ECLI:NL:RBMNE:2026:4381

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
12244104 \ UV EXPL 26-129
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 117 RvArt. 122 RvArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen voetbalclub tegen tijdelijke plaatsing azc op gehuurd veld

IJsselsteinse Football Club (IJFC) vordert in kort geding dat de gemeente IJsselstein wordt verboden werkzaamheden uit te voeren die het huurgenot van een gehuurd voetbalveld schaden, omdat de gemeente tijdelijk een asielzoekerscentrum (azc) op dat veld wil plaatsen. IJFC stelt dat het veld hersteld moet worden en dat de gemeente een dwangsom moet betalen bij overtreding.

De gemeente erkent de inbreuk op het huurrecht maar wijst op haar publieke taak en de noodzaak van tijdelijke opvang van asielzoekers. Zij heeft compensatie en schadeloosstelling toegezegd. De kantonrechter oordeelt dat IJFC aanvankelijk spoedeisend belang had, maar dat dit inmiddels is komen te vervallen omdat het veld niet meer bruikbaar is voor het komende seizoen.

Hoewel IJFC rechtens te respecteren belangen heeft bij het beëindigen van de inbreuk en het bruikbaar houden van de keepershoek, wegen deze belangen niet op tegen de maatschappelijke belangen van de gemeente. De vorderingen worden daarom afgewezen en IJFC wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van IJFC worden afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang en het zwaarder wegen van de maatschappelijke belangen van de gemeente.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12244104 \ UV EXPL 26-129
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
IJSSELSTEINSE FOOTBALL CLUB "IJFC",
gevestigd in IJsselstein,
eisende partij,
hierna te noemen: IJFC,
gemachtigden: mr. T.R. Schelfaut en mr. T. Weerwind,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE IJSSELSTEIN,
zetelend in IJsselstein,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
gemachtigden: mr. J.M. Fluitsma en mr. R.L.M. Bastiaansen.

1.De procedure

1.1.
IJFC heeft de Gemeente op verkorte termijn [1] gedagvaard op 27 mei 2026. Op 28 mei 2026 heeft de Gemeente producties ingediend. De mondelinge behandeling (hierna: de zitting) heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting. Namens IJFC zijn haar [functie] , de heer [A] , en twee van haar [functie] , de heer [B] en mevrouw [C] , op de zitting verschenen. Zij werden bijgestaan door mrs. T.R. Schelfaut en T. Weerwind. Namens de Gemeente zijn de heer [D] , [functie] bij de Gemeente, en de heer [E] , [functie] bij de Gemeente, verschenen. Zij werden bijgestaan door mrs. J.M. Fluitsma en L.M. Bastiaansen. Tijdens de zitting heeft mr. Fluitsma pleitaantekeningen gebruikt om de zaak toe te lichten. Aan het eind van de zitting hebben partijen de kantonrechter gevraagd om de zaak twee weken aan te houden, zodat zij konden overleggen over een schikking. De kantonrechter heeft de zaak daarom twee weken aangehouden. Op gezamenlijk verzoek van partijen is de zaak daarna nog twee keer aangehouden. Op 3 juli 2026 heeft IJFC aangegeven dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en de kantonrechter verzocht om vonnis te wijzen. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Deze zaak gaat over het plan van de Gemeente om tijdelijk een asielzoekerscentrum (hierna: het azc) te plaatsen op een voetbalveld dat IJFC van de Gemeente huurt. De Gemeente is inmiddels gestart met de (voorbereidende) werkzaamheden op het veld om het azc op te (kunnen) bouwen. IJFC wil dat de kantonrechter de Gemeente beveelt om geen inbreuk te maken op het huurgenot van IJFC en het veld op haar kosten in de oude staat te herstellen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, met een maximum van € 300.000,00. De Gemeente erkent dat zij een inbreuk maakt op het huurrecht van IJFC, maar zegt dat zij IJFC daarvoor schadeloos zal stellen en er op dit moment sprake is van een zomerstop. Volgens de Gemeente heeft IJFC daarom geen rechtens te respecteren belang bij haar vorderingen. Voor zover IJFC dat wel heeft, zegt de Gemeente dat het onaanvaardbaar is dat IJFC zich op haar huurrecht beroept vanwege de acute noodsituatie die is ontstaan rondom de opvang van asielzoekers. De kantonrechter wijst de vorderingen van IJFC af.

