ECLI:NL:RBMNE:2026:4372

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
12161003 \ UV EXPL 26-73 VL/58599
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:258 BWArt. 6:119 BWArt. 7:230a BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding ontwikkel- en huurovereenkomst; beroep op onvoorziene omstandigheden faalt

Partijen sloten in februari 2023 een ontwikkel- en huurovereenkomst voor een nieuwbouwzorgcomplex. De huurder zegde de overeenkomst op 26 februari 2026 op vanwege vertraging en veranderde marktomstandigheden. De verhuurder vordert nakoming met dwangsom.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder geen recht had op buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 9.1 van de ontwikkelovereenkomst, omdat het vereiste overleg niet had plaatsgevonden. Het beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW Pro) faalt wegens onvoldoende onderbouwing en omdat de omstandigheden tot het ondernemersrisico van de huurder behoren.

De kantonrechter veroordeelt de huurder tot deelname aan periodieke overleggen en bouwvergaderingen met een dwangsom van €5.000 per overtreding, met een maximum van €500.000. Andere vorderingen, zoals concerngarantie, ingebruikname en hoofdelijkheid, worden afgewezen. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot nakoming van overlegverplichtingen met dwangsom, terwijl het beroep op ontbinding en onvoorziene omstandigheden wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12161003 \ UV EXPL 26-73 VL/58599
Vonnis in kort geding van 18 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigden: mrs. T.L.M. van der Weijden en K.M.G. Verkleij,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigden: mrs. O. de Wit en M.B. Klijn.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van [eiseres] met producties 1 tot en met 37;
  • de akte houdende overlegging producties met producties 1 tot en met 5 van [gedaagden] ;
  • de aanvullende producties 38 tot en met 41 van [eiseres] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Namens [eiseres] was de heer [A] , bestuurder van [bedrijf] B.V. (bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] ) aanwezig, vergezeld door de gemachtigden van [eiseres] . Namens [gedaagden] waren de heren [B] en [C] aanwezig, vergezeld door de gemachtigden van [gedaagden] . Verder waren drie aandeelhouders van [bedrijf] B.V., een collega van mr. Klijn en een journalist aanwezig. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht. Beide partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van hun spreekaantekeningen. De mondelinge behandeling is gesloten, maar het wijzen van vonnis is in overleg met partijen aangehouden in verband met nog te voeren schikkingsoverleg tussen partijen.
1.3
Partijen hebben na de sluiting van de mondelinge behandeling geprobeerd een schikking te bereiken. Bij e-mail van 29 mei 2026 heeft mr. Van der Weijden de kantonrechter laten weten dat dit niet is gelukt, met het verzoek om vonnis te wijzen. De kantonrechter heeft daarom bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen hebben in februari 2023 een ontwikkel- en huurovereenkomst gesloten. Deze overeenkomsten houden in dat [eiseres] en [bedrijf] B.V. (hierna gezamenlijk: [bedrijf] ) een nieuwbouwzorgcomplex met daarin drie penthouses en twee winkelruimtes aan de [adres] in [plaats] (hierna: het zorgcomplex) zal ontwikkelen en zorg zal dragen voor de vereiste omgevingsvergunning. [gedaagden] zal het zorgcomplex vervolgens van [bedrijf] huren voor de exploitatie van zorg- en woonvoorzieningen voor ouderen met dementie. Inmiddels is het ontwerp af en is de omgevingsvergunning op 27 februari 2026, 14 maanden later dan de planning was, onherroepelijk geworden. [gedaagden] heeft de ontwikkel- en huurovereenkomst op 26 februari 2026 opgezegd, omdat zij van mening is dat door het grote tijdsverloop en de veranderde zorgwoningmarkt de huurvoorwaarden voor haar niet meer houdbaar zijn. [eiseres] vordert in deze procedure, kortgezegd, dat [gedaagden] de ontwikkel- en huurovereenkomst nakomt onder verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] grotendeels toe.

