ECLI:NL:RBMNE:2026:4494

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
11976174 \ LC EXPL 25-2473
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:750 BWArt. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:87 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over benoeming deskundige bij gebrekkige levering en montage kozijnen

Eiser heeft een overeenkomst gesloten met gedaagde voor levering en montage van acht kozijnen, een voordeur en een schuifpui tegen €39.400. Eiser stelt dat de werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd en vordert vervangende schadevergoeding van €63.420 en onderzoekskosten. Gedaagde erkent fouten maar betwist de hoogte van de schadevergoeding en stelt dat herstel niet mogelijk was omdat haar daartoe geen gelegenheid is geboden.

De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst als een gemengde aanneming van werk en consumentenkoop en stelt vast dat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming. Het deskundigenrapport toont diverse gebreken aan, waaronder scheefstaande kozijnen, niet-verwijderde oude ankers, koudebruggen en onjuiste plaatsing van glas en beplating. Gedaagde erkent de gebreken maar stelt niet in verzuim te zijn omdat herstel niet mogelijk was.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde wel degelijk in verzuim is gesteld door eiser via ingebrekestellingen en dat gedaagde onvoldoende heeft gereageerd op herstelverzoeken. De omzetting van nakoming naar vervangende schadevergoeding is gegrond verklaard, maar de gevorderde schadevergoeding wordt voorlopig niet toegewezen vanwege onduidelijkheid over specificatie en marktconformiteit.

De kantonrechter besluit een deskundige te benoemen om de omvang en kosten van herstel te bepalen en stelt partijen in de gelegenheid zich hierover uit te laten. Het voorschot op de kosten van de deskundige wordt door eiser betaald. De zaak wordt aangehouden tot nadere beslissing na het deskundigenbericht.

Uitkomst: De kantonrechter wijst een deskundige aan om de vervangende schadevergoeding vast te stellen en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11976174 \ LC EXPL 25-2473
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F.A.J.H. de Lugt,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorhoudend] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 november 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de dagvaarding van 13 december 2025 met producties 1 tot en met 13;
- de (mondelinge) conclusie van antwoord met vier bijlagen;
- de brief van 23 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling op 15 juni 2026 is bepaald;
- de akte van 3 juni 2026 van [eiser] met producties 14 en 15.
1.2
De zaak is op 15 juni 2026 bij de kantonrechter besproken. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn partner mevrouw [A] en bijgestaan door mr. De Lugt. Namens [gedaagde] is de heer [gemachtigde] – strategisch adviseur – verschenen. De gemachtigde van [eiser] heeft spreekaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3
De kantonrechter heeft besloten dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan. Dit is geen einduitspraak, maar een tussenuitspraak.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft in het kader van onderhoud, verbetering en verduurzaming van zijn woning het plan opgevat om de (deur)kozijnen van zijn woning te laten vervangen. Via internet is [eiser] in contact gekomen met [gedaagde] . Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat [gedaagde] , tegen betaling van € 39.400,00 (inclusief btw), acht nieuwe kozijnen, een voordeur en een schuifpui zou leveren en monteren. Volgens [eiser] zijn de werkzaamheden door [gedaagde] niet goed uitgevoerd. [eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen de gelegenheid geboden om tot herstel over te gegaan. [gedaagde] is niet tot herstel overgegaan. [eiser] heeft [gedaagde] hierop laten weten niet langer nakoming van de overeenkomst te willen, maar € 63.420,00 aan vervangende schadevergoeding en € 1.318,90 aan gemaakte onderzoekskosten, met rente en kosten, te willen. [gedaagde] erkent dat er fouten zijn gemaakt, maar zij heeft nooit de kans gehad om tot herstel over te gaan. Ook betwist zij de hoogte van de vervangende schadevergoeding.
2.2
De kantonrechter kan op basis van wat partijen naar voren heeft gebracht en de stukken die in het geding zijn gebracht nog geen eindvonnis wijzen. De kantonrechter is voornemens een deskundige te benoemen om de hoogte van de vervangende schadevergoeding vast te stellen.

