Op 5 mei 2024 vond een explosie plaats bij de portiekdeur van een appartementencomplex, waarvan de woning van eiser deel uitmaakt. De burgemeester sloot de woning van eiser voor drie weken op grond van artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet vanwege ernstige verstoring van de openbare orde en vrees voor herhaling.
Eiser voerde aan dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom sprake was van ernstige vrees en dat hij niet vooraf de gelegenheid had gekregen zijn zienswijze te geven. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester wel bevoegd was de woning te sluiten gezien de explosie en het risico op herhaling, maar dat onvoldoende was gedaan om eiser vooraf te horen, waardoor het besluit vernietigd werd.
De rechtbank liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de sluiting noodzakelijk en evenwichtig was. De burgemeester had voldoende pogingen gedaan om contact te leggen, maar had niet alles redelijkerwijs mogelijke gedaan, zoals het achterlaten van een brief. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de sluiting bleef gehandhaafd. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, maar het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt vernietigd wegens onvoldoende gelegenheid tot zienswijze, maar de sluiting blijft gehandhaafd omdat de burgemeester bevoegd was.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7440
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Gerrits),
en
de burgemeester van de gemeente Hilversum
(gemachtigde: mr. W.M. Goncalves Sobral en dhr. H. Braam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen de sluiting van eisers appartement aan de [adres] in [plaats] tussen 8 en 29 mei 2024 naar aanleiding van een explosie op 5 mei 2024 bij de portiekdeur die onder andere toegang geeft tot eisers appartement. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de burgemeester onvoldoende heeft gedaan om eiser voorafgaand aan de sluiting om zijn zienswijze te vragen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de burgemeester in de gegeven omstandigheden wel bevoegd was de woning voor drie weken te sluiten en ook van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 8 mei 2024 heeft de burgemeester eisers woning voor drie weken gesloten met ingang van 8 mei 2024 om 16:00 uur. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 23 mei 2024 [1] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit bezwaar afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 oktober 2024 heeft de burgemeester, onder verwijzing naar een advies van de Commissie Bezwaarschriften, het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft de verhuurder van de woning van eiser, Stichting Dudok Wonen, als belanghebbende aangemerkt, maar deze heeft aangegeven niet als procespartij te willen deelnemen aan deze procedure.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Waarom is eisers woning gesloten?
3. Op 5 mei 2024, omstreeks 01:32 uur, trof de politie bij de portiekdeur van eisers woning een brand aan. Deze brand bleek het gevolg te zijn van een tot ontploffing gebrachte vuurwerkbom (Cobra). Het portiek op de begane grond biedt toegang tot de woning van eiser op de tweede verdieping en tot vijf andere woningen. De burgemeester heeft naar aanleiding van informatie uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 7 mei 2024 - waarin onder meer is vermeld dat aannemelijk is dat de explosie specifiek op eiser gericht was en niet op de bewoners van de andere woningen van de portiek - de woning van eiser bij besluit van 8 mei 2024 gesloten voor de duur van drie weken.
Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
4. Op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door ernstig geweld, of bedreiging daarmee, in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning of het lokaal of op het erf of in de onmiddellijke nabijheid van het erf, de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring.
