ECLI:NL:RBMNE:2026:4463

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/5507
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4.4 Wet open overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek door gemeente Lelystad

Eiser diende op 18 maart 2026 een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder moest binnen vier weken beslissen, met een mogelijke eenmalige verlenging van twee weken, waardoor de uiterste beslistermijn op 30 april 2026 lag.

Eiser stelde verweerder op 7 mei 2026 in gebreke omdat er nog geen besluit was genomen. Na het verstrijken van de ingebrekestelling kon eiser beroep instellen bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond was omdat verweerder niet tijdig had beslist.

De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens werd een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 200,- vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door rechter G. Schnitzler op 18 juni 2026 en is in het openbaar uitgesproken. Partijen kunnen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift indienen als zij het niet eens zijn met de beslissing.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de gemeente Lelystad op binnen twee weken alsnog te beslissen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5507

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Lelystad,verweerder
.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser van 22 mei 2026, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1] Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep in kan stellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na deze twee weken nog steeds geen besluit heeft plaatsgevonden, kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft het verzoek ingediend op 18 maart 2026. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek van eiser en kan deze termijn eenmalig met twee weken verlengen. [3] De termijn start op de dag na de datum, waarop het bestuursorgaan het verzoek ontvangt. Dit betekent dat de beslistermijn van verweerder uiterlijk afliep op 30 april 2026. De termijn waarbinnen de minister moest beslissen is inmiddels verstreken. Eiser heeft verweerder op 7 mei 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn er twee weken voorbij gegaan. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het verzoek van eiser, bepaalt de rechtbank dat hij dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank acht deze termijn reëel, omdat verweerder in zijn verweerschrift van 4 juni 2026 heeft aangegeven binnen vier weken na de uitspraak een besluit op het verzoek te kunnen nemen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. [4] De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek van eiser bekend moet maken. Als verweerder dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • Verklaart het beroep gegrond;
  • Vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • Draagt de verweerder op om
  • Bepaalt dat de verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • Draagt de verweerder op het griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, onder sub b, en 6:12 van de Awb.
3.Zie hiervoor artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid (Woo).
4.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.