ECLI:NL:RBMNE:2026:4470

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/4589
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AwirArt. 3a AwirArt. 3c AwirArt. 5a AwrArt. 1.6 Wko
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens evident geen recht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van Dienst Toeslagen dat hij geen recht heeft op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 en 2016. Dienst Toeslagen had vastgesteld dat eiser in die jaren geen recht had op kinderopvangtoeslag, omdat zijn toeslagpartner pas sinds augustus 2016 rechtmatig verblijf had en in 2016 een bijstandsuitkering ontving zonder deelname aan een traject voor werk, studie of inburgering.

Eiser voerde aan dat hij geen toeslagpartner had omdat hij niet samenwoonde met zijn ex-partner, die in een Blijf-van-mijn-Lijf-huis verbleef, en dat Dienst Toeslagen onvoldoende onderzoek had gedaan. Ook stelde hij dat artikel 3c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) op zijn situatie van toepassing was. De rechtbank oordeelde echter dat Dienst Toeslagen terecht mevrouw als toeslagpartner had aangemerkt, omdat zij gehuwd waren en eiser dit niet met bewijs had weerlegd.

De rechtbank verwierp het beroep op artikel 3c Awir en ook het beroep op artikel 3a Awir, omdat geen verzoek tot uitzondering was ingediend. Verder stelde de rechtbank vast dat ondanks de vastgestelde vooringenomenheid van Dienst Toeslagen, er geen recht op compensatie bestaat als evident is dat er geen recht op kinderopvangtoeslag was. Dit was het geval in 2015 en 2016. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van Dienst Toeslagen om geen compensatie toe te kennen wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Bulgarije, eiser