5. Eiser stelt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van ernstige vrees voor de openbare orde, welke ertoe heeft genoodzaakt de woning van eiser te sluiten. Eiser voert hiertoe aan dat de burgemeester niet op grond van de bestuurlijke rapportage heeft kunnen vaststellen dat sprake is van ernstige vrees in de vorm van richting eiser gerichte bedreigingen. Dat hij vaker ‘negatief’ wordt bejegend door het online publiek, dan wel met enige regelmaat bedreigingen ontvangt, betekent niet dat de explosie voor hem bedoeld was. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om dit met voldoende zekerheid vast te stellen. Volgens eiser berust de voorlopige bestuurlijke rapportage op dit punt enkel op aannames en speculaties. Daarnaast is nimmer een definitieve bestuurlijke rapportage ingebracht ter onderbouwing van de sluiting. Dat eiser zelf zou hebben verklaard dat de explosie met hem te maken zou kunnen hebben, maakt het voorgaande niet anders, omdat hier verder geen aanknopingspunten voor zijn. Verder is ook niet gebleken van een vrees voor herhaling van een dergelijke aanslag en daarmee verstoring van de openbare orde en veiligheid. Ook voert eiser aan dat niet is voldaan aan het locatiecriterium. Het appartement van eiser bevindt zich in een appartementencomplex waarvan het portiek doelwit van de aanslag was. In het complex bevinden zich ook vijf andere appartementen. De woning van eiser zelf bevindt zich op de derde verdieping en is niet specifiek het doelwit geweest van de aanslag. Er moet sprake zijn van een duidelijke connectie tussen de gedraging en de woning. Het enkele feit dat een willekeurige woning in de buurt ligt, is onvoldoende voor een sluiting. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de memorie van toelichting bij het wetvoorstel tot wijziging van de Gemeentewet. [2]
6. De rechtbank oordeelt als volgt. De explosie van de vuurwerkbom in het portiek die toegang geeft tot het appartementencomplex waar eiser woont met een brand als gevolg, vormt een ernstige verstoring van de openbare orde artikel 174a, eerste lid, onder b, van de Gw. De rechtbank vindt dat - op basis van de informatie voorafgaand aan de sluiting – er, anders dan eiser betoogt, daarnaast ook voldoende aanknopingspunten waren om een vrees voor herhaling gerechtvaardigd te achten. Uit de bestuurlijke rapportage van 7 mei 2024 volgt dat door de politie drie verdachten zijn aangehouden, het onderzoek nog loopt en de politie het sterk aannemelijk acht dat de explosie gericht is op eiser. Hierbij is erop gewezen dat eiser online bedreigingen ontvangt vanwege zijn online vlogwerkzaamheden en dat zijn auto al tweemaal in de brand is gestoken, waarvan eenmaal ter hoogte van zijn woning. Verder is betrokken dat eiser er ook zelf van uitgaat dat de explosie voor hem was bedoeld, hij online informatie over de explosie heeft gedeeld en dat in algemene zin in toenemende mate incidenten met explosieven plaatsvinden bij of in panden. Nu eiser zijn online werkzaamheden continueert, kan de politie niet uitsluiten dat er opnieuw ernstige verstoringen van de openbare orde zullen ontstaan rondom [adres] , aldus dit rapport. De rechtbank vindt dat dit rapport een vrees voor herhaling, met als gevolg gevaar voor omwonenden en toevallige passanten, voldoende aannemelijk maakt en er hiermee voldoende aanleiding was voor de burgemeester om de woning op grond van artikel 174a van de Gemeentewet tijdelijk te sluiten. Dat er na de bestuurlijke rapportage geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken die de explosie linken aan eiser, leidt niet tot een ander oordeel, nu beoordeeld moet worden of de burgemeester met de informatie die hij destijds voorhanden had, tot dit besluit heeft mogen komen.
7. Dat niet zou zijn voldaan aan het locatiecriterium en er onvoldoende connectie is tussen de explosie en eisers woning, volgt de rechtbank niet. Niet in geschil is dat de explosie en de brand hebben plaatsgevonden in het portiek dat toegang geeft tot het appartementencomplex waar eiser woont. Dit is voldoende om te spreken van een ernstige verstoring van de openbare orde in de onmiddellijke nabijheid van de woning. Dat eiser op de derde verdieping van dit appartementencomplex woont, maakt dat niet anders. Verder verwijst de rechtbank in dit kader ook naar wat hiervoor onder 6 is overwogen over de connectie tussen de explosie en eisers woning. De beroepsgrond slaagt niet.
