ECLI:NL:RBMNE:2026:438

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11348628 \ MC EXPL 24-6511
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 RvArt. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:109 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling restant hoofdsom en incassokosten na aannemingsovereenkomst

In deze civiele zaak tussen twee besloten vennootschappen over een aannemingsovereenkomst heeft de kantonrechter een eindvonnis gewezen na een tussenvonnis van 3 september 2025.

Eiser heeft haar vordering aangepast door rente op rente te verwijderen en vordert betaling van een restant hoofdsom van €15.676,36 plus wettelijke handelsrente. Gedaagde betwist de renteberekening en stelt dat maximaal €12.130,91 aan rente verschuldigd is. De kantonrechter volgt gedaagde in deze berekening en stelt het restantbedrag vast op €13.948,66.

Daarnaast vordert eiser buitengerechtelijke incassokosten, waarvan een deel wordt toegewezen. Gedaagde vordert in reconventie rente over een bedrag van €75.000 wegens vermeende slechte uitvoering, maar deze vordering wordt afgewezen omdat onvoldoende is vastgesteld dat eiser tekort is geschoten.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van het aangepaste bedrag en incassokosten, en veroordeelt eiser tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen.

Uitkomst: Gedaagde moet €13.948,66 plus rente en incassokosten betalen, eiser moet €13.927,75 terugbetalen, proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11348628 \ MC EXPL 24-6511
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A. Ester,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.G.Th.M. Visser-van Daal.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 september 2025,
- de akte uitlating, ook wijziging van eis, van [eiser] ;
- de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2.
Vervolgens is bepaald dat op 21 januari 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter heeft in deze zaak op 3 september 2025 een tussenvonnis gewezen. De inhoud van dat tussenvonnis moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en de daarvan deel uitmakende overwegingen en beslissingen worden gehandhaafd.
2.2.
De kantonrechter heeft [eiser] in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om een nieuwe berekening van het bedrag dat [gedaagde] nog aan haar zou moeten betalen in te brengen, omdat in de berekening die [eiser] had ingebracht rente op rente in rekening werd gebracht en dat niet kan. [eiser] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en een akte genomen. Uit die akte volgt dat [eiser] er om proceseconomische redenen voor kiest om haar berekening aan te passen, zodat er een restant aan hoofdsom overblijft zonder rente. [eiser] neemt het bedrag van € 94.628,86 dat op 8 juli 2024 openstond als uitgangspunt en zij brengt daar de betalingen van elk € 39.476,25 op 30 juli 2024 en 4 september 2024 in mindering. [eiser] vermindert daarom haar eis en vordert betaling van het restantbedrag van
€ 15.676,36, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 september 2024.
2.3.
De kantonrechter overweegt dat een eiswijziging op grond van artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden gedaan tot het moment dat de rechter een eindvonnis heeft gewezen. Dit betekent dat de eis verandert kan worden tot het moment dat de rechter uitspraak doet. Dit kan anders zijn als sprake is van strijd met een goede procesorde. Door de eiswijziging van [eiser] wordt [gedaagde] niet onredelijk benadeeld. [gedaagde] had ook de mogelijkheid om bij antwoordakte op de eiswijziging te reageren. Van strijd met een goede procesorde is daarom geen sprake. De kantonrechter laat de eiswijziging dan ook toe.
2.4.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet aan de opdracht in het tussenvonnis heeft voldaan. Zij komt zelf met een berekening van de rente aan de hand van de vier facturen die [gedaagde] te laat heeft betaald. Volgens [gedaagde] kan [eiser] aanspraak maken op maximaal € 12.130,91 aan rente. De kantonrechter volgt [gedaagde] op dit punt om de hierna volgende reden.
