ECLI:NL:RBMNE:2026:4478

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
18 juli 2026
Zaaknummer
C/16/612061 / KL ZA 26-146
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 lid 1 AWRArt. 49 lid 1 AWRArt. 52a lid 4 AWRArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingdienst vordert informatieverstrekking over buitenlands vermogen en vastgoed

De Belastingdienst vordert in kort geding dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] binnen twee weken volledige en onvoorwaardelijke medewerking verlenen aan het verstrekken van informatie over hun vermogen en vastgoed in het buitenland vanaf 2013. De vordering is gebaseerd op de artikelen 47 lid 1 en 49 lid 1 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR).

De gedaagden voeren verweer dat zij aan hun informatieplicht hebben voldaan en niet meer informatie kunnen verstrekken dan zij bezitten. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, mede gelet op door de Belastingdienst ontvangen informatie uit registers in Dubai en andere bronnen, waaruit blijkt dat niet alle relevante gegevens zijn verstrekt, zoals over vastgoedbezit en huurinkomsten.

De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening en dat de vordering in kort geding toewijsbaar is. Tevens wordt bepaald dat de gedaagden ook eventuele vervolgvragen van de Belastingdienst moeten beantwoorden. Voor het niet nakomen van de veroordeling wordt een dwangsom van € 2.500 per dag tot een maximum van € 500.000 opgelegd.

De proceskosten worden aan de gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagden tot volledige en onvoorwaardelijke informatieverstrekking over hun buitenlandse vermogen en vastgoed met oplegging van een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/612061 / KL ZA 26-146
Vonnis in kort geding van 7 juli 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de Belastingdienst,
advocaat: mr. W.I. Wisma,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
verschenen in persoon,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 mei 2026 met producties (1-31),
- een verweerschrift van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met producties (A-G),
- de nadere producties van de Belastingdienst (32-34).
1.2
Op 23 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. [gedaagde sub 2] heeft zich laten bijstaan door [A] , fiscaal adviseur van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en tegen de niet verschenen [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 7 juli 2026 vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
De Belastingdienst vordert - samengevat - dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om binnen twee weken volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van informatie voor de jaren vanaf 2013. De Belastingdienst vraagt bijvoorbeeld een ingevulde ‘verklaring vermogen in het buitenland’, een overzicht van diverse onroerende goederen, een afschrift van alle buitenlandse bankrekeningen en een veroordeling om nadere (vervolg)vragen te beantwoorden. De Belastingdienst vordert daarbij ook om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een dwangsom op te leggen wanneer zij niet aan de veroordeling voldoen en hen te veroordelen in de proceskosten.
2.2
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer en stellen onder meer dat zij volledig aan hun actieve inlichtingenplicht hebben voldaan en dat de Belastingdienst in deze procedure informatie vraagt die zij niet bezitten en feitelijk en juridisch ook niet kunnen verkrijgen. De Belastingdienst krijgt grotendeels gelijk.