3.De beoordeling

Kwalificatie overeenkomst
3.1
De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst tussen partijen een gemengde overeenkomst van aanneming van werk [1] en consumentenkoop [2] is. Bij samenloop van aanneming van werk en consumentenkoop volgt uit artikel 7:5 lid 4 BW Pro dat bij levering van roerende zaken de regels van consumentenkoop prevaleren boven de regels van aanneming van werk, ingeval de regels met elkaar strijdig zijn.
De overeenkomst tussen partijen
3.2
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] acht nieuwe kozijnen, een voordeur en een schuifpui zou leveren en monteren. In de prijs was ook inbegrepen de binnen- en buitenafwerking, afvoer oude materialen en levering van HR++ glas en 10 jaar garantie.
3.3
De aanneemsom voor de overeengekomen werkzaamheden was € 39.400,00. [eiser] moest bij aanvang van de werkzaamheden 50% van de aanneemsom aan [gedaagde] betalen.
3.4
[eiser] heeft in totaal € 35.900,00 aan [gedaagde] betaald. Een bedrag van € 3.500,00 is onbetaald gebleven.
Het beroep op artikel 6:87 BW Pro (de verplichting tot nagekomen is omgezet in vervangende schadevergoeding)
3.5
[eiser] baseert zijn vordering op artikel 6:87 BW Pro. Uit dit artikel volgt dat voor zover nakoming van een verbintenis niet al blijvend onmogelijk is, de verbintenis kan worden omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding als de schuldenaar – [gedaagde] – in verzuim is en de schuldeiser – [eiser] – schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Geen omzetting vindt plaats, die door de tekortkoming, gezien haar ondergeschikte betekenis, niet wordt gerechtvaardigd. De kantonrechter is van oordeel dat er voldaan is aan de vereisten van dit artikel en hij overweegt daartoe als volgt.

De tekortkoming van [gedaagde]
3.6
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen en wel om het volgende.
3.7
[eiser] heeft gemotiveerd gesteld dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] verwezen naar het bouwkundig rapport van [deskundige] (hierna: het deskundigenrapport, zie productie 8 van [eiser] ). [deskundige] heeft vastgesteld dat [gedaagde] het uit gevoerde werk ten aanzien van de (raam)kozijnen (inclusief glaswerk), entree kozijn en de beplating niet goed en deugdelijk heeft uitgevoerd. [deskundige] heeft in haar rapport daarover het volgende vermeld:

Algemeen(zie pagina 6)
(…)
Er is hier geen gebruik gemaakt van stelkozijnen en dien ten gevolge een verkeer kozijn profiel gebruikt.
Algemeen(zie pagina 7)
Wettelijke aansprakelijkheid en letselveilig glas
(…)
Er is in totaal niet voldaan de normen voor letselbeperkingen gesteld in voorgaande
Algemeen(zie pagina 8)
Alle kozijnen staan niet goed gesteld, waterpasmeting en lasermeting geven allen een afwijking. Met als gevolg dat niet één raam open blijft staan. Het ene raam valt dicht en het andere raam valt open.
Algemeen(zie pagina 9)
Bij alle kozijnen voor zover zichtbaar de oude kozijn ankers niet verwijderd maar oom gebogen. Oude ankers zijn gevoelig voor vocht en zullen schade aan het metselwerk toe brengen.
Algemeen(zie pagina 10)
Het resultaat van het niet deugdelijk plaatsen van de kozijn zijn zeer veel koudebruggen. Warmtebeelden laten overduidelijk koudespoten zien.
Entree kozijn: (zie pagina 11)
Entree pui vaagt een aparte benadering. Pui staat danig scheef en er is danig aan de deur gerommeld dat de verstekken van de glasplaten de deur openstaan. Rubbers sluiten niet meer glas zit er dien ten gevolge scheef in en is dus niet zoals het hoor op geblokt. Mede hierdoor is de voordeur niet wind en waterdicht.
Glas is besteld had gelijk aan de buren moeten zijn (melkglas) maar is totaal anders.’
Entree kozijn:(zie pagina 12)
Warmte beelden dan de entree pui laten koude bruggen zien blauw is koud rood is warm.
HPL beplating (Trespa):(zie pagina 13)
De voor en achterpui zijn afgewerkt met een HPL beplating (Trespa). Dit product is niet geventileerd aan gebracht. HPL moet thermisch kunnen werken, vocht in de achterliggende constructie moet kunnen uitdampen. Dien ten gevolge moet HPL geventileerd aangebracht worden om schade en vochtproblemen te voorkomen.
Enkele schroeven steken uit er zijn misboringen.
Conclusies en beantwoording vragen(zie pagina 14)
De kozijnen zijn zonder stelkozijnen geplaatst, waardoor ze niet waterpas zijn en niet voldoen aan de thermische normen. Daarnaast voldoet het glaswerk niet aan de geldende veiligheidseisen. Een mogelijke oplossing is het demonteren van de kozijnen en het plaatsen van stelkozijnen. Echter, niet alle kozijnen zijn correct ingemeten. Bovendien moeten de ruiten worden vervangen door veiligheidsglas, wat het gewicht verdubbelt. Dit roept de vraag op of het huidige profiel geschikt is of dat een versterkt profiel noodzakelijk is.
Daarnaast zorgt de onjuiste plaatsing voor een rommelig aanzicht aan de buitenzijde. Gezien deze gebreken is het raadzaam om de kozijnen volledig opnieuw in te meten en correct te plaatsen.
Gezien de omvang van de problemen lijkt een volledige herziening van het kozijnwerk de meest verstandige oplossing om zowel functionele als visuele gebreken te verhelpen.
(…)’
3.8
[deskundige] heeft in het deskundigenrapport per gebrek toegelicht (met foto’s) wat haar bevindingen zijn. Deze toelichting van [deskundige] is naar het oordeel van de kantonrechter consistent en voldoende onderbouwd.
3.9
[gedaagde] heeft de door [deskundige] vastgestelde gebreken erkend. Immers, [gedaagde] heeft aangegeven dat de punten uit het deskundigenrapport eerder door [bedrijf] – de fabrikant van de kozijnen – al waren geconstateerd en gedocumenteerd. Dat het deskundigenrapport van [deskundige] onvolledig en niet objectief zou zijn, omdat [gedaagde] meent dat zij of [bedrijf] geen herstelmogelijkheid heeft gehad, volgt de kantonrechter niet. Dit deel van het verweer ziet eerder op het al dan niet in verzuim zijn van [gedaagde] , waarover later meer (zie r.o. 3.11 en volgende).
3.1
Het voorgaande leidt ertoe dat de vastgestelde gebreken uit het deskundigenrapport, vaststaan zodat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Gelet op de omvang en de aard van de gebreken, zijn deze niet van ondergeschikte betekenis.