2.5.
In het bedrag van € 94.628,86 dat [eiser] als uitgangspunt neemt is een bedrag van € 13.858,61 aan rente meegenomen. Het staat [eiser] vrij om te kiezen voor een andere berekening zoals zij die heeft ingebracht, maar [eiser] heeft daardoor de opbouw van haar rentebedragen niet inzichtelijk gemaakt waar zij in het tussenvonnis wel de opdracht voor had gekregen. [gedaagde] heeft aangegeven welke facturen te laat zijn betaald, wanneer die facturen betaald hadden moeten worden, wanneer die facturen zijn betaald en welke rente voor die periode verschuldigd is geworden. Dat is volgens [gedaagde] een bedrag van € 12.130,91. De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die renteberekening en daarom zal van dat bedrag aan rente worden uitgaan.
2.6.
[gedaagde] betwist de berekening van [eiser] verder niet. De kantonrechter gaat daarom uit van die berekening, maar neemt daarin anders dan [eiser] een rentebedrag van € 12.130,91 mee. Het verschil met het rentebedrag van [eiser] bedraagt € 1.727,70. Dat betekent dat een bedrag van (€ 94.628,86 - € 1.727,70 =)
€ 92.901,16 als uitgangspunt wordt genomen. [gedaagde] zal aan [eiser] moeten betalen een bedrag van (€ 92.901,16 – € 39.476,25 – € 39.476,25 =)
€ 13.948,66. Dit is het restant aan hoofdsom dat [gedaagde] nog verschuldigd is, omdat op grond van artikel 6:44 BW Pro de betalingen eerst in mindering zijn gebracht op de rente en de kosten en de hoofdsom overblijft. De gevorderde wettelijke handelsrente is dan ook over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding toewijsbaar.
2.7.
[gedaagde] heeft verzocht de vordering van [eiser] op grond van artikel 6:109 BW Pro te matigen, omdat [eiser] op grove wijze zou zijn tekort geschoten in de uitvoering van de overeenkomst. Zoals in het tussenvonnis van 3 september 2025 overwogen, is niet komen vast te staan dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Van matiging van het bedrag dat [gedaagde] nog aan [eiser] verschuldigd is, kan daarom geen sprake zijn.
2.8.
[eiser] vordert een vergoeding van € 2.617,23 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal de vordering toewijzen tot
€ 914,49, het wettelijk en redelijk geachte tarief over de toegewezen hoofdsom. De gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling is toewijsbaar. Dat er geen buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, omdat de dagvaarding is uitgebracht nadat [gedaagde] de laatste betaling had verricht, zoals [gedaagde] aanvoert, kan niet slagen.
Reconventie
2.9.
[gedaagde] heeft voorwaardelijk, als de vordering van [eiser] in enige vorm wordt toegewezen, gevorderd om [eiser] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over € 75.000,00. Zij stelt dat het uitvaartcentrum de betaling van facturen van [gedaagde] tot € 75.000 heeft uitgesteld, omdat [eiser] haar werk aan het dak van het uitvaartcentrum niet goed heeft verricht. [gedaagde] meent dat [eiser] de rente over dit bedrag aan haar verschuldigd is.
2.10.
Zoals in het tussenvonnis van 3 september 2025 overwogen, kan niet worden vastgesteld dat [eiser] haar werkzaamheden aan het dak van het uitvaartcentrum niet goed heeft verricht en zij aansprakelijk gehouden kan worden voor de schade door niet goed uitgevoerde werkzaamheden. De kantonrechter wijst de vordering daarom af.
Conclusie
2.11.
Dat betekent dat [gedaagde] € 13.948,66 aan [eiser] moet betalen en [eiser] € 13.972,75 als onverschuldigd betaald aan [gedaagde] moet betalen. De kantonrechter raadt partijen aan onderling tot een goede afwikkeling te komen.
Proceskosten
2.12.
In het langlopende conflict tussen parten en de uitkomst van deze procedure, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 13.948,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 september 2024 tot de dag van betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 914,49 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie
3.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 13.927,75 als onverschuldigd betaald;
3.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
41264