3.3 De beoordeling

De Belastingdienst heeft een spoedeisend belang
3.1
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
3.2
De Belastingdienst heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening. De Belastingdienst moet in dit geval binnen de in artikel 16 lid 4 Algemene Pro wet inzake Rijksbelastingen (AWR) genoemde termijn van 12 jaar een navorderingsaanslag vaststellen. Het standpunt van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat de Belastingdienst een zelfgecreëerde noodtoestand heeft veroorzaakt door het eigen stilzitten wordt niet gevolgd. Het klopt dat de Belastingdienst pas na vijf maanden op hun e-mail van 11 juni 2025 hebben gereageerd [1] , maar dat betekent niet dat de Belastingdienst in die periode niet aan het dossier gewerkt heeft. Bovendien hebben partijen zowel vóór als na het antwoord van de Belastingdienst van 12 november 2025 herhaaldelijk met elkaar gecorrespondeerd, zonder dat de door de Belastingdienst gevraagde informatie werd verstrekt.
Grondslag van de vordering
3.3
De vordering van de Belastingdienst is gebaseerd op de artikelen 47 lid 1 en 49 lid 1 AWR. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn op grond van artikel 47 lid 1 AWR Pro verplicht om aan de Belastingdienst alle informatie te verstrekken die mogelijk relevant is voor de belastingheffing. En op grond van artikel 49 lid 1 AWR Pro zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehouden deze informatie stellig, duidelijk en zonder voorbehoud te verstrekken. En volgens de Belastingdienst komen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze verplichtingen, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe, niet na.
Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan hun informatieplicht hebben voldaan is niet aannemelijk
3.4
Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zij voldaan aan de op hen rustende mededelingsplicht en hebben zij alles waar zij over kunnen beschikken aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld. Dat de Belastingdienst hen niet gelooft, betekent niet dat er juridisch gezien geen antwoord is gegeven. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen eenvoudigweg niet meer documenten te kunnen verstrekken dan datgene dat zij bezitten of redelijkerwijs in hun bezit hebben kunnen krijgen.
3.5
De voorzieningenrechter acht dit niet aannemelijk. Hieronder wordt dit toegelicht.
3.6
De Belastingdienst heeft in de dagvaarding en op de zitting enkele voorbeelden gegeven die wijzen op de onvolledigheid van de informatieverstrekking door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De Belastingdienst stelt dat men zich daarbij baseert op onder meer de door de Belastingdienst uit het kadaster en andere registers te Dubai ontvangen informatie en dat recentelijk nog nieuwe informatie is ontvangen.
3.7
Een van de voorbeelden voor het niet voldoen aan de informatieplicht is dat uit de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedane aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 en 2023 niet blijkt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (in ieder geval) vanaf 2017 beschikten dan wel hebben beschikt over vastgoed in het buitenland. Ook is geen inzicht gegeven over inkomen en/of vermogen waarmee [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de aankoop van het vastgoed hebben kunnen financieren. Dit geldt zowel voor het vastgoed in Dubai als het gestelde vastgoed in Nederland. [2] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zich over de gestelde handel in diverse panden in Nederland niet uitgelaten, terwijl over het gestelde vastgoed in Dubai slechts is herhaald dat deze gegevens niet kloppen.
3.8
De Belastingdienst heeft op de zitting verder gemotiveerd gesteld dat recent informatie is ontvangen waaruit blijkt dat er in ieder geval voor een jaarbedrag van 100.000 VAE-dirham (omgerekend ongeveer € 2.000,-- per maand) huurinkomsten zijn genoten van vastgoed in Dubai, terwijl dit niet is opgegeven. [3] Ook hier geldt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de juistheid van gegevens waarop de Belastingdienst zich beroept betwisten. In reactie daarop heeft de Belastingdienst op de zitting aangegeven geen enkele reden te hebben om aan te nemen dat de door haar ontvangen gegevens niet juist zouden zijn. Ten eerste omdat de ontvangen informatie tot nu toe steeds juist bleek te zijn en zij inmiddels ook over meer informatie beschikt.
3.9
Een ander voorbeeld is het aanvraagformulier voor een spaarplan van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gesteld dat zij bij herhaling hebben aangegeven dat het ging om niet meer dan een administratieve koppelverkoop/intakeformulieren voor non-residents van Dubai, maar dat dit nooit van de grond is gekomen. [4] Dit is op de zitting door de Belastingdienst gemotiveerd betwist, onder meer stellende dat de Belastingdienst, naast de aanvraagformulieren, nu ook beschikt over de daadwerkelijke polis en het bewijs dat er inmiddels € 70.000,00 is uitbetaald en dat dit niet door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is opgegeven. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn hier op de mondelinge behandeling niet op ingegaan.