Begunstigingstermijn en zienswijze
8. Eiser stelt dat de burgemeester hem een begunstigingstermijn had moeten verlenen en meer tijd had moeten geven om zijn zienswijze kenbaar te maken. De woning is namelijk pas na 3 dagen gesloten, terwijl hem de toegang tot de woning al meteen is ontzegd. Eiser heeft geen persoonlijke spullen mee kunnen nemen uit zijn woning. Daarnaast is zijn kat binnengesloten in de woning. De burgemeester heeft weliswaar geprobeerd te bellen, maar heeft naar telefoonnummers gebeld die niet in gebruik zijn en anoniem gebeld naar het nummer wat wel in gebruik is. Anonieme telefoontjes neemt eiser niet op en hem is niet bekend dat de burgemeester een voicemail heeft ingesproken. De burgemeester had meer moeite moeten doen om eiser te bereiken nu het de media wel is gelukt om eiser op dezelfde dag te bereiken.
9. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de dreiging die uit de bestuurlijke rapportage volgde en het onmogelijk bleek om met eiser contact te leggen, van het geven van een begunstigingstermijn is afgezien. Daarbij is volgens de burgemeester wel rekening gehouden dat indien alsnog contact met eiser zou plaatsvinden, de sluiting tijdelijk zou kunnen worden opgeheven om de bewoner in staat te stellen maatregelen te treffen om de woning te verlaten. Wat betreft de zienswijze stelt de burgemeester dat gemeentemedewerkers in de middag van 7 mei 2024 en de ochtend van 8 mei 2024 vergeefs bij eiser hebben aangebeld en daarnaast is tussen 7 mei 2024 13:21 uur en 8 mei 2024 via drie bij de politie en de woningbouw bekende telefoonnummers geprobeerd eiser te bereiken, waarbij er eenmaal een voicemail is ingesproken met daarin het verzoek aan eiser om zo spoedig mogelijk terug te bellen. Verder wijst de burgemeester erop dat eiser kort na de sluiting alsnog zijn zienswijze heeft kunnen geven.
10. Uit artikel 5:31, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan – dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen – in spoedeisende gevallen kan besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.
11. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester gebruikmakend van de bevoegdheid in artikel 5:31 vanPro de Awb in dit geval van een begunstigingstermijn heeft mogen afzien. Hierbij betrekt de rechtbank dat sprake was van een ernstige dreiging die niet binnen de invloedssfeer ligt van eiser, zodat een dergelijke begunstigingstermijn uitsluitend zou kunnen worden gegeven om eiser in staat te stellen maatregelen te treffen om de woning te verlaten. Gelet op de ernst van de explosie en de aanwijzingen voor herhaling heeft de burgemeester hiervan mogen afzien. Voor zover eiser betoogt dat geen sprake was van spoed omdat de woning pas drie dagen na de explosie is gesloten, volgt de rechtbank dat niet. De burgemeester heeft aangegeven na de explosie de bestuurlijke rapportage, daterend 7 mei 2024, te willen afwachten om de kans op herhaling te kunnen inschatten. Nu, zoals hiervoor is overwogen, hieruit een aanzienlijk risico op herhaling bleek, was nog altijd sprake van een spoedeisende situatie.
