeling

3.1.
Een voorziening in kort geding kan slechts worden getroffen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft en dat spoedeisend belang ook aannemelijk maakt. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] dat spoedeisend belang bij een aantal vorderingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Ook de vorderingen die wel spoedeisend zijn gebleken, zullen worden afgewezen. De kantonrechter legt dat hierna per vordering uit.
3.2.
[eiseres] vordert onder I. veroordeling van [gedaagde] om te bewerkstelligen dat de gestelde derde-tussenpersoon [naam] alle bruikleen c.q. huurovereenkomsten ten aanzien van het gehuurde per e-mail aan de advocaat van [eiseres] toestuurt, onder overlegging van een kopie van de daartoe strekkende getekende opdracht van [gedaagde] . [eiseres] heeft haar spoedeisend belang bij deze vordering onderbouwd door aan te geven dat zij die overeenkomsten nodig heeft voor haar memorie van grieven in het hoger beroep dat zij heeft ingesteld tegen het vonnis van 8 oktober 2025. [eiseres] wil daarmee in hoger beroep kunnen aantonen dat zij de huurpenningen niet hoeft te betalen en dat er sprake is van schending van het eigendomsrecht van [eiseres] , omdat [gedaagde] het gehuurde aan een ander heeft verhuurd.
3.3.
De kantonrechter maakt uit de stellingen van [eiseres] op dat zij inzage in overeenkomsten wenst te ontvangen ten behoeve van de procedure in hoger beroep. Naar het oordeel van de kantonrechter is het aan [eiseres] om overeenkomstig het bepaalde in artikel 194 en Pro verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de procedure in hoger beroep inzage te krijgen in de stukken die volgens haar van belang zijn. Haar vordering dient daarom als een voorlopige bewijsverrichting in de zin van artikel 196 Rv Pro te worden beschouwd. Voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het verstrekken van inzage, dient [eiseres] echter in de procedure bij het Hof een verzoek daartoe te doen, omdat bij het Hof, zo heeft de kantonrechter uit de stellingen van [eiseres] opgemaakt, sprake is van een lopende procedure. Zodra er sprake is van een lopende procedure zijn partijen aangewezen op verzoeken aan de behandelend rechter om bewijs te mogen verzamelen door middel van inzage of het verstrekken van stukken door de wederpartij. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] onder I. daarom afwijzen.
3.4.
[eiseres] vordert onder II. veroordeling van [gedaagde] om inzage te geven in het gas-, water- en energieverbruik over de maanden december 2024 tot en met oktober 2025 door een uitdraai van de slimme meter per e-mail aan de advocaat van [eiseres] toe te sturen.
3.5.
[eiseres] heeft, ondanks dat de kantonrechter ter zitting expliciet heeft gevraagd om het spoedeisend belang bij haar vorderingen te onderbouwen, haar spoedeisend belang bij deze vordering niet onderbouwd. [eiseres] vordert een uitdraai van de slimme meter over een periode die bijna een jaar beslaat en waarvan de laatste maand inmiddels drie maanden geleden is. Zonder onderbouwing valt niet in te zien waarom [eiseres] op dit moment een spoedeisend belang zou hebben bij deze uitdraai. De vordering onder II. zal daarom bij een gebrek aan spoedeisend belang worden afgewezen.
3.6.
[eiseres] vordert onder III. veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres]
€ 24.021,12 voor nodeloos gemaakte verhuiskosten en schending van eigendomsrechten te betalen. De nodeloze verhuiskosten zouden zijn gemaakt toen [eiseres] met een verhuizer voor de deur van het gehuurde stond om haar spullen op te halen en zij geen toegang kreeg tot het gehuurde. Ter zitting heeft [eiseres] aangegeven dat zij de verhuiskosten inmiddels aan de verhuizer heeft voldaan.
3.7.
[eiseres] heeft niet onderbouwd waarom over deze kosten in kort geding een beslissing moet worden genomen. Er is ook niet gesteld of gebleken dat [eiseres] in de financiële problemen is gekomen, omdat zij die verhuiskosten heeft moeten betalen. De schade wegens schending van haar eigendomsrechten die [eiseres] stelt te hebben geleden komt volgens [eiseres] door het gebruik van haar spullen die nog in het gehuurde staan door de vermeende huurder van het gehuurde ( [naam] ) en omdat zij deze spullen nodig heeft voor haar nieuwe panden. Omdat [eiseres] die spullen niet uit het gehuurde heeft kunnen halen, heeft zij nieuwe spullen aangeschaft. Die spullen zijn betaald en [eiseres] vordert dat [gedaagde] de kosten van die spullen aan haar vergoed. [eiseres] heeft de spullen echter kunnen betalen. Ook met betrekking tot dit onderdeel van deze vordering stelt [eiseres] niet dat zij daardoor in financiële nood is gekomen. [eiseres] heeft dus geen spoedeisend belang bij haar vordering. Dat het spoedeisend belang wel aanwezig is, heeft [eiseres] verder niet onderbouwd. [eiseres] stelt alleen dat zij als zorginstelling niet wil voorfinancieren, maar dit is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Daar komt bij, voor zover er al een spoedeisend belang zou zijn, dat in deze kort geding procedure geenszins aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de kosten van de door [eiseres] aangeschafte spullen verschuldigd is. [gedaagde] betwist dat zij deze kosten verschuldigd is, omdat volgens haar de spullen die in het gehuurde staan en die van [eiseres] zijn, niet door een andere huurder zijn gebruikt. De vordering van [eiseres] onder III. zal dan ook worden afgewezen.