3.1
De Belastingdienst kan op basis van de documentatie die de Belastingdienst van derden heeft ontvangen en de (mondjesmaat) ontvangen inlichtingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , dan ook in redelijkheid het standpunt innemen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog geen volledige openheid van zaken hebben gegeven.
3.11
Het beeld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen volledige openheid van informatie geven wordt versterkt doordat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij herhaling aan de Belastingdienst verzoeken om eerst alle achterliggende informatie die de Belastingdienst over hen heeft, aan hen te verstrekken en dat zij dan zullen antwoorden. Gesteld wordt, ook op de zitting, dat zij dit willen zodat zij dan juist, goed en volledig antwoord kunnen geven op de vragen van de Belastingdienst. Maar volgens de Belastingdienst is dit uitsluitend om te voorkomen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] informatie verstrekken waarvan de Belastingdienst zelf nog niet op de hoogte is. Dat hier inderdaad sprake is van dergelijk calculerend gedrag van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is niet onaannemelijk. Zo is dat bijvoorbeeld gegaan met de opgave van de buitenlandse bankrekeningen. Eerst werden deze niet opgegeven, dan slechts gedeeltelijk en vervolgens is er, nadat de Belastingdienst bekend gemaakt heeft welke rekeningnummers inmiddels bij hem bekend waren, een grotere lijst met rekeningnummers van Buitenslandse banken verstrekt. [5]
De Belastingdienst heeft niet erkend dat er geen bewijs tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is
3.12
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat tijdens de op 5 juni 2026 gehouden hoorzitting van de behandeling van de administratieve bezwaarprocedure tegen de door de Belastingdienst uitgevaardigde informatiebeschikkingen, een medewerkster van de Belastingdienst heeft erkend dat er geen op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betrekking hebbende stukken zijn waaruit blijkt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aantoonbare onjuiste informatie hebben verstrekt. Daarbij beroepen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich op het van de hoorzitting opgesteld proces-verbaal.
3.13
De Belastingdienst ontkent dat een medewerkster van de Belastingdienst een dergelijke opmerking heeft gemaakt en stelt dat dit ook niet blijkt uit het proces-verbaal van de hoorzitting.
3.14
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hun standpunt over de door een medewerkster van de Belastingdienst gedane opmerking onderbouwd met hun productie G. Maar dit is geen proces-verbaal van de zitting. Dit is een reactie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op het aan hen verstrekte proces-verbaal van de hoorzitting. In de acht pagina’s tellende reactie doen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vele voorstellen tot aanvulling en wijziging van het proces-verbaal. Hieronder valt ook de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gestelde opmerking van de medewerkster van de Belastingdienst. Maar informatie waaruit kan blijken dat het proces-verbaal op dit punt daadwerkelijk is aangevuld ontbreekt. Op de zitting van dit kort geding zijn daarover vragen gesteld, maar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben volstaan met een herhaling van de mededeling dat dit uit het van de hoorzitting opgemaakt proces-verbaal blijkt. Omdat het proces-verbaal ontbreekt en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kennelijk verwijzen naar hun eigen voorstellen tot aanvulling, kan niet worden aangenomen dat de Belastingdienst gezegd zou hebben geen informatie te hebben die belastend is voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
Geen reden om aan te nemen dat de van derden door de Belastingdienst ontvangen informatie over [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onbetrouwbaar is en niet mag worden gebruikt
3.15
De Belastingdienst heeft relevantie financiële informatie over [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ontvangen, onder meer in het kader van de zogenoemde Dubai Leaks. Volgens de Belastingdienst vindt de in deze stukken voorkomende informatie over [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook steun in diverse andere stukken waarover zij beschikt. Feit is dat op grond van de bij de Belastingdienst aanwezige stukken [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoodzaakt waren meer informatie te verstrekken dan zij aanvankelijk hadden gedaan. In zoverre is dus kennelijk sprake van juiste informatie. Het gaat in deze procedure te ver om de stukken waarop de Belastingdienst zich beroept buiten toepassing te verklaren omdat eerst nader onderzoek op betrouwbaarheid en authenticiteit moet plaatsvinden.
Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de onmogelijkheid verkeren om informatie te verstrekken is niet aannemelijk
3.16