3.De beoordeling

Wettelijk kader in kort geding
3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de eisende partij, [eiseres] , hierbij zoveel spoed heeft dat zij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Als er een spoedeisend belang is, moet de kantonrechter daarna beoordelen of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen de gevolgen hiervan voor [gedaagden]
3.2
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. [eiseres] voert aan dat zij mondelinge overeenstemming heeft met de aannemer en dat de planning van de aannemer uitgaat van ondertekening van de aanneemovereenkomst in de week van 18 mei 2026. Zolang [gedaagden] haar standpunt handhaaft dat zij de ontwikkel- en huurovereenkomst heeft ontbonden, kan [bedrijf] de formele opdracht aan de aannemer niet verstrekken. De financiering van de bouw is namelijk slechts mogelijk als voldoende zekerheid bestaat dat [gedaagden] het zorgcomplex als huurder zal gaan exploiteren. Op dit moment loopt [bedrijf] het risico dat zowel de financier als uiteindelijk de aannemer zich zullen terugtrekken en de kosten voor de bouw van het zorgcomplex alleen maar hoger zullen worden. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee het spoedeisend belang gegeven.
Artikel 9.1 van de ontwikkelovereenkomst
3.3
[gedaagden] stelt dat zij de ontwikkel- en huurovereenkomst op 26 februari 2026 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden. Zij verwijst hiervoor naar de ontbindende voorwaarde van artikel 9.1 [1] van de ontwikkelovereenkomst. Dit artikel bepaalt:
“Indien niet uiterlijk op 31 december 2024 sprake is van een onherroepelijke omgevingsvergunning, zijn beide partijen gerechtigd deze Overeenkomst (en daarmede ook de Huurovereenkomst) door middel van een buitengerechtelijke verklaring aan de wederpartij te ontbinden. Alvorens partijen daartoe overgaan, zijn zij eerst verplicht om met elkaar in overleg te treden teneinde te bezien of een onherroepelijke omgevingsvergunning alsnog op korte termijn verkregen kan worden en wat daartoe noodzakelijk is. Dit zal onder meer afhankelijk zijn van de stand van de procedure. Deze termijn kan alsdan in overleg worden verlengd. In geval van ontbinding op de grond dragen partijen hun eigen kosten.”
3.4
Artikel 9.1 van de ontwikkelovereenkomst geeft beide partijen de mogelijkheid om de ontwikkel- en huurovereenkomst vanaf 31 december 2024 te ontbinden, als op dat moment nog geen onherroepelijke omgevingsvergunning is verkregen. Voordat partijen deze bevoegdheid hebben, zijn zij verplicht om met elkaar in overleg te treden. Het doel van dit overleg is om te bekijken of binnen afzienbare tijd alsnog een onherroepelijke omgevingsvergunning verkregen kan worden en wat daarvoor nog nodig is.
3.5
[gedaagden] stelt dat dit vereiste overleg heeft plaatsgevonden. Zij voert hiertoe aan dat partijen op 5, 19 en 23 februari 2026 hebben gesproken over het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning en [gedaagden] heeft toen ook laten weten dat zij voornemens was om de ontwikkel- en huurovereenkomst te ontbinden als de huurvoorwaarden niet zouden worden aangepast. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit echter niet het verplichte overleg als bedoeld in artikel 9.1 van de ontwikkelovereenkomst. Het ‘overleg’ dat heeft plaatsgevonden had namelijk niet als doel om te bekijken of alsnog binnen afzienbare tijd een onherroepelijke omgevingsvergunning kon worden verkregen en wat daartoe noodzakelijk was, maar had voor [gedaagden] het doel om de huurvoorwaarden ten gunste van haar aan te passen. Ten tijde van deze gesprekken op 5, 19 en 23 februari 2026 was de omgevingsvergunning al verleend en was ook al duidelijk dat deze op 27 februari 2026 onherroepelijk zou worden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat voor [gedaagden] niet de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 9.1 van de ontwikkelovereenkomst, is ontstaan. De overige verweren [2] van [eiseres] in dit kader behoeven daarom geen bespreking.
Onvoorziene omstandigheden
3.6
Artikel 6:258 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de rechter de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk kan ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Alleen omstandigheden die werkelijk exceptioneel zijn, zijn als ‘onvoorzien’ aan te merken. Lid 2 van ditzelfde artikel bepaalt dat een wijziging of ontbinding van de overeenkomst niet wordt uitgesproken als de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.