Het verzuim van [gedaagde]
3.11
Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW Pro treedt verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Ook kan het verzuim op grond van artikel 6:83 BW Pro intreden zonder ingebrekestelling.
3.12
[gedaagde] stelt dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om alles netjes op te lossen bij [eiser] . Er was op 11 januari 2025 een afspraak gemaakt om bij [eiser] langs te komen en eventueel herstelwerkzaamheden uit te voeren, maar [eiser] heeft die afspraak afgezegd. Ook [bedrijf] , die op verzoek van [gedaagde] bij [eiser] was gekomen om te herstellen, werd de toegang ontzegd. Hierdoor heeft zij de herstelwerkzaamheden niet uit kunnen voeren, terwijl zij daartoe wel bereid was. De kantonrechter begrijpt dit verweer van [gedaagde] zo dat zij meent niet in verzuim te zijn. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wél in verzuim is en wel om het volgende.
3.13
Vaststaat dat [gedaagde] op 2 december 2024 is aangevangen met de werkzaamheden. Op 23 december 2024 heeft [gedaagde] aangegeven dat de werkzaamheden waren afgerond. Echter, de werkzaamheden bleken niet goed te zijn uitgevoerd. Hierop heeft [eiser] op 24 december 2024 [gedaagde] per e-mail een ingebrekestelling gezonden (zie productie 6 van [eiser] ). [eiser] heeft toen [gedaagde] gemeld dat de (montage)werkzaamheden ten aanzien van het kozijn van de voordeur, de voordeur, het sandwichpaneel, de beplating (Trespa), het geleverde melkglas, het voorraam van de woonkamer en de schuifpui ondeugdelijk waren uitgevoerd. Ook bleek dat zonder overleg werd afgeweken van de overeengekomen / gewenste kleurstelling van onder de kozijnen en het glas. [eiser] heeft [gedaagde] tot 1 februari 2025 de mogelijkheid gegeven om de geconstateerde gebreken kosteloos te herstellen. Naar aanleiding van die ingebrekestelling van 24 december 2024 is een afspraak gemaakt dat [gedaagde] op 11 januari 2025 een bezoek aan de woning zou brengen. Dat die afspraak door [eiser] zou zijn afgezegd is de kantonrechter niet gebleken en is bovendien door [eiser] gemotiveerd betwist. [eiser] heeft op de zitting daarover gesteld – en is door [gedaagde] niet meer betwist – dat er twee medewerkers van [gedaagde] langs zouden komen. Uiteindelijk is alleen één medewerker verschenen. Deze gaf aan dat [bedrijf] gevraagd zou worden om te komen beoordelen wat er gedaan moest worden. Dat de weigering van herstel door [bedrijf] ongegrond zou zijn, is de kantonrechter eveneens niet gebleken. [eiser] heeft op zitting daarover gemotiveerd gesteld – en is door [gedaagde] niet betwist – dat de afspraak met [gedaagde] was dat [bedrijf] alleen zou kijken wat er gedaan moest worden. Er was geen afspraak gemaakt over het gelijk herstellen door [bedrijf] . Omdat herstel door [bedrijf] geen onderdeel van de gemaakte afspraak met [gedaagde] was, heeft [eiser] daarom [bedrijf] niet toegestaan om tot herstel over te gaan. Na het bezoek van [bedrijf] op 23 januari 2025 heeft [eiser] niets meer van [gedaagde] vernomen. Hierop is namens [eiser] op 17 februari 2025 opnieuw een ingebrekestelling naar [gedaagde] gezonden en is gelijktijdig een deskundigenonderzoek aangekondigd (productie 7 van [eiser] ). [gedaagde] is wel nog in de gelegenheid gesteld om, ondanks het aangekondigde deskundigenonderzoek, binnen tien dagen te laten weten op welke wijze [gedaagde] dacht de kwestie zelf op te lossen. Daar heeft [gedaagde] ook niet op gereageerd. [gedaagde] was ook niet aanwezig bij het deskundigenonderzoek op 11 maart 2025, terwijl [gedaagde] daarvoor wel was uitgenodigd.
3.14
Op 2 april 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] opnieuw een ingebrekestelling gezonden, waarbij ook het deskundigenrapport was meegezonden (zie productie 9 van [gedaagde] ). [gedaagde] kreeg nog éénmaal de kans om de in het deskundigenrapport genoemde gebreken en schades te onderzoeken en conform het rapport te herstellen. [gedaagde] moest uiterlijk 11 april 2025 de gemachtigde van [eiser] berichten hoe [gedaagde] dacht dan wel hoe [gedaagde] [eiser] schadeloos wenste te stellen. Mocht de gemachtigde van [eiser] geen dan wel een afwijzende reactie van [gedaagde] ontvangen, dan zou er een gerechtelijke procedure gestart worden. In dat geval zal er geen herstel meer worden gevorderd van [gedaagde] , maar vervangende schadevergoeding. [gedaagde] heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd. Pas op 25 april 2025 heeft [gedaagde] gereageerd, maar dat was te laat.
3.15
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] [gedaagde] voldoende kansen heeft gegeven om tot herstel van de gebreken over te gaan. [gedaagde] heeft deze kansen niet, althans onvoldoende benut. [gedaagde] is niet binnen de gestelde termijn(en) tot herstel overgegaan, waardoor [gedaagde] in ieder geval per 12 april 2025 in verzuim is komen te verkeren.
3.16
Namens [gedaagde] is verzocht om de gebreken alsnog te mogen verhelpen omdat de heer Hulshof pas in het voorjaar 2025 de interne opdracht gekregen heeft van [gedaagde] om onderhavig geschil op te lossen. De kantonrechter gaat daaraan voorbij. Op het moment van het in beeld komen van de heer Hulshof, was [gedaagde] al in verzuim. Feitelijk is de goede intentie van de heer Hulshof dus te laat gekomen.