3.8.
[eiseres] vordert onder IV. veroordeling van [gedaagde] om de afrekeningen servicekosten over de jaren 2023 en 2024 aan [eiseres] toe te sturen en om de eindafrekening over het jaar 2025 op te stellen. [eiseres] heeft haar spoedeisend belang bij deze vordering niet onderbouwd. Daar komt bij dat [eiseres] tijdens de zitting heeft gezegd dat zij met het geld dat zij na deze afrekeningen krijgt de huurpenningen kan betalen, maar zij heeft tevens gezegd dat zij de huurpenningen ook op een andere manier kan betalen. De kantonrechter maakt daaruit op dat [eiseres] dus niet in financiële nood raakt als [gedaagde] de huurpenningen gaat innen voordat de afrekeningen er zijn. [eiseres] heeft nog aangevoerd dat [gedaagde] bezig is om haar bedrijf te beëindigen en dat er een restitutierisico bestaat voor de door [eiseres] betaalde kosten, maar dat heeft [eiseres] niet onderbouwd. De vordering onder IV. zal daarom worden afgewezen.
3.9.
[eiseres] vordert onder V. veroordeling van [gedaagde] om de waarborgsom van € 6.000,00 aan [eiseres] terug te betalen. Het spoedeisend belang bij deze vordering heeft [eiseres] niet onderbouwd. [eiseres] heeft op de vraag van de kantonrechter op de zitting waarom zij hierbij een spoedeisend belang heeft, aangevoerd dat ze de terugbetaling van de waarborgsom ‘heeft meegenomen om tot een totaalplaatje te komen’. Dat is onvoldoende om een spoedeisend belang voor [eiseres] bij deze vordering aan te nemen. De vordering onder V. zal daarom worden afgewezen.
3.10.
[eiseres] vordert onder VI. [gedaagde] te verbieden om het vonnis van 8 oktober 2025 en/of 5 november 2025 ten uitvoer te leggen en om eventueel in de tussentijd gelegde beslagen uit te winnen en die beslagen op te heffen. [eiseres] stelt hiertoe dat [gedaagde] in strijd met de waarheid heeft gesteld dat zij [eiseres] de toegang tot het gehuurde niet heeft belet en dat er aanwijzingen zijn dat [gedaagde] het genot van het gehuurde al enige tijd aan een derde in gebruik heeft gegeven. Ook zou er met de betaalde waarborgsom, de afrekening servicekosten die nog niet is gedaan en de spullen van [eiseres] die in het gehuurde zijn blijven staan, voldoende onderpand zijn.
3.11.
Niet gesteld of gebleken is dat er beslagen zijn gelegd of dat [gedaagde] het voornemen heeft om beslagen te leggen, zodat er op voorhand geen verbod kan worden opgelegd om beslagen uit te winnen. [gedaagde] kan ook niet worden veroordeeld om beslagen op te heffen als die er niet zijn.
3.12.
Het vonnis van 8 oktober 2025 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Die beslissing is niet gemotiveerd. De vraag die moet worden beantwoord is of de tenuitvoerlegging van het vonnis moet worden geschorst in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd, nog voordat in hoger beroep is beslist. Als de beslissing om een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet is gemotiveerd – zoals in dit geval – kan van dat uitgangspunt worden afgeweken als sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat, in het geval de eerste rechter een niet gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet worden aangenomen dat daarover nog geen afweging van belangen van partijen heeft plaatsgevonden. De rechter in het executiegeschil moet deze afweging daarom alsnog maken. Daarbij moet in dit kort geding worden uitgegaan van de beslissing in het ten uitvoer te leggen vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing. Wel zal de kantonrechter in haar oordeelsvorming kunnen betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag.
3.13.
De kantonrechter is van oordeel dat van zo’n kennelijke misslag in het vonnis geen sprake is. Dat [gedaagde] volgens [eiseres] ‘in strijd met de waarheid heeft gesteld dat zij de toegang tot het gehuurde niet heeft belet’ en ‘er aanwijzingen zijn dat het gehuurde al enige tijd aan een derde in genot is gegeven’ zijn in feite redenen/grieven voor het hoger beroep. Partijen verschillen daarover van mening, maar dat [gedaagde] bewust of in strijd met de waarheid heeft verklaard of informatie heeft achtergehouden, heeft [eiseres] niet onderbouwd.
3.14.
[eiseres] heeft nog gesteld dat er voldoende onderpand is, maar dat is geen gegronde reden om een vonnis te schorsen, nog daargelaten dat niet vaststaat dat dit ‘onderpand’ er is. De waarborgsom is daarvoor niet bedoeld. De afrekening van de servicekosten is nog niet opgemaakt en het is volstrekt onduidelijk wat de spullen die nog in het gehuurde staan waard zijn. [eiseres] heeft dat verder niet onderbouwd.
3.15.
[eiseres] heeft haar belang bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis dus onvoldoende onderbouwd. De belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van [gedaagde] . Dit betekent dat ook de vordering van [eiseres] onder VI. zal worden afgewezen.
3.16.
Omdat de vorderingen van [eiseres] onder I. tot en met IV. worden afgewezen, behoeft de vordering onder VII. om een dwangsom aan [gedaagde] op te leggen geen bespreking.
3.17.
[eiseres] is in het ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 814,00 aan salaris gemachtigde.

4.De beoordeling

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 814,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
41264