ECLI:NL:RBMNE:2026:4439

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/62
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel bij kindgebonden budget en BEM-clausule

Eiseres heeft kindgebonden budget aangevraagd en ontvangen over 2025. Zij beschikte over een BEM-clausule, een geblokkeerde bankrekening op naam van haar minderjarige kinderen, en verzocht om het vermogen van haar kinderen als bijzonder vermogen aan te merken, zodat dit niet mee zou tellen bij de vermogensgrens voor het kindgebonden budget. Dienst Toeslagen wees dit verzoek af omdat de blokkade extern moet zijn opgelegd en niet door de ouder zelf.

Eiseres stelde dat zij mocht vertrouwen op de informatie op de website van Dienst Toeslagen, waar stond dat vermogen van kinderen met een BEM-clausule niet meegeteld zou worden. De rechtbank beoordeelde dit als een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de website niet als toezegging kan worden gezien dat het vermogen automatisch buiten beschouwing wordt gelaten; er moet altijd een besluit van Dienst Toeslagen volgen.

De rechtbank concludeerde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Moed op 5 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel wordt ongegrond verklaard en het vermogen van de kinderen wordt niet als bijzonder vermogen aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/62

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres mocht vertrouwen op de informatie die op de website van Dienst Toeslagen staat over haar recht op kindgebonden budget. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres dus geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft kindgebonden budget aangevraagd en ontvangen over 2025. Voordat zij dat deed, heeft zij een zogenaamde clausule voor Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen (een zogenaamde BEM-clausule) gevraagd en gekregen van de kantonrechter. Dit is een geblokkeerde bankrekening op naam van een kind jonger dan achttien jaar.
3. Eiseres heeft verzocht om het vermogen van haar kinderen op de geblokkeerde bankrekening aan te merken als bijzonder vermogen dat wordt uitgesloten bij de berekening van haar recht op kindgebonden budget. Dienst Toeslagen heeft dit verzoek met het besluit van 14 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
7. De echtgenoot van eiseres is overleden. De kinderen van eiseres zijn erfgenamen en hebben gezamenlijk € 49.387,77 geërfd. De vermogensgrens voor het ontvangen van kindgebonden budget was in 2025 € 141.896,- . Met de erfenis van de kinderen erbij opgeteld kwam het vermogen van eiseres in het jaar 2025 (net) boven dit bedrag uit. Op grond van de Uitvoeringsregeling van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) telt vermogen van een kind niet mee als dat vermogen opkomt van de zijde van het kind en zowel het kind als de ouders niet over dat vermogen kunnen beschikken en er ook niet over hebben kunnen beschikken. Om dat vermogen niet mee te laten tellen, moet eerst een verzoek worden gedaan. Zo'n uitzondering op vermogen heet bijzonder
vermogen. Eiseres heeft de BEM-clausule aangevraagd, omdat zij in de veronderstelling was dat het vermogen van haar kinderen dan als bijzonder vermogen zou worden aangemerkt.
8. Met het bestreden besluit is Dienst Toeslagen bij het standpunt gebleven dat het vermogen van de kinderen ook met de BEM-clausule niet aangemerkt kan worden als bijzonder vermogen, omdat de blokkade extern moet zijn opgelegd. De ouder mag niet zelf het vermogen van het kind laten blokkeren, omdat de ouder dan zelf een recht op een toeslag kan laten ontstaan. Dienst Toeslagen heeft hiervoor verwezen naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1]
Het geschil
9. Tussen partijen staat niet ter discussie dat niet aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan om het vermogen van de kinderen aan te merken als bijzonder vermogen. Eiseres vindt dat zij toch in aanmerking hoort te komen voor het kindgebonden budget, omdat zij mocht uitgaan van de informatie en voorwaarden die Dienst Toeslagen op de website heeft staan voor het uitsluiten van het vermogen van haar kinderen. Eiseres wijst op de volgende tekst op de website van Dienst Toeslagen:
“Vermogen van kinderen
U kunt ons vragen om het volgende niet mee te tellen als vermogen:
  • Vermogen van een pleegkind.
  • Vermogen van een kind of pleegkind waar u, uw toeslagpartner, uw medebewoners en uw kind niet aan kunnen komen, omdat iemand anders een BEM-clausule heeft gegeven (Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen). U moet dit kunnen bewijzen.”
Eiseres voert aan dat zij dacht dat ze aan deze voorwaarden voldeed: de BEM-clausule is immers door iemand anders gegeven (de kantonrechter). Zij had op basis van deze tekst niet kunnen begrijpen dat de BEM-clausule niet zelfopgelegd mocht zijn en ze vindt dat ze ervan uit mocht gaan dat ze met de BEM-clausule die door de kantonrechter was afgegeven aan de voorwaarden voldeed.
Het oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank vat de beroepsgrond van eiseres op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Op de website staat niet dat het vermogen van haar kind waarvoor iemand anders een BEM-clausule heeft afgegeven hoe dan ook niet meetelt. Er staat: “U kunt ons vragen om het volgende niet mee te tellen als vermogen: […]”. Daaruit volgt dat er in ieder geval nog een beslissing moet komen van Dienst Toeslagen op het verzoek om dat vermogen buiten beschouwing te laten. Alleen al daarom is geen sprake van een toezegging waaruit eiseres mocht afleiden dat het vermogen van haar kinderen niet mee zou tellen als er een BEM-clausule zou zijn afgegeven door de kantonrechter. Het kan heel goed zo zijn dat eiseres op het verkeerde been is gezet door de tekst op de website, maar dat is op zichzelf onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Onder meer de uitspraak van 2 oktober 2013, vindplaats ECLI:NL:RVS:2013:1355.