ECLI:NL:RBMNE:2026:4497

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
12059409 \ MC EXPL 26-267
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering brandstofkosten na tanken zonder betalen door ex-partner

Eiser vordert betaling van brandstofkosten en schadevergoeding omdat met de auto van gedaagde vier keer is getankt zonder te betalen. Gedaagde staat onder bewind en de bewindvoerder voert aan dat niet gedaagde, maar haar ex-partner de tankbeurten heeft verricht zonder te betalen.

De kantonrechter stelt vast dat uit camerabeelden en verklaringen blijkt dat een man de tankbeurten heeft gedaan, wat overeenkomt met de verklaring van de ex-partner. Hierdoor is onvoldoende bewijs dat gedaagde zelf heeft getankt zonder te betalen.

Eiser baseert zijn vorderingen op onrechtmatige daad, wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking, maar deze worden afgewezen omdat gedaagde niet aansprakelijk is voor het handelen van haar ex-partner. Ook de vordering tot verstrekking van NAW-gegevens wordt afgewezen omdat gedaagde deze gegevens al heeft verstrekt en eiser zelf onvoldoende heeft gedaan om deze te achterhalen.

De kantonrechter veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten van de bewindvoerder. De vorderingen worden afgewezen en het vonnis is gewezen door kantonrechter G.J. Baken op 8 juli 2026.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12059409 \ MC EXPL 26-267
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,mede handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G.E. Hamer,
tegen
ZEKER FINANCIËLE ZORGVERLENING B.V., IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN EN GELDEN VAN [gedaagde] , WONENDE TE [woonplaats],
te Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder en [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord, ingekomen ter griffie op 22 december 2025;
- de conclusie van repliek, ingekomen ter griffie op 4 februari 2026;
- de conclusie van dupliek, ingekomen ter griffie op 9 maart 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
Bij [eiser] is met de auto van [gedaagde] vier keer getankt zonder dat daarvoor is betaald. [eiser] vordert in deze procedure primair betaling van de getankte brandstof, te vermeerderen met rente en kosten. Daarnaast vordert zij een bedrag aan (forfaitaire) schadevergoeding en proceskosten. In het geval [gedaagde] niet zelf heeft getankt, eist [eiser] dat [gedaagde] de NAW-gegevens van degene aan wie zij haar auto heeft uitgeleend overlegt. [eiser] vordert subsidiair dan ook dat [gedaagde] (voorwaardelijk) wordt veroordeeld tot betaling van de brandstof en schade als zij deze gegevens niet overlegt. Meer subsidiair vordert [eiser] verstrekking van de NAW-gegevens op straffe van een dwangsom. [gedaagde] staat onder bewind. De bewindvoerder is daarom de formele procespartij in deze procedure. De bewindvoerder vindt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Zij stelt zich op het standpunt dat niet [gedaagde] , maar haar ex-partner zich schuldig heeft gemaakt aan tanken zonder te betalen. Daarnaast voert zij aan dat [gedaagde] de naam van haar ex-partner al aan [eiser] heeft doorgegeven. De kantonrechter geeft de bewindvoerder gelijk.