3.7
[gedaagden] stelt dat sprake is van onvoorziene omstandigheden en dat van haar niet in redelijkheid kan worden verwacht dat zij de ontwikkel- en huurovereenkomst in de huidige vorm nakomt. Zij wijst op de volgende omstandigheden:
  • gewijzigd overheidsbeleid ten aanzien van de vorm van ouderenzorg in Nederland, gericht op langer thuis wonen, wat zorgt voor een toename van de leegstand in verzorgingshuizen;
  • vergoedingen van de overheid voor het Volledig Pakket Thuis lopen niet meer in de pas met de aanzienlijke loonsverhogingen in de zorgsector, wat ook zal leiden tot een toename van de leegstand;
  • bezuinigingen op de (ouderen)zorg: in het coalitieakkoord van het nieuwe Nederlandse kabinet wordt gesproken van een bezuiniging van € 10 miljard op de zorg;
  • de marktomstandigheden (stijgende inflatie en hogere kosten voor zorgmiddelen) zijn verslechterd.
Volgens [gedaagden] zullen deze omstandigheden ertoe leiden dat zij, bij ongewijzigde instandhouding van de ontwikkel- en huurovereenkomst, het zorgcomplex zodanig minder rendabel kan exploiteren dat dit haar faillissement tot gevolg kan hebben. De huurvoorwaarden die volgens [gedaagden] gewijzigd moeten worden zijn de overeengekomen huurtermijn van 25 jaar, een onbegrensde CPI-indexering, een ‘triple net’ constructie en een doorbetaalverplichting van vijf jaar bij onbruikbaarheid van het gehuurde.
3.8
[gedaagden] heeft haar stelling dat deze omstandigheden tot gevolg zullen hebben dat zij het zorgcomplex in de toekomst minder rendabel zal kunnen exploiteren, onvoldoende onderbouwd. Zij heeft slechts algemene nieuwsartikelen overgelegd waarin zorgen over de bouw van zorgwoningen worden geuit, maar zij heeft geen concrete vertaalslag gemaakt naar de gevolgen voor [gedaagden] en in het bijzonder voor dit project. Dat het doel van de ontwikkel- en huurovereenkomst, het op een rendabele en verantwoorde wijze exploiteren van een zorgcomplex, door de gestelde feiten en omstandigheden zou zijn verijdeld en dat nakoming van die overeenkomsten daardoor bijzonder bezwaarlijk is geworden, is naar het oordeel van de kantonrechter daarom ook niet komen vast te staan.
Het vergelijk dat [gedaagden] maakt met de coronamaatregelen die werden aangemerkt als onvoorziene omstandigheden gaat niet op. Het was destijds duidelijk dat de coronamaatregelen een direct gevolg hadden voor horecaondernemers: doordat zij geen gebruik konden maken van het gehuurde, hadden zij geen inkomsten. Dat [gedaagden] in de toekomst minder rendabel zal kunnen exploiteren volgt niet automatisch uit de onder 3.7. van dit vonnis genoemde feiten en omstandigheden. Ongetwijfeld zullen deze feiten en omstandigheden (op den duur) invloed kunnen hebben op de rendabiliteit van het project, maar hier heeft [gedaagden] geen percentage aan gekoppeld noch heeft zij onderbouwd dat zij hierdoor in de min zal draaien en/of zelfs failliet zal gaan.
3.9
Verder geldt dat overheidsmaatregelen, bezuinigingen en marktprijsstijgingen tot het ondernemersrisico van [gedaagden] horen. Door de overeengekomen triple net constructie, die inhoudt dat [gedaagden] zelf verantwoordelijk is voor alle onderhoudskosten van het zorgcomplex, zal zij hoogstwaarschijnlijk last hebben van de marktprijsstijgingen, maar deze omstandigheid had zij als professionele zorgaanbieder moeten verdisconteren in de contractonderhandelingen. Hetzelfde geld voor overheidsmaatregelen en bezuinigingen, die in de zorgsector al decennia lang, en in ieder geval al tijdens het sluiten van de ontwikkel- en huurovereenkomst, in beweging zijn. Dat de gevolgen van instandhouding van ongewijzigde overeenkomsten [gedaagden] meer zullen kosten dan verwacht bij het aangaan daarvan, dient als ondernemersrisico voor rekening van [gedaagden] te komen en te blijven. Dit geldt temeer nu partijen voor het opstellen van de huurovereenkomst een model hebben gebruik dat [gedaagden] heeft aangeleverd. Overigens wordt ook de aannemer van dit project, [eiseres] , geconfronteerd met stijgende marktprijzen, maar deze worden niet doorgevoerd en spelen dus geen rol in de wederzijdse verplichtingen van partijen.
