ECLI:NL:RBMNE:2026:4438

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6650
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AwirArt. 14 AwirArt. 33 AwirArt. 2.1 Verzamelbesluit Toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag niet onevenredig

Eiser heeft in 2024 meer zorg- en huurtoeslag ontvangen dan waar hij recht op had, omdat zijn definitieve inkomen hoger was dan het geschatte inkomen. Dienst Toeslagen heeft daarom de teveel ontvangen toeslagen teruggevorderd. Eiser betwist de terugvordering en stelt dat deze gedeeld moet worden met zijn voormalige toeslagpartner en dat de terugvordering onevenredig is vanwege zijn beperkte financiële middelen.

De rechtbank stelt vast dat eiser als aanvrager van de toeslagen verantwoordelijk is voor de terugbetaling van het volledige bedrag. Het feit dat er een voormalige toeslagpartner is, doet hieraan niet af. Indien eiser niet kan betalen, kan Dienst Toeslagen het niet betaalde bedrag verhalen op de voormalige toeslagpartner.

Verder oordeelt de rechtbank dat de terugvordering niet onevenredig is, ondanks de beperkte financiële middelen van eiser. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die matiging van de terugvordering rechtvaardigen. De rechtbank wijst erop dat eiser een persoonlijke betalingsregeling kan aanvragen.

Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, waardoor de terugvordering in stand blijft en eiser het griffierecht niet terugkrijgt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de volledige terugvordering van de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag bij eiser.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6650

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag bij eiser kan terugvorderen en of deze terugvordering evenredig is. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen het bedrag bij eiser kan terugvorderen en dat de terugvordering niet onevenredig is. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser dus geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser ontvangt zorgtoeslag en huurtoeslag. Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 11 juli 2025 vastgesteld dat eiser in 2024 meer zorg- en huurtoeslag heeft ontvangen dan waar hij recht op had. Dienst Toeslagen heeft de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag daarom teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
6. Eisers definitieve inkomen in 2024 is hoger dan het geschatte inkomen. Eiser had in 2024 daarom recht op minder zorg- en huurtoeslag dan hij heeft ontvangen. Dienst Toeslagen heeft de teveel ontvangen zorgtoeslag (€ 450,-) en huurtoeslag (€ 751,-) daarom teruggevorderd.
Het standpunt van eiser
7. Eiser vindt dat de terugvordering van de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag gedeeld moet worden tussen hem en zijn voormalige echtgenote omdat zij tijdens deze periode toeslagpartners waren. Ook vindt eiser dat de terugvordering niet evenredig is, omdat hij beperkte financiële middelen heeft waardoor hij de verschuldigde bedragen niet kan terugbetalen. Eiser ontvangt namelijk een AOW-uitkering en een klein pensioen.
Aansprakelijkheid voor de terugvordering
8. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag als eerste volledig kan terugvorderen bij eiser. Eiser heeft de zorg- en huurtoeslag namelijk aangevraagd. Eiser is als aanvrager de belanghebbende van de zorg- en huurtoeslag. Volgens de wet is eiser daarom verantwoordelijk voor het terugbetalen van de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag over 2024. [1] Dat zowel eiser, als zijn voormalige toeslagpartner recht hadden op zorg- en huurtoeslag maakt geen verschil, omdat de toeslagen alleen aan eiser als aanvrager zijn toegekend. [2] Dienst Toeslagen mag daarom de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag ten eerste volledig terugvorderen bij eiser. Uit de wet [3] en rechtspraak [4] volgt dat als eiser niet in staat is om de terugvordering te voldoen dat Dienst Toeslagen het niet voldane bedrag kan verhalen bij de voormalige echtgenote en toeslagpartner van eiser.
Evenredigheid van de terugvordering
9. De rechtbank oordeelt verder dat de terugvordering van de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag in het geval van eiser niet onevenredig is. Dat eiser beperkte financiële middelen heeft om de terugvordering te betalen betekent niet dat de terugvordering alleen daarom al niet evenredig is. [5] Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd waarom Dienst Toeslagen de terugvordering had moeten matigen of waarom de terugvordering onevenredig is. Ten slotte wijst de rechtbank er samen met Dienst Toeslagen op dat eiser een (persoonlijke) betalingsregeling aan kan vragen gelet op zijn beperkte middelen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de terugvordering van de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
2.Dat volgt uit artikel 14, tweede lid, van de Awir.
3.Dat volgt uit artikel 33, eerste lid, van de Awir.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
5.Dat staat ook in artikel 2.1. van het Verzamelbesluit Toeslagen.