3.De beoordeling

Toetsingskader in kort geding
3.1.
IJFC vraagt de kantonrechter in dit kort geding om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat kan alleen als IJFC daarbij een spoedeisend belang heeft en het aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure IJFC gelijk zou geven. Om dat te bepalen, geeft de kantonrechter een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en wat er is gezegd op de zitting. Op basis daarvan beslist de kantonrechter of de gevorderde spoedvoorzieningen worden toegewezen. Daarbij weegt de kantonrechter ook de belangen van partijen tegen elkaar af.
De achtergrond van deze procedure
3.2. De aanleiding voor dit kort geding is het plan van de Gemeente in het kader van haar publieke taken en verplichtingen om in samenspraak met het Centraal orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) en op dringend verzoek van de minister van Asiel en Migratie tijdelijk een azc te plaatsen op een voetbalveld in het sportpark Groenvliet in IJsselstein. Het veld staat bekend als veld ‘IJFC 2’ en is een van de vijf velden met accommodatie [2] die IJFC sinds 1982 van de Gemeente huurt. De overige velden van het sportpark worden gehuurd door de voetbalclub VVIJ, waarmee IJFC ook een veld deelt (zie hiernaast een scan van een overzichtssituatie [3] ).
3.3.
Op 15 april 2026 heeft de Gemeente na een periodiek overleg tussen IJFC, VVIJ en de verantwoordelijke wethouder van de Gemeente aan de [functie] van IJFC verteld dat zij tijdelijk een azc op veld ‘IJFC 2’ zou gaan plaatsen. De afstemming daarvoor met de gemeenteraad had al op 13 april 2026 plaatsgevonden en op basis daarvan had het college van Burgemeester en Wethouders op 14 april 2026 al een ‘kaderstellend besluit’ genomen om de plannen voor de plaatsing van het azc te concretiseren. Op 15 april 2026 is dat besluit door de Gemeente ook openbaar gemaakt via een persbericht.
3.4.
IJFC heeft zich op 22 april 2026 bij de Gemeente beklaagd over het feit dat de Gemeente haar met het besluit heeft overvallen. In haar brief van die datum schrijft zij dat zij begrijpt dat er keuzes moeten worden gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met het maatschappelijk belang, maar dat dat niet maakt dat de Gemeente zomaar aan de belangen en het huurrecht van IJFC voorbij kan gaan. IJFC geeft aan dat zij open staat om in overleg te treden over mogelijke oplossingen en verzoekt de Gemeente verder om niet met werkzaamheden te beginnen voor 18 mei 2026, zodat het lopende voetbalseizoen zonder verhinderingen kon worden afgerond.
Op 6 mei 2026 heeft de Gemeente aan IJFC aangegeven dat:
zij niet met de werkzaamheden zou starten voor 18 mei 2026;
zij in overleg met VVIJ en andere clubs in de buurt in gesprek is om vervangende veldruimte vrij te geven voor IJFC;
zij bereid is om gedurende de periode van opvang op de overige velden meer avondwedstrijden toe te staan ter vergroting van capaciteit, waarvoor zij geen hogere vergoeding zal vragen;
zij met het COA heeft afgesproken dat het veld – na de beoogde opvangperiode van zes maanden – door het COA weer in goede staat zou worden teruggebracht;
IJFC gedurende die periode geen huur hoefde te betalen voor het veld; en
zij bereid is om eventuele verminderde kantineopbrengsten te compenseren.
3.5.
Partijen zijn daarna met elkaar in gesprek gegaan over wat de Gemeente (nog meer) zou doen als compensatie voor de inbreuk op het huurrecht van IJFC. IJFC heeft daarbij telkens aangegeven de plaatsing van het azc niet onmogelijk te willen maken. De onderhandelingen waren er voor haar op gericht om de toezeggingen van de Gemeente – zoals de tijdelijke aard van de opvang, het herstel van het veld en de schadeloosstelling door de Gemeente – concreet uitgewerkt op papier te krijgen voordat de werkzaamheden zouden beginnen. Om die reden heeft de Gemeente op 22 mei 2026 een brief gestuurd met daarin een opsomming van die toezeggingen. Daarbij heeft zij het voorstel gedaan om de door IJFC geleden en nog te lijden schade uiterlijk op 29 juni 2026 vast te stellen en daarvoor een planning en wijze van schadevaststelling in de brief opgenomen.
3.6.
Op 26 mei 2026 heeft de Gemeente de [functie] van IJFC per telefoon laten weten dat de werkzaamheden de dag daarna zouden starten. IJFC heeft de Gemeente daarop aangegeven dat zij daarvoor geen toestemming had gegeven, omdat er naar haar mening nog geen concrete afspraken op papier stonden, en is de dag daarna dit kort geding gestart.
