ECLI:NL:RBMNE:2026:4480

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
18 juli 2026
Zaaknummer
12226940 \ ME VERZ 26-60 BW 31650
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 BWArt. 7:671 BWArt. 7:685 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie met beëindigingsvergoeding

In deze zaak heeft de kantonrechter Midden-Nederland op 7 juli 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] B.V. en [verweerster]. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een duurzaam en onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie, waarbij herplaatsing niet mogelijk is.

Beide partijen erkennen dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat voortzetting niet redelijk is. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond bestaat voor ontbinding en dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet aan [verweerster] te wijten is. De ontbinding gaat in per 1 september 2026, rekening houdend met een minimale opzegtermijn van een maand.

Partijen zijn het eens over een beëindigingsvergoeding van €10.000 bruto, die door [verzoekster] aan [verweerster] moet worden betaald. De proceskosten worden ieder door de eigen partij gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 september 2026 met een beëindigingsvergoeding van €10.000 bruto.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12226940 \ ME VERZ 26-60 BW 31650
Beschikking van 7 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V.,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. E.W. Kingma,
tegen
[verweerster],
te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 42 producties (ingekomen op 13 mei 2026),
- het verweerschrift met 54 producties,
- het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] ,
- de aanvullende producties 43-48 van [verzoekster] ,
- de aanvullende productie 55 van [verweerster] ,
- het bezwaar van [verweerster] tegen de aanvullende producties van [verzoekster] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.3
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1
Aan het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden legt [verzoekster] ten grondslag dat de arbeidsverhouding duurzaam en onherstelbaar is verstoord en dat herplaatsing van [verweerster] niet meer mogelijk is.
2.2
[verweerster] erkent dat de arbeidsverhouding inmiddels zodanig is verstoord dat van [verzoekster] in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook [verweerster] ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.
2.3
De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen bestaat een redelijke grond voor ontbinding, namelijk een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [verweerster] . Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet aan [verweerster] te wijten.
2.4
De kantonrechter heeft zich er van vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.
2.5
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 september 2026. Daarbij is rekening gehouden met een minimale opzegtermijn van een maand.
2.6
Partijen zijn het er ook over eens dat [verweerster] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 10.000,00 bruto. [verzoekster] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
2.7
Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2026,
3.2
veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster] een beëindigingsvergoeding te betalen van € 10.000,00 bruto,
3.3
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
3.4
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.