11. Over de zienswijze overweegt de rechtbank als volgt. De burgemeester is in beginsel gehouden om een betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze te geven over een eventuele woningsluiting. [3] Aan het besluit is niet ten grondslag gelegd dat hiervan vanwege de spoedeisend kon worden afgezien [4] , maar dat in dit geval voldoende pogingen zijn gedaan om eiser in staat te stellen zijn zienswijze te geven. De rechtbank volgt dit laatste niet. De rechtbank heeft, hoewel dit ter zitting door eiser alsnog werd betwist, geen reden om te twijfelen aan de door de burgemeester gestelde pogingen die zijn ondernomen om met eiser in contact te komen, zodat in dit kader wel degelijk inspanningen zijn verricht. Echter, een woningsluiting is een zeer ingrijpende bevoegdheid van de burgemeester, wat met zich brengt dat, indien een zienswijze niet achterwege kan worden gelaten, alles wat redelijkerwijs mogelijk is moet worden gedaan om een betrokkene op de hoogte te stellen van het voornemen tot sluiting. Hiervan is in dit geval niet gebleken. In ieder geval had bij eisers woning in de middag van 7 mei 2025, toen er kennelijk al gemeentemedewerkers bij eisers woning zijn geweest, een brief kunnen worden achtergelaten waarin het voornemen stond om de woning te sluiten. Nu dit niet is gebeurd, is in zoverre sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
13. De burgemeester heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat als er sprake is van een gebrek, dit gebrek hersteld kan worden met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad doordat hij kort na de sluiting alsnog zijn zienswijze heeft kunnen geven. De rechtbank vindt echter dat het geconstateerde gebrek zich niet leent voor toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb. Het is aan de burgemeester om bij een dergelijk verstrekkend besluit, de belangen van eiser voorafop te vragen en zorgvuldig mee te wegen. Dat is in dit geval niet gebeurd terwijl niet alles wat redelijkerwijs mogelijk was is gedaan om eiser van de sluiting op de hoogte te stellen, waardoor eiser is geconfronteerd met de feitelijke gevolgen van het besluit. In die situatie kan niet worden aangenomen dat eiser niet is benadeeld als bedoeld in voormeld artikel. De beroepsgrond over de zienswijze slaagt dan ook.
14. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. In dit kader acht de rechtbank wel relevant dat eiser alsnog kort na de sluiting zijn zienswijze heeft kunnen geven en dat eiser in staat is gesteld om in de woning maatregelen te treffen om buiten de woning te verblijven voor de duur van de sluiting. Verder was de burgemeester, zoals hiervoor overwogen, bevoegd de woning te sluiten en mocht hij, gelet op wat hieronder zal worden overwogen, ook van deze bevoegdheid gebruik maken.
Is het evenredigheidsbeginsel geschonden?
15. Als de burgemeester gebruik wil maken van de sluitingsbevoegdheid, moet de burgemeester in het concrete geval toetsen aan het evenredigheidsbeginsel vervat in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Die toets houdt hier in dat de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de sluiting van de woning worden beoordeeld.
15. Eiser stelt dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verstoring van de openbare orde niet afdoende kon worden bestreden met minder ingrijpende maatregelen. Hierbij is gewezen op in de wetsgeschiedenis genoemde maatregelen, zoals politiesurveillance van de woning of cameratoezicht. Eiser wijst erop dat na de sluiting alsnog camera’s zijn geplaatst bij het appartementencomplex. De burgemeester had eerst deze opties moeten gebruiken voordat tot woningsluiting kon worden overgegaan. Het subsidiariteitsbeginsel is dan ook geschonden. Ook is de sluiting volgens eiser niet proportioneel. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd dat een sluiting van drie weken noodzakelijk is en dat met geen of een kortere sluiting het gevaar of de bedreiging voor de openbare orde niet zal zijn geweken. De bestuurlijke rapportage geeft hierover geen uitsluitsel. Eiser stelt dat zijn belang bij het niet sluiten van de woning zwaar weegt. Hij heeft tijdelijk zijn huisvesting verloren en had ook geen goede opvang voor zijn kat. Er is sprake van een ernstige inbreuk op artikel 8 vanPro het EVRM en artikel 10 vanPro de Grondwet. Ten slotte wijst eiser erop dat hijzelf niets met de explosie te maken heeft, maar dat hierdoor wel zijn huis is gesloten. Er is onvoldoende rekening mee gehouden dat op deze manier wordt gestimuleerd dat criminelen op deze manier slachtoffers uit hun huis kunnen verdrijven, aldus eiser.