IJFC is ontvankelijk in haar vorderingen
3.7.
Voorafgaand aan de zitting heeft de Gemeente betoogt dat de door IJFC uitgebrachte dagvaarding nietig is, omdat die dagvaarding aan het kantoor van haar gemachtigde was betekent in plaats van aan haar eigen adres. Dat betoog gaat niet op. Een beroep op de nietigheid van de dagvaarding kan in dit geval alleen slagen als de Gemeente onredelijk in haar belangen is geschaad door het gebrek. [4] Dat is hier niet het geval, aangezien de Gemeente op de dag van de betekening op de hoogte was van de inhoud van de dagvaarding en zij op de zitting verweer heeft kunnen voeren tegen de vorderingen.
IJFC had spoedeisend belang bij haar vorderingen
3.8.
De kantonrechter oordeelt dat IJFC spoedeisend belang had bij haar vorderingen toen zij de dagvaarding op 27 mei 2026 uitbracht. Die ochtend was het voor de [functie] van IJFC duidelijk geworden dat de Gemeente inderdaad die dag met de werkzaamheden zou starten, zoals de dag daarvoor was aangekondigd. Het belang van IJFC was op dat moment nog om de onomkeerbare gevolgen van die werkzaamheden te voorkomen door zo spoedig mogelijk de gevorderde bevelen van de kantonrechter te verkrijgen en daarmee het veld bruikbaar te houden voor het aankomende seizoen. De kantonrechter komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van IJFC.
3.9.
Tegelijkertijd constateert de kantonrechter dat dat spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen. Al tijdens de zitting op 29 mei 2026 was duidelijk dat de werkzaamheden zodanig ver gevorderd waren dat het veld in geen geval meer voor het komende voetbalseizoen kon worden gebruikt. De [functie] van IJFC gaf namelijk aan dat het veld daarvoor onder meer opnieuw ingezaaid zou moeten worden en lang onbruikbaar zou zijn. Aan het eind van de zitting hebben partijen bovendien gezamenlijk besloten om met elkaar verder in gesprek te gaan over de compensatie voor de inbreuk op het huurrecht van IJFC, terwijl de werkzaamheden op het veld zouden worden voortgezet. Sindsdien is er dus een maand verstreken waarin er is gewerkt aan het plaatsen van het azc met als doel dat het COA dat per 1 juli 2026 in gebruik kon nemen. Voor zover dat nog in twijfel was, gaat de kantonrechter er daarom vanuit dat het niet langer mogelijk is om het veld speelklaar te maken voor het aankomende seizoen. Ook als de vordering tot herstel zou worden toegewezen, zal het veld dus pas weer in het seizoen 2027/2028 door IJFC kunnen worden gebruikt. Gelet hierop heeft IJFC geen spoedeisend belang meer bij de toewijzing van die vordering in kort geding.
IJFC heeft rechtens te respecteren belangen bij haar vorderingen
3.10.
Anders dan de Gemeente heeft betoogd, betekent dat niet dat IJFC helemaal geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij haar vorderingen. De Gemeente erkent dat zij een inbreuk maakt op dat huurrecht van IJFC door het azc op het veld te plaatsen. Dat
in het kader van debestaandehuurrelatiedie inbreuk niet toerekenbaar is of daarvoor een rechtvaardigingsgrond is, is gesteld noch gebleken. IJFC heeft er vanzelfsprekend belang bij om een einde te maken aan die onrechtmatige inbreuk, ook al kan zij het veld door de werkzaamheden niet op de normale manier gebruiken. De Gemeente moet het huurrecht van IJFC in principe ook gewoon respecteren. De Gemeente heeft weliswaar aangekondigd dat zij in een nog te starten bodemprocedure een beroep zal doen op onvoorziene omstandigheden om de huurovereenkomst wat betreft het veld met terugwerkende kracht tijdelijk te laten ontbinden/wijzigen. Maar vooralsnog is de huurovereenkomst dus ongewijzigd en is het uitgangspunt dat de Gemeente niet zomaar het verhuurde veld aan iemand anders dan IJFC ter beschikking mag stellen.
3.11.
Ook het argument van de Gemeente dat het nu zomerstop is en IJFC dus feitelijk geen last heeft van de inbreuk, slaat daarom de plank mis. Dat argument is bovendien moeilijk te plaatsen, omdat het veld ook voor het aankomende seizoen onbruikbaar zal blijven. Daarnaast heeft IJFC tijdens de zitting gewezen op haar belang om de keepershoek wel nog bruikbaar te houden tijdens het aankomende seizoen. Zij heeft uitgelegd dat dat kleinere trainingsveld, dat links van veld ‘IJFC 2’ ligt, door de plaatsing van het azc wordt afgesneden van het clubhuis en de andere velden. Ook dat veld is daardoor niet (goed) meer bruikbaar als het azc op veld ‘IJFC 2’ staat. De Gemeente heeft ook erkend dat dit een knelpunt is en dat daar ten tijde van de zitting nog geen goed werkbare oplossing voor was gevonden.