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van Dienst Toeslagen dat hij geen recht heeft op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft zich aangemeld voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 en 2016. Dienst Toeslagen heeft op 30 april 2021 (de eerste toets) laten weten dat eiser in aanmerking komt voor een compensatiebedrag van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
4. Met het besluit van 30 juni 2022 (het primaire besluit) heeft Dienst Toeslagen de situatie opnieuw bekeken en besloten dat eiser voor de jaren 2015 en 2016 geen recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid. Eiser is daartegen in bezwaar gegaan. Met het besluit van 3 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. Eiser heeft vervolgens aanvullende beroepsgronden ingediend, waarop Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een nieuw verweerschrift dat het eerdere verweerschrift vervangt.
8. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
9. Dienst Toeslagen heeft in het kader van de integrale beoordeling overwogen dat zij in de toeslagjaren 2015 en 2016 vooringenomen heeft gehandeld, maar dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het toekennen van compensatie voor deze jaren. Voor de motivering verwijst Dienst Toeslagen naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (de BAC) en de beschouwing van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) van 18 december 2024. Hieruit volgt dat eiser in 2015 en 2016 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag, omdat eiser in deze jaren niet voldeed aan de voorwaarden die gelden voor het recht op kinderopvangtoeslag. In 2015 had eiser evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat de toeslagpartner van eiser pas sinds (augustus) 2016 rechtmatig verblijf heeft in Nederland. In 2016 had eiser evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat de toeslagpartner van eiser een bijstandsuitkering ontving, terwijl bij Dienst Toeslagen geen gegevens bekend zijn waaruit blijkt dat zij in die periode deelnam aan een traject voor werk, studie of een inburgeringscursus.
Het standpunt van eiser in beroep
10. Eiser stelt dat hij in de toeslagjaren 2015 en 2016 geen toeslagpartner had. Volgens hem houdt Dienst Toeslagen onvoldoende rekening met het feit dat hij in die periode niet samenwoonde met mevrouw [naam] (zijn ex-partner), die destijds verbleef in een Blijf-van-mijn-Lijf-huis. Daarnaast verkreeg mevrouw [naam] pas in 2016 een formele verblijfsstatus, en iemand zonder rechtmatig verblijf kan niet als toeslagpartner worden aangemerkt. Eiser wijst er bovendien op dat Dienst Toeslagen, ondanks signalen, heeft nagelaten hiernaar navraag te doen. Dat duidt volgens hem op vooringenomenheid. Daarbij komt dat UHT en de BAC erkennen dat Dienst Toeslagen in 2015 en 2016 vooringenomen heeft gehandeld.
11. Eiser heeft op de zitting een beroep gedaan op artikel 3c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Dit artikel regelt dat op verzoek van de belanghebbende uitzonderingen kunnen worden gemaakt op de hoofdregels van het toeslagpartnerschap. Volgens eiser is dit artikel naar analogie van toepassing op zijn situatie, omdat eiser en mevrouw [naam] niet hebben samengewoond in Nederland, en hij daarom in de situatie van een feitelijk alleenstaande verkeerde.
12. Verder heeft eiser op de zitting de beroepsgrond dat hij compensatie moet ontvangen vanwege hardheid van het stelsel laten vallen, zodat dit geen onderwerp meer van het geschil tussen partijen vormt. Ook heeft eiser het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de schending van het verdedigingsbeginsel laten vallen op de zitting.
Het oordeel van de rechtbank
13. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen geschil bestaat over de vraag of Dienst Toeslagen mevrouw [naam] in 2015 en 2016 terecht als toeslagpartner van eiser heeft aangemerkt, en of eiser recht heeft op compensatie vanwege de in die jaren vastgestelde vooringenomenheid.
Toeslagpartner
14. De rechtbank overweegt dat de wetgever bij de vormgeving van het wettelijke partnerbegrip ervoor heeft gekozen om op basis van objectiveerbare gegevens vast te stellen wie als toeslagpartner van een belastingplichtige moet worden aangemerkt en wie niet. Uit artikel 3, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) volgt dat een echtgenoot als toeslagpartner wordt aangemerkt.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen mevrouw [naam] terecht als de toeslagpartner van eiser aangemerkt. Eiser en mevrouw [naam] waren namelijk in de periode van 18 december 2013 tot en met 13 oktober 2017 getrouwd. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, geldt het uitgangspunt dat een echtgenoot als toeslagpartner wordt aangemerkt. Het standpunt van eiser dat hij in een situatie van een alleenstaande verkeerde, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser verklaart dit zelf, maar heeft dit standpunt niet met stukken of nadere informatie onderbouwd. Ook de enkele stelling van eiser op de zitting dat mevrouw [naam] na haar aankomst in Nederland nooit bij hem heeft gewoond, maar eerst in het COA verbleef, daarna bij vrienden en vervolgens in het Blijf-van-mijn-Lijf-huis, is onvoldoende om eiser in zijn standpunt te volgen.
16. Dat sprake is van een uitzonderingssituatie waarbij het toeslagpartnerschap wordt verbroken voor partners die zijn gehuwd zoals bedoeld in artikel 3c van de Awir, volgt de rechtbank ook niet. Voor zover eiser stelt dat sprake is van een situatie in de zin van artikel 3c, eerste lid, van de Awir, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 3c, eerste lid, van de Awir bevat twee uitzonderingen op het toeslagpartnerschap die op verzoek van de belanghebbende kunnen worden aangevraagd. Een dergelijk verzoek kan tot vijf jaar na het berekeningsjaar worden gedaan. [1] Eiser heeft niet onderbouwd dat een dergelijk verzoek is gedaan. Ook heeft de rechtbank geen aanwijzingen gevonden in het dossier die daarop wijzen. In zoverre volgt de rechtbank Dienst Toeslagen in haar op de zitting ingenomen standpunt dat belanghebbende destijds bezwaar had moeten maken, wat de rechtbank zo opvat dat eiser uiterlijk in bezwaar had moeten verzoeken om niet als toeslagpartner te worden aangemerkt. Voor zover eiser stelt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3c, tweede lid, van de Awir, overweegt de rechtbank dat daarin is geregeld dat het toeslagpartnerschap wordt verbroken voor gehuwde partners indien de belanghebbende in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd op grond van artikel 8, onderdeel c of d, van de Vreemdelingenwet 2000, en de partner van de belanghebbende niet is ingeschreven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP). Dat in het geval van eiser sprake is van een dergelijke (vlucht)situatie is niet gebleken. Het beroep op artikel 3c van de Awir slaagt dus niet.
17. De rechtbank merkt verder op dat eiser heeft verklaard dat mevrouw [naam] onder meer in het Blijf-van-mijn-Lijf-huis heeft verbleven. Artikel 3a van de Awir bepaalt dat iemand die in een noodopvang verblijft, gedurende dat verblijf kan verzoeken om niet als partner te worden aangemerkt. Gelet op de verklaring van eiser, vat de rechtbank zijn beroep op artikel 3c van de Awir ook op als een beroep op artikel 3a van de Awir. De rechtbank overweegt echter dat ook in dit verband niet is gebleken dat een dergelijk verzoek is ingediend, zodat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie die leidt tot het doorbreken van het toeslagpartnerschap tussen gehuwde partners.
Evident geen recht op kinderopvangtoeslag
18. De rechtbank is verder van oordeel dat Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat er geen recht bestaat op compensatie voor de toeslagjaren 2015 en 2016, ondanks het vooringenomen handelen. De rechtbank overweegt dat de compensatieregeling van toepassing is als voor een berekeningsperiode institutionele vooringenomenheid wordt vastgesteld, tenzij sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan de ouder is toe te rekenen. [2] Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in het onderzochte berekeningsjaar. In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat als de toeslagpartner geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Daarnaast bepaalt artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang (Wko) dat een ouder met een toeslagpartner slechts aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als voldaan is aan de (cumulatieve) voorwaarden dat die partner werkt, studeert, een uitkering ontvangt met een bijbehorend re-integratietraject of een verplichte inburgeringscursus volgt.
19. Zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, is mevrouw [naam] in de jaren 2015 en 2016 terecht als toeslagpartner van eiser aangemerkt. In 2015 had zij echter geen rechtmatig verblijf, wat door eiser niet is betwist. In 2016 had zij wel rechtmatig verblijf, maar voldeed zij niet aan de voorwaarden van artikel 1.6 van de Wko. Hoewel de gemachtigde van eiser tijdens de zitting heeft verklaard dat mevrouw [naam] een taalcursus en daarna een inburgeringscursus heeft gevolgd, leidt dit niet tot een ander oordeel. Deze stelling is namelijk op geen enkele manier onderbouwd. Gelet op rechtsoverweging 18 is er wettelijk gezien dan ook evident geen recht op kinderopvangtoeslag in beide toeslagjaren.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 21a Awir jo artikel 5a Uitvoeringsregeling Awir.
2.Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.