17. De rechtbank is van oordeel dat het besluit tot sluiting van eisers woning voor de duur van drie weken noodzakelijk was en, gelet op alle relevante omstandigheden, voldoende evenwichtig. De explosie van de vuurwerkbom en de daarop volgende brand in het portiek, alsook de concrete aanknopingspunten voor een risico op herhaling zoals die volgen uit de bestuurlijke rapportage, maken dat de burgemeester een doorslaggevend belang heeft mogen hechten aan bescherming van de openbare orde, met name de risico’s voor eiser zelf, de omwonenden en eventuele toevallige passanten. Uit een verslag van de wijkregisseur van 14 mei 2024 blijkt ook dat sprake was van onrust bij de omwonenden naar aanleiding van de explosie, mede vanwege andere incidenten zoals de aangestoken brand in de auto van eiser. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat op het moment van de sluiting minder verstrekkende maatregelen niet afdoende waren om de openbare orde te herstellen en dat het voor een periode van drie weken nodig was om het politieonderzoek af te wachten. De burgemeester is ingegaan op de door eiser in beroep genoemde alternatieve maatregelen en waarom deze ten tijde van de sluiting niet geschikt waren om het doel te bereiken, en de rechtbank kan zich hierin vinden. Hierbij is aangegeven dat cameratoezicht weliswaar een bijdrage kan leveren aan de voorkoming van aantastingen van de openbare orde, maar dat dit middel ten tijde van de sluiting onvoldoende werd geacht om de openbare orde voldoende te beschermen.
18. De rechtbank is verder van oordeel dat, hoewel de sluiting voor eiser als ingrijpend moet worden aangemerkt, de burgemeester in de belangen van eiser bij het gebruik van zijn woning geen aanleiding heeft hoeven zien om van de sluiting af te zien. De omstandigheid dat de oorzaak van de sluiting niet aan eiser te wijten is, is een relevante omstandigheid in de belangenafweging die in het voordeel van eiser weegt, maar die omstandigheid is niet zonder meer doorslaggevend, nu er omstandigheden kunnen zijn die maken dat de bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan een (tijdelijke) sluiting van eisers woning. Dit is, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, in dit geval aan de orde. Verder acht de rechtbank in dit kader van belang dat eiser een alleenstaande volwassen man is en niet gebleken is van een bijzondere kwetsbaarheid of gebondenheid aan de woning. Verder volgt uit het dossier dat eiser tijdelijk onderdak elders heeft weten te krijgen en dat de burgemeester op het moment dat eiser op de zitting van de behandeling van de voorlopige voorziening aangaf dat hij toch onderdak nodig had, direct een hotel voor hem heeft geregeld. Ook voor zijn kat heeft eiser opvang gevonden. Daarnaast is niet gebleken dat sprake is dat het sluitingsbesluit gevolgen heeft gehad voor eisers huurovereenkomst. Alles overziend vindt de rechtbank dat voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid en evenwichtigheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?
19. Eiser stelt dat de burgemeester het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Bij andere explosies is de burgemeester namelijk niet direct overgegaan tot sluiting van het pand of de woning. Hierbij verwijst hij naar drie verschillende incidenten in de gemeente Hilversum en heeft hij nieuwsberichten hierover overgelegd.
20. Dit betoog slaagt niet. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan uitsluitend slagen als sprake is van gelijke gevallen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit het geval is. Hierbij is allereerst van belang dat gelet op het casuïstische karakter van de beoordeling van de rechtmatigheid van een woningsluiting niet snel sprake zal zijn van een volledig gelijke situatie. Het enkele feit dat sprake is van een explosie is in ieder geval onvoldoende om van een gelijk geval te spreken. De burgemeester is in het verweerschrift en ter zitting ingegaan op de door eiser genoemde incidenten en waarom deze niet vergelijkbaar zijn. De rechtbank volgt de burgemeester hierin en vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat toch van gelijke gevallen moet worden gesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond vanwege het hiervoor onder 13 geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt namelijk dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten en van deze bevoegdheid gebruik mocht maken, nu wordt voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Gelet hierop wordt het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen.
22. Omdat het beroep gegrond is, moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting (waarde per punt € 666,-, wegingsfactor 1), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting (waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 oktober 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.