ECLI:NL:RBMNE:2026:4434

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 23/4160
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit WGA-vervolguitkering wegens motiveringsgebrek, rechtsgevolgen in stand gelaten

Eiser, werkzaam als [functie 1], ontvangt sinds 2009 een WIA-uitkering. Het UWV besloot per 1 juli 2022 de WGA-loonaanvullingsuitkering te beëindigen en een WGA-vervolguitkering toe te kennen in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%. Eiser maakte bezwaar en het UWV voerde een sociaal-medische beoordeling uit, waarna een besluit op bezwaar volgde met een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse (55-65%).

Eiser betwistte de medische en arbeidskundige beoordeling en verzocht om een onafhankelijke verzekeringsarts, die werd benoemd. Deze deskundige bevestigde de beperkingen zoals vastgesteld door het UWV. De rechtbank constateerde echter een motiveringsgebrek in het oorspronkelijke besluit over de geschiktheid van functies, dat het UWV in beroep had hersteld met aanvullende rapporten.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege het motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het gebrek was hersteld. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, met toekenning van proceskostenvergoeding en griffierecht. Eiser blijft per 1 juli 2022 in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65% voor de WGA-vervolguitkering.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; eiser krijgt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4160

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Inleiding

1.1.
Eiser is voor gemiddeld 37,86 uur werkzaam geweest als [functie 1] . Op 20 juni 2006 melde hij zich wegens belemmerende gezondheidsklachten ziek voor dit werk. Sinds 17 juni 2009 ontvangt hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het Uwv waarin het Uwv aan eiser heeft meegedeeld dat hij per 1 juli 2022 niet meer in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, maar wel voor een WGA-vervolguitkering in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%.
1.3.
Het Uwv heeft dit besluit genomen zonder dat een actuele medische en arbeidsdeskundige beoordeling had plaatsgevonden. Nadat eiser bezwaar had gemaakt tegen het besluit is alsnog een sociaal-medische beoordeling uitgevoerd door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Vervolgens heeft eiser zijn bezwaargronden aangevuld.
1.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft op basis van deze bezwaargronden opnieuw medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van eiser vastgesteld. Deze beperkingen staan in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2023. Aan de hand daarvan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep drie functies geselecteerd die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog kan doen. Door het uurloon in de middelste functie te vergelijken met het maatmanloon heeft de arbeidsdeskundige berekend dat eiser voor 58,96 % arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
1.5.
Met het besluit op bezwaar van 20 juli 2022 heeft het Uwv daarom aan eiser per 1 juli 2022 een WGA-vervolguitkering in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65% toegekend.
1.6.
Eiser is het niet eens met het besluit op bezwaar en heeft hiertegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, vergezeld door mr. A.F. Kooij, en de gemachtigde van het Uwv.
1.8.
Op de zitting heeft de rechtbank het verzoek van eiser om een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen toegewezen. Na consent van partijen heeft de rechtbank dr. A. Mathoera, verzekeringsarts, (hierna: Mathoera) aangesteld als deskundige. Mathoera heeft op 24 februari 2026 zijn deskundigenrapport uitgebracht. Partijen hebben hierop allebei schriftelijk gereageerd.
1.9.
Daarnaast heeft de rechtbank het Uwv op de zitting in de gelegenheid gesteld een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te overleggen. De reden hiervoor was dat het Uwv zich op de zitting op het standpunt heeft gesteld dat de toelichting over de rechterarm van eiser in de FML van 13 juli 2023 bij de rubriek 4.8.1 een nadere toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vereist waaruit blijkt dat de geselecteerde functies daadwerkelijk geschikt zijn gelet op de fysieke beperkingen van eiser. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 maart 2026 overgelegd. Met daarbij ook een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van dezelfde datum, omdat de arbeidsdeskundige overleg heeft gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
1.10.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank besloten dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 8 juni 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de beroepsgronden van eiser?
2. Eiser vindt dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen en dat een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. Hij verwijst hierbij naar het psychiatrisch rapport van prof. dr. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van 18 maart 2025. Ook vindt hij dat zijn fysieke klachten door het Uwv onvoldoende zijn geduid. Hij vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier lichamelijk onderzoek naar had moeten doen. Daarom heeft hij de rechtbank verzocht om een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen.