De omzettingsverklaring
3.17
[eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op artikel 6:87 BW Pro. Aan de vereisten van 6:87 BW is voldaan: er zijn gebreken, [gedaagde] is in verzuim en bij e-mail en per aangetekende brief van 27 mei 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] de vordering tot nakoming omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding (zie productie 10 van [eiser] ).

De hoogte van de vervangende schadevergoeding
3.18
Door de omzetting gaat de oorspronkelijke verbintenis teniet en eindigt het verzuim van [gedaagde] . Dat betekent dat [gedaagde] vanaf dan niet meer na kan komen of zijn verzuim kan zuiveren. [gedaagde] moet in plaats daarvan de schade van [eiser] vergoeden. De hoogte van de vervangende schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de waarde van de uitgebleven en/of ondeugdelijk verrichte prestatie waarbij de vervangende vergoeding [eiser] in staat moet stellen de gemiste prestatie door een derde te laten uitvoeren.
3.19
[eiser] vordert een vervangende schadevergoeding van in totaal € 63.420,00. Dit bedrag is gebaseerd op het deskundigenreapport van [deskundige] , meer specifiek pagina 13 van dat rapport.
3.2
[gedaagde] heeft de hoogte van de gevorderde vervangende schadevergoeding betwist. [gedaagde] meent dat de gevorderde schadevergoeding niet in verhouding staat tot de gestelde gebreken. Het gevorderde bedrag is hoger dan de waarde van de opdracht en is ook niet afdoende gespecificeerd. Het bedrag is dan ook disproportioneel.
3.21
De kantonrechter is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 63.420,00 niet zonder meer toewijsbaar is. Zeker nu het gevorderde bedrag aan vervangende schadevergoeding van € 63.420,00 niet is gespecificeerd in het deskundigenrapport. Onduidelijk is waarom, nu het feitelijk gaat om dezelfde werkzaamheden als waarvoor [eiser] eerder [gedaagde] heeft ingeschakeld – namelijk kozijnen eruit en nieuwe kozijnen erin en nieuwe beplating –, de kosten ruim 1,6 keer hoger moet uitvallen. Dat het genoemde bedrag marktconform zou zijn, is de kantonrechter niet gebleken en verder door [eiser] niet onderbouwd. Ook is onduidelijk of de kozijnen (deels) hergebruikt kunnen worden. In de specificatie wordt gesproken over ‘
vervangen c.q. herplaatsen’. Niet uitgesloten kan worden dat de kozijnen (deels) hergebruikt kunnen worden. [gedaagde] heeft in de e-mail van 7 augustus 2025 aan [deskundige] de vraag gesteld of de kozijnen allemaal vervangen zou moeten worden, in welk kader [gedaagde] aangegeven heeft dat zij dit sterk betwijfelt gezien de hoge kwaliteit van de geleverde kozijnen. Hierop heeft [deskundige] geen antwoord gegeven. Weliswaar heeft [eiser] desgevraagd daarop toegelicht dat het hergebruiken niet kan, maar dat standpunt wordt door [eiser] verder niet onderbouwd.

Voornemen benoemen van deskundige
3.22
De kantonrechter overweegt daarom om een onderzoek door een deskundige/deskundigen in te laten stellen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
3.23
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van aanneming van werk (met name van plaatsing van kozijnen) en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
1. Welke opties zijn er inzake het herstel van de door [deskundige] geconstateerde gebreken?
2. Kunnen de gebruikte materialen nog (deels) hergebruikt worden? Zo ja, wat heeft dit voor gevolgen van de kosten voor herstel?
3. Wat zijn de kosten voor de opties van herstel? Gelieve de kosten per optie, en per gebrek uit te splitsen, daarbij – indien relevant – rekening houdend met de sinds de uitvoering van dit werk verstreken termijn.
4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
3.24
De kantonrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de eisende partij worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [eiser] worden betaald.
3.25
In het eindvonnis zal de kantonrechter beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
3.26
De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De kantonrechter zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
3.27
De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
3.28
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 19 augustus 2026om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,
4.2
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
4.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
HHt/37278

Voetnoten

1.Artikel 7:750 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:5 BW Pro