Op grond van al het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het voorshands niet aannemelijk dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen nadere informatie kunnen verstrekken over de door de Belastingdienst in de dagvaarding onder I (a) tot en met (p) genoemde onderwerpen. Dit betreft dus ook de gevraagde informatie uit Dubai. Zo staat bijvoorbeeld in het antwoord van 8 februari 2026 van de klantendienst van de Emirates NBD-bank dat de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevraagde informatie niet wordt verstrekt via de e-mail. [6] Vervolgens wordt aangegeven op welke wijze de informatie moet worden opgevraagd. Dit hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet gedaan. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat hun fiscaal adviseur wel naar Dubai is gevlogen om informatie bij de bank op te vragen, maar dat dit niet gelukt is. De Belastingdienst heeft gevraagd wat er in dat kader precies is ondernomen en of kan worden aangetoond dat men echt naar Dubai is geweest om informatie te krijgen, maar daar wordt door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , ook op de zitting, niet (voldoende) op ingegaan. Op de zitting van dit kort geding wordt wel aangegeven dat de fiscaal adviseur van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bereid is om in Dubai nog een “ultieme poging” te ondernemen om toch de door de Belastingdienst gewenste financiële informatie te verkrijgen, maar op welke wijze dit dan zal worden gedaan wordt niet toegelicht.
De lopende administratieve bezwaarprocedure tegen de uitgevaardigde informatiebeschikking verzet zich ook niet tegen toewijzing in kort geding
3.17
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat de Belastingdienst prematuur handelt met het aanhangig maken van dit kort geding en dat sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van hun fiscaalrechtelijke rechtsbescherming, nu er ook een administratieve bezwaarprocedure tegen de door de Belastingdienst uitgevaardigde informatiebeschikkingen loopt.
3.18
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 52a lid 4 AWR de mogelijkheid om in een civielrechtelijk kort geding informatie van een belastingplichtige af te dwingen en daaraan een dwangsom te laten verbinden. In artikel 52a AWR is aan de Belastingdienst tevens de bevoegdheid gegeven om een fiscaalrechtelijke informatiebeschikking jegens de belastingplichtige uit te vaardigen. Uit de eerste zin van het vierde lid van artikel 52a AWR volgt dat de mogelijkheid van het geven van een informatiebeschikking niet in de weg staat aan het entameren van een kort geding. Dit is ook vaste rechtspraak. [7] Met het aanspannen van dit kort geding door de Belastingdienst is er, anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen, dan ook geen sprake van een onaanvaardbare doorkruising van hun fiscaalrechtelijke rechtsbescherming, noch van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het betreffende verweer, waarbij op die gronden ook een beroep op misbruik van procesrecht is gedaan, faalt.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten ook vervolgvragen beantwoorden
3.19
Nadat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op grond van dit kort geding informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat er bij de Belastingdienst (vervolg)vragen rijzen. Anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen strekt de informatieplicht ex artikel 47 lid 1 AWR Pro zich in beginsel ook uit tot de door de Belastingdienst gewenste nadere informatie, nadat een belastingplichtige een vragenbrief reeds heeft beantwoord. De op dit punt in de dagvaarding onder II genoemde vordering zal in na te melden zin worden toegewezen.
Conclusie
3.2
De op artikel 47 eerste Pro lid AWR gebaseerde vordering tot het verstrekken van informatie is in na te melden zin toewijsbaar, waarbij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook zullen worden veroordeeld tot het beantwoorden van mogelijke vervolgvragen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen ook worden veroordeeld deze informatie stellig, duidelijk en zonder voorbehoud te verstrekken.
3.21
Wilsafhankelijk materiaal dat door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ingevolge het te geven bevel is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden. [8]
Dwangsommen
3.22
De Belastingdienst heeft gevorderd om aan de jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uit te spreken bevelen tot informatieverstrekking dwangsommen te verbinden voor het geval niet aan deze bevelen wordt voldaan. De dwangsommen moeten als prikkel dienen om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te bewegen tot nakoming van hun informatieverplichting als belastingplichtige. Van de oplegging van dwangsommen dient een reële prikkel uit te gaan. Een te sterke matiging of maximering van op te leggen dwangsommen werkt calculerend gedrag in de hand en kan leiden om niet aan de hoofdveroordeling te voldoen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot € 2.500,00 per dag en het maximumbedrag zal worden gesteld op € 500.000,00.
3.23