3.1
Gezien het voormelde heeft [gedaagden] niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Het beroep van [gedaagden] op artikel 6:258 BW Pro faalt.
[gedaagden] moet deelnemen aan de periodieke overleggen met [bedrijf] en aan de periodieke bouwvergaderingen met [bedrijf] en de aannemer
3.11
Omdat [gedaagden] niet de buitengerechtelijke ontbindingsbevoegdheid op grond van artikel 9.1 van de ontwikkelovereenkomst heeft en een beroep op onvoorziene omstandigheden ook niet slaagt, is de kantonrechter van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter in een bodemprocedure zal oordelen dat [gedaagden] gehouden is aan de ontwikkel- en huurovereenkomst.
3.12
De vordering van [eiseres] om [gedaagden] te veroordelen tot nakoming van alle verplichtingen die voor haar uit de overeenkomsten voortvloeien, is echter te ruim geformuleerd.
3.13
Toewijsbaar in dit kort geding is de vordering tot veroordeling van [gedaagden] tot:
  • deelname aan de periodieke overleggen tussen [bedrijf] en [gedaagden] welke tenminste één keer per maand plaatsvinden; en
  • deelname aan de periodieke bouwvergaderingen met [bedrijf] en de aannemer.
Deze vorderingen zijn voldoende concreet en worden toegewezen.
[gedaagden] hoeft nu geen concerngarantie te verstrekken
3.14
De vordering van [eiseres] tot veroordeling van [gedaagden] tot het verstrekken van een concerngarantie van [aandeelhouder] , aandeelhouder van [gedaagden] ,
binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, wordt afgewezen.
3.14.1
Weliswaar staat in artikel 24 lid 5 in Pro verbinding met artikel 24 lid 1 van Pro
de algemene bepalingen (hierna: het AV-artikel) dat [gedaagden] verplicht is om deze zekerheid uiterlijk 2 weken voor de ingangsdatum [3] of zoveel eerder als Verhuurder aangeeft te verstrekken. Maar in artikel 2.2 van de huurovereenkomst staat:
Partijen zijn in het gebruikte model ‘Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ van het AV-artikel afgeweken door in artikel 6.1 van de huurovereenkomst te bepalen dat de concerngarantie op de huuringangsdatum verstrekt moet worden. [gedaagden] is dan ook niet verplicht om nu al een concerngarantie te verstrekken. Het beroep van [eiseres] op het AV-artikel faalt dan ook.
3.14.2 [eiseres] betoogt met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid, dat artikel 6.1 van de huurovereenkomst moet wijken voor het AV-artikel met de stelling dat [eiseres] , gezien de huidige houding van [gedaagden] , de concerngarantie moet hebben als zij begint met bouwen. Dat betoog verwerpt de kantonrechter. [eiseres] heeft bij het aangaan van de samenwerking niet bedongen dat die garantie
vóór de bouwvan het zorgcomplex zou moeten worden verstrekt. De concerngarantie ziet bovendien alleen op het nakomen van de financiële verplichtingen van [gedaagden] die uit de huurovereenkomst voortvloeien en dat is pas na de bouw en de oplevering van het zorgcomplex aan [gedaagden] Die garantie was dus kennelijk niet nodig om
te starten met de bouwvan het zorgcomplex. [eiseres] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot de conclusie kunnen leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaaris dat [gedaagden] die concerngarantie
niet nuverstrekt. De enkele omstandigheid dat [gedaagden] een beroep op artikel 9.1 van de ontwikkelovereenkomst en artikel 6:258 van Pro het BW heeft gedaan, is daarvoor onvoldoende.
[gedaagden] wordt niet veroordeeld tot ingebruikname van het zorgcomplex en betaling van de huur
3.15
[eiseres] vordert dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot ingebruikname van het zorgcomplex na bouwkundige oplevering en tot het tijdig voldoen van de huurbetalingsverplichtingen. Het is de kantonrechter niet duidelijk welk spoedeisend belang [eiseres] heeft bij deze vorderingen. De bouw van het zorgcomplex moet nog beginnen en het zal nog enige tijd duren voordat [gedaagden] het zorgcomplex in gebruik kan nemen en verplicht zal zijn de huurbetalingen te verrichten. Deze vorderingen worden daarom afgewezen.