3. Verder voert eiser aan dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet geschikt zijn, omdat daarbij te veel gereikt moet worden. En bij de functie [functie 2] moet daarnaast geordend, nauwkeurig en accuraat worden gewerkt, wat voor eiser niet mogelijk is gelet op zijn gebrek aan concentratievermogen.
Wat zijn de reacties van partijen op het deskundigenrapport en het aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep?
4. Het Uwv heeft met een brief van op 17 maart 2026 aangegeven dat hij zich kan vinden in het deskundigenrapport.
5. Uit de reactie van eiser van 14 april 2026 volgt dat hij zich niet kan vinden in het deskundigenrapport. Eiser heeft niet inhoudelijk gereageerd op de aanvullende rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 maart 2026 die door het Uwv zijn overgelegd, omdat deze niet ingaan op het deskundigenrapport.
Wat vindt de rechtbank?
Medische beoordeling
6. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste rechtspraak het uitgangspunt geldt dat de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke, door haar ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige haar overtuigend voorkomt. Tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen.
7. De rechtbank stelt vast dat Mathoera eiser heeft onderzocht en het dossier van eiser heeft bestudeerd, waaronder het rapport van [naam 1] en de door eiser aan Mathoera overgelegde informatie van zijn huidig behandelaar, psychiater [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Mathoera volgt [naam 1] in zijn medische beoordeling dat bij eiser op de datum in geding – dat is op 1 juli 2022 – sprake was van een matig ernstige depressie en een matig ernstige PTSS. Vervolgens komt Mathoera op basis van zijn onderzoek tot de conclusie dat het Uwv de beperkingen van eiser op de datum in geding in de FML van 13 juli 2023 niet bovenmatig heeft aangegeven of onderschat. Mathoera ziet op basis van de medische informatie in het dossier van eiser en zijn eigen onderzoek geen aanknopingspunten in de Standaard Vermindering Arbeidsduur om op de datum in geding een verdergaande arbeidsduurbeperking aan te nemen dan het Uwv heeft gedaan. Ook ziet Mathoera op basis van de medische informatie en zijn eigen onderzoek geen aanleiding voor een beperking op de rubriek het vasthouden van de aandacht. De motivering die Mathoera hiervoor geeft komt de rechtbank overtuigend voor. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. [naam 1] en [naam 2] zijn in tegenstelling tot Mathoera geen verzekeringsartsen. De medische informatie die zij hebben aangeleverd is door Mathoera meegenomen bij de beoordeling van de beperkingen zoals deze door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn vastgesteld.
8. Wat eiser in zijn reactie op het deskundigenrapport aanvoert geeft de rechtbank geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Mathoera wel degelijk de situatie van eiser op de datum in geding beoordeeld. Hij heeft daarom juist een zwaarder gewicht toegekend aan de medische informatie van [naam 1] , die van dicht bij de datum in geding is, dan aan de informatie van [naam 2] , omdat die informatie vooral ziet op de huidige medische situatie van eiser. Het is niet zo – zoals eiser in zijn reactie aanvoert – dat door Mathoera geen waarde is gehecht aan de informatie van [naam 2] die eiser heeft overgelegd.
9. De conclusie van het voorgaande is dat het rapport van [naam 1] dat eiser in beroep heeft overgelegd voor de rechtbank aanleiding was om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Het rapport van deze onafhankelijk deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. In het rapport heeft de deskundige de medische gegevens over eiser van [naam 1] en van [naam 2] betrokken. Op grond van het oordeel van deze onafhankelijke deskundige komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiser tegen de medische beoordeling van het Uwv ongegrond is.
Arbeidskundige beoordeling
10. Op de zitting heeft het Uwv erkend dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom de geduide functies de belastbaarheid van eiser bij de rubriek 4.8.1 niet overschrijden. Aan het bestreden besluit kleeft dus een motiveringsgebrek. Daarom zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het motiveringsgebrek met de in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 maart 2026 en het bijbehorende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van dezelfde datum gegeven nadere motivering hersteld. Daarom zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Wel is het motiveringsgebrek aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiser. Eiser heeft immers terecht beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. [1] Dit omdat het Uwv dit gebrek met de aanvullende motivering in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 maart 2026 en het bijbehorende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van dezelfde datum heeft hersteld. De overige beroepsgronden van eiser slagen niet. Dit betekent dat eiser per 1 juli 2022 in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%.
13. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 juli 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank doet dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.