3.De beoordeling

[gedaagde] heeft niet getankt met het voertuig
3.1
[gedaagde] betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan tanken zonder te betalen. Volgens [gedaagde] heeft zij haar auto aan haar ex-partner uitgeleend. Hij heeft vervolgens verschillende keren getankt zonder daarvoor af te rekenen. Dit standpunt wordt ondersteund door de schriftelijke verklaring van de ex-partner van [gedaagde] . De kantonrechter constateert daarnaast dat uit de camerabeelden en de Blacklist Reports die [eiser] bij dagvaarding heeft overgelegd, blijkt dat alle overtredingen zijn begaan door een man. De kantonrechter is van oordeel dat daarmee voldoende vast is komen te staan dat [gedaagde] niet degene is die heeft getankt zonder te betalen.
De primaire vordering wordt afgewezen
3.2
[eiser] vordert primair dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van de brandstofkosten en de schade. [eiser] legt hier onder meer aan ten grondslag dat er sprake is van een onrechtmatige daad. In artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) staat dat hij die tegenover een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt. Voor een succesvol beroep op artikel 6:162 BW Pro is dus vereist dat sprake is van een onrechtmatige daad die [gedaagde] kan worden toegerekend. Vast staat dat [gedaagde] zich niet onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gedragen. De kantonrechter ziet daarnaast geen redenen om de onrechtmatige gedraging van de ex-partner van [gedaagde] aan haar toe te rekenen. Dat [gedaagde] eigenaar van de auto is, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Een beroep op artikel 6:162 BW Pro slaagt daarom niet.
3.3
[eiser] stelt verder dat er sprake is van wanprestatie. Van wanprestatie (een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst) is sprake wanneer [gedaagde] een verbintenis aangaat, waar zij zich vervolgens niet aan houdt. [eiser] lijkt te veronderstellen dat zij een overeenkomst is aangegaan met [gedaagde] . Dit standpunt volgt de kantonrechter niet. De ex-partner van [gedaagde] heeft getankt en is daarmee de verbintenis tot betaling van een geldsom aan [eiser] aangegaan. [gedaagde] maakt geen deel uit van deze overeenkomst. [eiser] kan [gedaagde] daarom ook niet aanspraken op grond van wanprestatie.
3.4
Tot slot doet [eiser] nog een beroep op artikel 6:212 BW Pro. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking is vereist dat [gedaagde] ten koste van [eiser] moet zijn verrijkt. [eiser] stelt dat de brandstof in de auto van [gedaagde] terecht is gekomen. Volgens [eiser] heeft deze brandstof een waarde, waardoor [gedaagde] is verrijkt. Ook deze stelling kan [eiser] niet helpen. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat de auto enkel door haar ex-partner wordt gebruikt. Dit volgt ook uit de verklaring van haar ex. Niet vast is komen te staan dat [gedaagde] door het handelen van haar ex-partner is verrijkt. Daar komt bij dat de vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking nooit hoger kan zijn dan de verrijking van (in dit geval) [gedaagde] . De verrijking ziet dus enkel op de brandstof. Ongerechtvaardigde verrijking biedt dus geen grondslag voor de gevorderde (forfaitaire) schadevergoeding.
3.5
Dit betekent dat de primaire vordering moet worden afgewezen.
[gedaagde] heeft geen verplichting om de NAW-gegevens van haar ex-partner te overleggen
3.6
[eiser] eist verder dat [gedaagde] de NAW-gegevens van haar ex-partner overlegt. [gedaagde] heeft de naam van haar ex-partner van [gedaagde] aan [eiser] doorgegeven. Het wordt de kantonrechter niet duidelijk op basis waarvan [eiser] thans verstrekking van deze NAW-gegevens vordert, nu zij deze zelf ook via haar gemachtigde kan achterhalen. Verder blijkt uit de door [eiser] opgestelde Blacklist Reports dat de ex-partner van [gedaagde] verschillende keren bij een medewerker van [eiser] heeft gemeld dat hij de brandstof op dat moment niet kon betalen. [eiser] is daarom vier keer in de gelegenheid geweest om zelf zijn NAW-gegevens te noteren. Hier heeft [eiser] echter geen gebruik van gemaakt. [eiser] heeft zelf dus ook steken laten vallen. Zij had meer kunnen en moeten doen om de gegevens van de ex-partner van [gedaagde] te achterhalen.
3.7
Voor zover [eiser] meent dat [gedaagde] onrechtmatig handelt door de NAW-gegevens van haar ex-partner niet te verstrekken, gaat de kantonrechter hier niet in mee. De kantonrechter ziet dat [eiser] de verplichting om de gegevens te verstrekken onder andere baseert op een uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2005, RvdW 2005, 133. De kantonrechter gaat hier niet in mee, omdat deze uitspraak ziet op de verplichtingen van Internetaanbieders waarvoor een afzonderlijk juridisch kader in de wet aanwezig is met onderliggende Europese richtlijnen. Die regelgeving kan niet analoog worden toegepast op onderhavige zaak. Er is in onderhavig geval geen wettelijke of contractuele verplichting voor [gedaagde] om deze gegevens aan [eiser] te verstrekken. Dat [gedaagde] de NAW-gegevens niet aan [eiser] heeft verstrekt, is dus niet onrechtmatig. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Proceskosten
3.8
[eiser] moet de proceskosten (inclusief nakosten) van de bewindvoerder betalen, omdat zij ongelijk heeft gekregen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten van de bewindvoerder begroot op € 360,00 (tarief salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten x € 144,00 en € 72,00 aan nakosten).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.