De belangen van de Gemeente wegen in dit geval zwaarder dan die van IJFC
3.12.
De belangen van IJFC om een einde te maken aan de inbreuk op haar huurrecht en om de keepershoek bruikbaar te houden wegen echter niet op tegen de belangen van de Gemeente in het kader van haar publieke taken en verplichtingen bij het plaatsen van het azc. De Gemeente heeft uitgelegd dat haar besluit om het azc op het veld te plaatsen voortkomt uit een dringend verzoek van de minister van Asiel en Migratie om op kort termijn tijdelijke noodopvang voor asielzoekers beschikbaar te maken. In een brief die de minister aan de Gemeente heeft toegestuurd op 23 maart 2026, spreekt hij van een kritieke situatie in de asielopvang die maakt dat er op korte termijn tijdelijke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de opvang in Nederland onbeheersbaar wordt. Die meer algemene oproep aan gemeentes om voor noodopvang te zorgen, is op 9 april 2026 opgevolgd met een specifiek verzoek aan de Gemeente om uit te leggen waarom zij niet voldoet aan haar wettelijke plicht om asielzoekers op te vangen op grond van de Spreidingswet en een uitnodiging voor een gesprek op ambtelijk niveau per brief van 26 mei 2026. Uit de brieven blijkt dat stilzitten door de Gemeente tot een (vooraankondiging van) indeplaatsstelling door (een uitvoeringsinstantie van) het ministerie zou leiden.
3.13.
Om dat te voorkomen zegt de Gemeente dat zij op korte termijn tijdelijke noodopvang moest realiseren, aangezien zij niet op tijd structurele opvangplekken beschikbaar kon maken. Het proces daarvoor is daardoor in een stroomversnelling gekomen. Na afweging van verschillende mogelijke locaties is in samenspraak met de gemeenteraad gekozen voor veld ‘IJFC 2’ als meest geschikte locatie. IJFC heeft gezegd dat zij het er niet mee eens is dat het veld een geschikte locatie is, maar dat zij zich bij dat besluit zou neerleggen als haar (financiële) belangen voldoende werden gewaarborgd en zij schadeloos zou worden gesteld. De Gemeente heeft IJFC op dat punt gerust willen stellen door een groot aantal tegemoetkomingen schriftelijk toe te zeggen en een voorstel te doen over de wijze waarop de schade zou worden vastgesteld en op welke termijn dat zou gebeuren. Hoewel de onderhandelingen tussen partijen uiteindelijk zijn vastgelopen, blijkt uit de correspondentie dat de Gemeente in ieder geval volgende toezeggingen op schrift heeft gedaan:
  • De Gemeente legt in de overeenkomst met het COA vast dat 31 december 2026 de uiterlijke datum van beëindiging van de tijdelijke noodopvang is. Tijdens de zitting heeft de Gemeente verklaard dat dit inmiddels is gebeurd.
  • Zo snel mogelijk daarna starten de voorbereidingen en herstelwerkzaamheden om het veld weer beschikbaar te maken voor gebruik.
  • IJFC krijgt beschikking over het veld dat minimaal overeenkomt met de conditie van vóór de werkzaamheden en dat voldoet aan de KNVB-eisen. De Gemeente heeft daarbij uitgesproken dat het naar verwachting gaat om een volledige vervanging van het veld.
  • IJFC hoeft geen huur te betalen voor het veld gedurende de periode dat zij het veld niet kan gebruiken.
  • IJFC wordt gecompenseerd voor alle concrete financiële nadelen in verband met de noodopvang, waaronder in ieder geval de verminderde kantineomzetten, de extra energiekosten en de extra inzet van het bestuur. De Gemeente spreekt in dat verband ook over compensatie in de vorm van investeringen, zoals twee nieuwe dug-outs, en benoemt dat er waarschijnlijk nog meer schadeposten zullen zijn, zoals huurkosten voor extra veldruimte, reiskosten van en naar andere locaties, en juridische kosten.
Tijdens de zitting heeft de Gemeente daar nog aan toegevoegd dat het COA met IJFC zou kijken naar een werkbare oplossing voor de keepershoek en dat er ook werd gekeken naar nieuwe materialen voor IJFC.
3.14.
Uit die gang van zaken en de opstelling van de Gemeente begrijpt de kantonrechter dat de Gemeente door de druk vanuit het ministerie met haar rug tegen de muur stond, op zeer korte termijn heeft moeten handelen om noodopvang te realiseren, en daarbij zoveel als mogelijk oog heeft willen houden voor de belangen van IJFC. De kantonrechter heeft er begrip voor dat IJFC liever had gezien dat alle afspraken over compensatie al vóór ‘de eerste schop in de grond’ op schrift waren gesteld, maar de situatie liet dat in dit geval niet toe. Desondanks heeft de Gemeente wel een heel aantal toezeggingen op schrift gedaan.
3.15.
Het is de kantonrechter niet duidelijk waarop de onderhandelingen tussen partijen uiteindelijk zijn vastgelopen. De kantonrechter gaat er niet vanuit dat de Gemeente terug is gekomen van haar toezeggingen. Als de Gemeente toerekenbaar tekortschiet in haar verplichting om IJFC het ongestoorde genot van het veld te verschaffen dan wel een onrechtmatige inbreuk maakt op het huurrecht van IJFC, is zij verplicht om de schade die daardoor ontstaat aan IJFC te vergoeden. Voor een voorschot op die schadevergoeding heeft IJFC in deze kortgedingprocedure weliswaar geen vordering ingesteld, maar de route om in een bodemprocedure haar schade vergoed te krijgen, staat voor haar zo nodig open als de Gemeente naar haar mening onterecht kostenposten buiten beschouwing laat. Voor zover IJFC meer compensatie of andersoortige tegemoetkomingen wil ontvangen, hoeft de Gemeente daar niet zonder meer mee akkoord te gaan. Uit de toezeggingen van de Gemeente in haar brieven en tijdens de zitting, blijkt echter dat zij daartoe wel bereid lijkt te zijn. Gelet op al de toezeggingen van de Gemeente, worden de financiële belangen van IJFC in beperkte mate geschaad.
3.16.
Hoewel daarvoor nog geen concrete oplossing is gevonden, heeft de Gemeente aangegeven dat zij (en het COA) zich zal inzetten om de keepershoek bruikbaar te houden voor het komende seizoen, bijvoorbeeld door een aparte toegangsweg daarnaartoe aan te leggen. Een dergelijke oplossing is misschien niet ideaal voor het gebruik van de keepershoek, maar zorgt er wel voor dat de overlast die IJFC op dit punt heeft, wordt geminimaliseerd. Aangezien IJFC er daarnaast geen voldoende belang meer bij heeft om het veld eerder te laten herstellen dan de einddatum die de Gemeente met het COA heeft afgesproken, is haar enige andere belang bij de gevorderde voorlopige voorzieningen dat zij een einde kan maken aan de inbreuk op haar huurrecht. Maar in praktijk levert haar dat dus niets op. De belangen van de Gemeente bij het plaatsen van het azc, mede met het oog op de maatschappelijke belangen die daarmee gediend worden, wegen daarom zwaarder. De kantonrechter wijst de vorderingen van IJFC om die reden af. De overige verweren van de Gemeente behoeven geen bespreking.
Ten overvloede
3.17.
Gezien de toezeggingen die de Gemeente heeft gedaan om IJFC volledig schadeloos te stellen in verband met de tijdelijke plaatsing van het azc [5] , geeft de kantonrechter de Gemeente in overweging om (in overleg met IJFC) in ieder geval op korte termijn over te gaan tot uitbetaling van een voorschot op de uiteindelijke te betalen compensatie opdat IJFC daarmee de komende maanden extra kosten en/of verliezen kan dekken.
IJFC moet de proceskosten van de Gemeente betalen
3.18.
IJFC is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [6] Dit betekent dat IJFC haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van de Gemeente moet betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
Geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring
3.19.
De proceskostenveroordeling van IJFC wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de Gemeente dat niet heeft gevorderd.

4.De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter recht doende in kort geding:
4.1.
wijst de vorderingen van IJFC af,
4.2.
veroordeelt IJFC in de kosten; zij moet de proceskosten van de Gemeente van € 721,00 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en de kosten van betekening als IJFC niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 117 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv).
2.Waaronder een kantine, waarmee IJFC inkomsten genereert.
3.Productie 1 bij dagvaarding.
4.Artikel 122 Rv Pro.
5.Onder randnummer 3.1 van haar spreekaantekeningen.
6.Artikel 237 lid 1 Rv Pro.