ECLI:NL:RBMNE:2026:4399

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/2202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 30a Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning na compromis tussen partijen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €997.000,- per waardepeildatum 1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar had het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd.

Tijdens de zitting op 26 februari 2026 bereikten partijen een compromis waarbij zij overeenkwamen dat de WOZ-waarde €877.000,- bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verlaagde de waarde conform het compromis.

De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep, vastgesteld op €3.210,69, en tot vergoeding van het griffierecht van €51,-. Vanwege het overgangsrecht bleef de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a Wet WOZ buiten toepassing omdat zowel de aanslag als de uitspraak op bezwaar van vóór 1 januari 2024 dateren.

De vergoeding voor het deskundigenrapport werd vastgesteld op €10,69, zoals overeengekomen op de zitting. De uitspraak is gedaan door rechter Visser en griffier Mennen op 21 mei 2026.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verlaagd tot €877.000,- en proceskosten en griffierecht worden aan eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2202

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: A. Oosters)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de woning aan [adres] in [plaats] (de woning).
2. De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 997.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het belastingjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd. Ook is in dit aanslagbiljet aan eiser als eigenaar van de woning een aanslag rioolheffing gebruik en afvalstoffenheffing opgelegd.
3. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 27 december 2023 (de bestreden uitspraak) het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een taxatiematrix.
4. Het beroep is behandeld op de zitting van 26 februari 2026. Daarbij zijn verschenen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Beoordeling door de rechtbank

5. In deze zaak is de WOZ-waarde van de woning niet meer in geschil. Op de zitting hebben partijen bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat naar hun oordeel de waarde in het economische verkeer, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 moet worden vastgesteld op € 877.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de waarde van de woning per waardepeildatum
1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023 verlagen tot € 877.000,-.
Proceskosten en griffierecht
7. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Dit betekent dat de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep wordt veroordeeld en het betaalde griffierecht moet vergoeden.
8. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 [1] en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer.
Overgangsrecht
9. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.
Kosten bezwaarfase
10. In deze zaak dateert de aanslag van vóór 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).
Kosten beroepsfase
10. De uitspraak op bezwaar dateert eveneens van vóór 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Kosten deskundigenrapport
10. Eiser heeft daarnaast verzocht om vergoeding van de kosten voor het laten opstellen van een deskundigenrapport. Partijen zijn op de zitting onderling overeengekomen dat de vergoeding voor het door de deskundige uitgebrachte taxatierapport € 10,69 moet bedragen. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Totale vergoeding

13. De totale vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar en beroep bedraagt daarmee € 3.210,69.
14. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden.
15. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Voor dit artikel geldt geen overgangsrecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verlaagt de waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] tot € 877.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022;
  • bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verminderd;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 3.210,69 aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij ECLI:NL:GHARL:2024:5335