Indien partijen van mening verschillen of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de bevelen hebben voldaan (en dus wel of geen dwangsommen hebben verbeurd), dient die kwestie in een eventueel executiegeschil aan de orde te komen. In een dergelijke procedure rusten op de Belastingdienst de stelplicht en bewijslast ter zake, hetgeen betekent dat de Belastingdienst in geval van betwisting zal moeten bewijzen - in de zin van aannemelijk maken - dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daadwerkelijk de van hen verlangde, maar niet afgestane, gegevens en bescheiden kon verschaffen. [9]
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
3.24
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Belastingdienst worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
154,09
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.255,09
3.25
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen twee weken, na betekening van dit vonnis, op grond van artikel 47 lid 1 AWR Pro volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking van de navolgende informatie voor de jaren 2013 tot en met heden:
een ingevulde “verklaring vermogen in het buitenland”;
een overzicht van alle onroerende zaken die zij in Dubai hebben gekocht, inclusief documenten die aan de aankoop ten grondslag liggen en een verklaring van het vermogen waarmee het onroerend goed is gekocht;
een overzicht van het onroerend goed dat op zij op dit moment in bezit hebben en in het verleden in hun bezit hebben gehad in het buitenland, waarbij wordt aangeven wat de aan- en verkoopdatum van het onroerend goed is en wat de waarde van het onroerend goed is geweest, tezamen met de onderliggende stukken;
alle documentatie die betrekking heeft op de verhuur van onroerende goederen in het buitenland, inclusief documenten die aan die verhuur ten grondslag liggen en een overzicht van alle huurinkomsten;
en verklaring over het buitenlandse onroerende goed van de inmiddels overleden moeder van de heer [gedaagde sub 1] , mevrouw [B] . De verklaring dient in te gaan op de levering ervan, de wijze van financieren en, in het geval het onroerend goed niet is geleverd, wat met het aankoopbedrag is gebeurd en hoeveel zij daarvan hebben geërfd;
een overzicht van alle buitenlandse bankrekeningen die zij hebben aangehouden;
afschriften van alle binnenlandse bankrekeningen (zakelijk en privé) die zij hebben (gehad), alleen indien en voor zover deze nog niet zijn aangeleverd;
alle documentatie die zij hebben aangeleverd bij financiële instellingen in het kader van het openen (en eventueel sluiten) van (creditcard)rekeningen
een verklaring van de herkomst van het vermogen op buitenlandse bankrekeningen en creditcards;
indien zij niet langer in het bezit zijn van vermogen in Dubai: een verklaring van wat zij hebben gedaan met het in het verleden aanwezige vermogen en waar dat vermogen zich nu bevindt;
een verklaring over de relatie die zij hebben met de onderneming [bedrijf 1] , tezamen met onderliggende documentatie. Daaronder ook begrepen welke inkomsten zij hebben ontvangen van deze onderneming;
een verklaring over de relatie die zij hebben met de onderneming [bedrijf 2] , tezamen met onderliggende documentatie. Daaronder ook begrepen welke inkomsten zij hebben ontvangen van deze onderneming;
een verklaring bij welke andere ondernemingen (rechtspersonen en niet-rechtspersonen) zij een belang hadden of hebben en/of werkzaamheden (in de breedste zin van het woord) voor hebben verricht.
een overzicht van alle afgesloten kapitaal- en levensverzekeringen, inclusief onderliggende documentatie;
indien verzekeringen zijn stopgezet: het verstrekken van relevante documentatie daaromtrent en een verklaring op welke rekening de uitbetaling heeft plaatsgevonden;
alle beschikbare documenten over de beweerdelijke Joint Venture, zoals oprichtingsdocumenten, jaarrekeningen en (financiële) administratie, alsmede de gevoerde correspondentie.
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om een antwoord te geven op eventuele vervolgvragen van de Belastingdienst over de onderwerpen genoemd onder 4.1, op de door de inspecteur aangegeven wijze en binnen de door de inspecteur nader te bepalen termijn;
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat zij, overeenkomstig artikel 49 AWR Pro, de onder 4.1 en 4.2 bedoelde inlichtingen en/of verklaringen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verstrekken,
4.4
bepaalt dat, voor zover de bevelen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing,
4.5
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om aan de Belastingdienst een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen voldoen, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt,
4.6
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 2.255,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
4428

Voetnoten

1.Zie productie 15 en 16 van de Belastingdienst
2.Zie randnummers 2.5-2.10 voor de genoemde voorbeelden van vastgoed in Nederland.
3.Zie de aanvullende productie 32 en de pleitnotitie onder randnummer 2.3.
4.Zie 5.4. van het schriftelijk verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
5.Zie ook randnummer 2.26 van de dagvaarding.
6.Zie productie 27.
7.vgl. Hoge Raad, 25 oktober 2013, ECLI: 2013:1042, gerechtshof Den Haag, 24 april 2012, LJN: BW4595 en gerechtshof Den Bosch, 31 januari 2012, LJN: BV2696).
8.Zie
9.zie