ECLI:NL:RBMNE:2026:4407

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/2319
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 9.1 WhtArt. 6.1 WhtArt. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dienst Toeslagen moet te late aanvraag kinderopvangtoeslag alsnog in behandeling nemen

Eiseres diende op 31 juli 2024 een aanvraag in voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag, terwijl de uiterste aanmeldtermijn 1 januari 2024 was. Dienst Toeslagen weigerde de aanvraag in behandeling te nemen wegens te late indiening. Eiseres stelde dat haar situatie schrijnend was en dat sprake was van bijzondere omstandigheden die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen.

De rechtbank beoordeelde dat eiseres vanwege haar medische situatie (fibromyalgie), de uithuisplaatsing van haar zoon in 2019 en langdurige schuldenproblematiek waaronder bewindvoering tot medio 2023, beperkt was in haar doenvermogen. Hierdoor kon haar geen verwijt worden gemaakt voor de late aanvraag. De rechtbank vond dat strikte toepassing van de aanmeldtermijn in dit geval zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat Dienst Toeslagen de aanvraag alsnog in behandeling moet nemen. Tevens werd Dienst Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak benadrukt het belang van een terughoudende uitleg van de hardheidsclausule binnen de Wet hersteloperatie toeslagen en het evenredigheidsbeginsel.

Uitkomst: Dienst Toeslagen moet de te late aanvraag van eiseres alsnog in behandeling nemen vanwege bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2319

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Eiseres heeft zich op 31 juli 2024 aangemeld bij Dienst Toeslagen voor de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen heeft mogen weigeren om deze aanvraag in behandeling te nemen, omdat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres in behandeling had moeten nemen. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2024 niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 18 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
7. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend. Eiseres kon tot 1 januari 2024 een aanvraag indienen. Eiseres heeft op 31 juli 2024 een aanvraag gedaan. Dienst Toeslagen vindt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor zij de aanvraag van eiseres alsnog in behandeling nemen.
Het standpunt van eiseres
8. Eiseres vindt dat Dienst Toeslagen haar aanvraag alsnog in behandeling had moeten nemen omdat haar situatie als schrijnend moet worden aangemerkt. Eiseres wijst op het behandelkader verschoonbare termijnoverschrijding en vindt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor strikte toepassing van de aanmeldtermijn in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres stelt dat haar doenvermogen beperkt was als gevolg van:
  • haar medische situatie; eiseres heeft fybromyalgie waardoor zij vaak erg vermoeid is;
  • de uithuisplaatsing van haar zoon in 2019 en
  • haar langdurige schuldenproblematiek waardoor zij van 2017 tot en met medio 2023 onder bewind heeft gestaan.
Eiseres vindt ook dat strikte toepassing van de aanmeldtermijn in haar geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 9.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Ten slotte vindt eiseres dat het in strijd is met het doel en de strekking van de Wht dat een mogelijk recht op compensatie wordt gefrustreerd door alleen een procedurele tekortkoming.
Het oordeel van de rechtbank
Wanneer kan worden afgeweken van de wettelijke aanmeldtermijn?
9. Uit de wet volgt dat een aanvrager van kinderopvangtoeslag voor 1 januari 2024 een aanvraag voor compensatie voor geleden schade moet doen. [1] Als de toepassing van deze aanmeldtermijn leidt tot onbillijkheid van overwegende aard dan kan Dienst Toeslagen van deze aanmeldtermijn afwijken (de hardheidsclausule). [2] Het is aan eiseres om inzichtelijk te maken waarom sprake is van bijzondere omstandigheden of schrijnendheid waardoor Dienst Toeslagen moet afwijken van strikte toepassing van de aanmeldtermijn. Eiseres moet haar situatie zo concreet mogelijk te onderbouwen.
9.1.
Voor de vraag of er in dit geval sprake is een verschoonbare termijnoverschrijding, beoordeelt de rechtbank of strike toepassing van de aanmeldtermijn gelet op het doel en de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarbij is van belang dat sprake is van een eenmalige aanvraag die gericht is op het krijgen van erkenning en compensatie voor leed dat eiseres mogelijk heeft gehad als gevolg van de toeslagenaffaire. Een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule vindt de rechtbank daarom niet passend. De rechtbank moet per concreet geval toetsen of, ook gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding verschoonbaar is gelet op de door de ouder genoemde redenen.
9.2.
Van een onbillijkheid van overwegende aard kan sprake zijn als eiseres geen verwijt kan worden gemaakt dat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend. Dienst Toeslagen stelt in het verweerschrift dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die kunnen hebben gezorgd voor een tijdelijke beperking van het doenvermogen. Daarbij moet het gaan om de periode voorafgaand aan de aanvraag. Van een onbillijkheid van overwegende aard kan ook sprake zijn als er actuele, schrijnende omstandigheden zijn die samenhangen met (de gevolgen van) het niet in behandeling nemen van de aanvraag, zoals serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Dienst Toeslagen gebruikt als uitgangspunt dat er in het jaar voorafgaand aan de uiterste aanmeldtermijn, dus over 2023, sprake moet zijn geweest van dergelijke omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet kan worden gevonden dat eiseres in verzuim is geweest.
Is in het geval van eiseres sprake van bijzondere omstandigheden?
10. De rechtbank vindt de verklaringen van eiseres op de zitting over haar omstandigheden voldoende aannemelijk. De rechtbank is daarom op grond van wat eiseres in de stukken en op de zitting heeft aangevoerd van oordeel dat haar doenvermogen in 2023 beperkt was waardoor haar geen verwijt kan worden gemaakt dat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend. De verklaringen van eiseres komen erop neer dat zij belemmeringen ervoer om te handelen als gevolg van vermoeidheidsklachten en de psychische impact van de uithuisplaatsing van haar zoon. Ook stond eiseres tot medio 2023 onder bewind omdat zij in de schuldsanering zat. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij na het beëindigen van de schuldsanering en het bewind nog niet in staat was om zelf de draad weer op te pakken. Gelet op alle omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd vindt de rechtbank dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres in 2023 en eerder niet in staat was om haar zaken goed te behartigen of te laten behartigen. Eiseres kan daarom geen verwijt worden gemaakt voor het te laat indienen van haar aanvraag. Ook gelet op het doel van haar aanvraag, die gericht is op het krijgen van erkenning en compensatie voor leed dat zij mogelijk heeft gehad als gevolg van de toeslagenaffaire, is sprake van een onbillijkheid van overwegende aard voor eiseres als Dienst Toeslagen haar aanvraag niet in behandeling neemt.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing op het bezwaar door het primaire besluit van 29 augustus 2024 te herroepen en te bepalen dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres alsnog in behandeling neemt. Ook bepaalt de rechtbank dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
12. Omdat het beroep gegrond is moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiseres heeft zelf het beroepschrift ingediend. De gemachtigde heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 februari 2025;
- herroept het primaire besluit van 29 augustus 2024;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres alsnog in behandeling neemt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 6.1, eerste lid en artikel 2.1, eerste lid van de Wht.
2.Zie artikel 9.1, eerste lid van de Wht.