Hoofdelijke veroordeling
3.16
[eiseres] vordert dat [gedaagde sub 1] B.V. en [gedaagde sub 2] B.V. hoofdelijk worden veroordeeld tot het nakomen van de ontwikkel- en huurovereenkomst. Het is de kantonrechter niet duidelijk welk belang [eiseres] daarbij heeft. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Beiden moeten aan hun verplichtingen voldoen, ongeacht of de ander aan haar verplichting voldoet.
Dwangsom
3.17
[eiseres] vordert dat een dwangsom van € 20.000,00 per dag met een maximum van € 10 miljoen wordt verbonden aan de verplichting van [gedaagden] tot nakoming van de ontwikkel- en huurovereenkomst.
3.18
Uit het hetgeen [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd, leidt de kantonrechter af dat het financieringsbedrag € 10 miljoen bedraagt. Voor zover [eiseres] het opleggen van een dwangsom met een maximum van € 10 miljoen vordert omdat zij de dwangsom wil gebruiken als schadevergoeding, wijst de kantonrechter deze af. De dwangsom is niet bedoeld als voorschot op een schadevergoeding.
3.19
Gezien de omstandigheid dat [gedaagden] uit de samenwerking met [eiseres] wil stappen en in haar communicatie met [eiseres] laat blijken dat zij naar andere locaties uitkijkt, ziet de kantonrechter wel aanleiding om aan de onder 3.13. bedoelde veroordelingen een dwangsom van € 5.000,00 te verbinden met een maximum van € 500.000,00, zoals in de beslissing staat.
3.2
De vordering van [eiseres] om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom, wijst de kantonrechter af. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de kantonrechter niet in waarom de één dwangsommen zou verbeuren als de ander niet aan haar verplichtingen voldoet.
[gedaagden] moet de proceskosten betalen
3.21
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] aan haar moet betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
131,47
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.279,47
3.22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Eventuele verdere executiekosten
3.23
De gevorderde ‘eventuele verdere executiekosten’ worden afgewezen.
Op grond van de wet [4] kan de partij die ongelijk krijgt alleen worden veroordeeld tot betaling van kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt, dan wel kosten die nog niet zijn gemaakt maar zich al wel laten begroten. Dat daarvan sprake is kan niet worden vastgesteld, reeds omdat [eiseres] niets daarover heeft gesteld. [eiseres] zal daarom een nieuwe procedure moeten starten waarin zij de ‘eventuele verdere executiekosten’ van [gedaagden] kan vorderen.
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.24
De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding, geeft de volgende voorlopige voorziening:
4.1
gebiedt [gedaagden] om deel te nemen aan de periodieke overleggen met [bedrijf] , welke tenminste één keer per maand plaatsvinden, zulks binnen zeven kalenderdagen na betekening van het vonnis,
4.2
gebiedt [gedaagden] om deel te nemen aan de periodieke bouwvergaderingen met [bedrijf] en de aannemer, zulks binnen zeven kalenderdagen na betekening van het vonnis,
4.3
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat zij in gebreke blijft om aan een en/of beide onder 3.13. vermelde verplichtingen te voldoen, met een maximum van € 500.000,00,
4.4
veroordeelt [gedaagden] in de kosten [5] ; zij moet de proceskosten van [eiseres] van € 1.279,47 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [gedaagden] [6] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Voetnoten

1.In verbinding met artikel 9.4 van de ontwikkelovereenkomst. Hierin staat, voor zover van belang, dat de ontwikkel- en huurovereenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat ontbinding van een van de overeenkomsten automatisch tot ontbinding van de andere overeenkomst leidt.
2.Het beroep op rechtsverwerking, stilzwijgende verlenging, strijd met de redelijkheid en billijkheid en misbruik van recht.
3.De ingangsdatum zoals bedoeld in artikel 3.1 van de algemene bepalingen. Met andere woorden: bij aanvang van de huur.
4.Artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
5.Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen. Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1942).
6.Zie de vorige voetnoot. Dit geldt mutatis mutandis voor de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente.