Verzoekster heeft een bewonersparkeervergunning aangevraagd die door het college is afgewezen omdat zij niet de houder is van het voertuig waarvoor de vergunning is aangevraagd. In de bezwaarfase doet verzoekster voor het eerst een beroep op de hardheidsclausule vanwege haar medische aandoening en financiële situatie, waaronder een angst- en paniekstoornis en openstaande schulden.
Het college heeft aangegeven dat er onvoldoende duidelijkheid is over de financiële situatie van verzoekster, met name over de registratie van het voertuig en de omvang van haar schulden. De voorzieningenrechter oordeelt dat hierdoor onvoldoende duidelijkheid bestaat over de vraag of sprake is van bijzondere hardheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
De belangenafweging leidt ertoe dat de belangen van het college zwaarder wegen dan die van verzoekster. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, maar stelt wel een termijn van uiterlijk 27 februari 2026 waarbinnen het college op het bezwaar moet beslissen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.