ECLI:NL:RBMNE:2026:4423

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/1185
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet arbeid vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen

Verzoekster heeft een bestuurlijke boete opgelegd gekregen wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen. Tevens is geen uitstel van betaling verleend, zijn wettelijke rente en deurwaarderskosten in rekening gebracht en ontving verzoekster een aanmaningsbrief van het Centraal Justitieel Incassobureau. Verzoekster stelde beroep in tegen deze besluiten en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De minister reageerde met een verweerschrift en de voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 31 maart 2026. Op dezelfde dag als deze uitspraak deed de rechtbank uitspraak in de onderliggende beroepen (zaaknummers UTR 25/4557, 25/4646, 25/4953 en 25/4954), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.

Verzoekster stelde dat haar proceskosten vergoed moesten worden, mede omdat de minister invorderingsmaatregelen had opgeschort. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat niet was gebleken dat er kosten waren gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kwamen, aangezien er geen sprake was van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op de beroepen reeds is beslist en een voorlopige voorziening niet meer nodig is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1185

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Jansen),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

(gemachtigden: L.G. Rissema-van Haren en J.E. Tichelaar).

Procesverloop

1. De minister heeft aan verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd vanwege het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen. Daarnaast heeft de minister geen uitstel van betaling verleend aan verzoekster en bij haar de wettelijke rente en deurwaarderskosten in rekening gebracht. Ook heeft verzoekster een aanmaningsbrief van het Centraal Justitieel Incassobureau gekregen. Verzoekster heeft tegen deze bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Bij uitspraak van vandaag in zaaknummers UTR 25/4557, 25/4646, 25/4953 en 25/4954, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
5. Verzoekster heeft nog opgemerkt dat hoe dan ook de door haar gemaakte proceskosten zouden moeten worden vergoed. Daarbij wijst zij er op dat de minister als gevolg van haar verzoek de invorderingsmaatregelen heeft opschort en de beslaglegging niet heeft geëffectueerd. Wat daar ook van zij, overweegt de voorzieningenrechter dat van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet is gebleken. Zoals in de uitspraak van vandaag in zaaknummers UTR 25/4557, 25/4646, 25/4953 en 25/4954 uiteen is gezet, is namelijk geen sprake van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.