ECLI:NL:RBMNE:2026:450

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11832046 \ UC EXPL 25-6533
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 lid 1 BWArt. 7:18a lid 2 BWArt. 7:21 lid 3 BWArt. 7:21 lid 6 BWArt. 7:24 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkoper aansprakelijk voor herstelkosten en schadevergoeding wegens non-conforme tweedehands auto

Eiser kocht een tweedehands BMW X5 van gedaagde, waarbij binnen een maand ernstige gebreken aan het differentieel en de cardanas ontstonden. Na onderzoek bleek dat onjuiste montage van een 22 inch-wielset de oorzaak was, wat niet door gedaagde werd onderbouwd.

De kantonrechter stelde vast dat de auto non-conform was en dat het gebrek vermoedelijk al bij aflevering bestond. Gedaagde faalde in het leveren van bewijs dat het gebrek later was ontstaan. Omdat gedaagde niet binnen redelijke termijn tot herstel overging, mocht eiser de auto door een derde laten repareren en de kosten verhalen.

De herstelkosten werden grotendeels toegewezen, met uitzondering van posten die niet direct verband hielden met het gebrek. Daarnaast werd schadevergoeding toegekend voor verzekeringspremies, motorrijtuigenbelasting, schorsingskosten en huur van vervangend vervoer. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van herstelkosten, schadevergoeding, incassokosten en proceskosten wegens non-conforme tweedehandsauto.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11832046 \ UC EXPL 25-6533
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: A. de Hoogd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1-32;
- de conclusie van antwoord met producties A-G;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 12 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] heeft een tweedehands auto gekocht van [gedaagde] . Binnen een maand na de koop waren het differentieel aan de voorzijde en de cardanas kapot. [eiser] eist in deze procedure een bedrag van (totaal) € 16.273,94 aan herstelkosten en schadevergoeding. Deze vordering wordt grotendeels toegewezen. Dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conform is) is namelijk voldoende komen vast te staan. Omdat [gedaagde] niet is overgegaan tot kosteloos herstel moet zij de kosten van herstel door een derde aan [eiser] betalen. Ook moet [gedaagde] de schade betalen die [eiser] in verband met gebrekkige auto heeft geleden.

3.De beoordeling

Consumentenkoop en non-conformiteit
3.1.
[eiser] heeft op 29 mei 2024 van [gedaagde] een BMW X5 Diesel (uit 2014) gekocht voor een bedrag van € 35.000,-. De auto is op 12 juni 2024 geleverd nadat [eiser] een aankoopkeuring had laten uitvoeren door [bedrijf 1] . Omdat [eiser] de auto heeft gekocht als consument en [gedaagde] heeft verkocht in de uitoefening van haar bedrijf is sprake van een consumentenkoop. [1]
3.2.
[eiser] heeft gesteld dat de auto verschillende gebreken vertoont. Op 3 juli 2024 is hij met de auto naar Spanje gereden en op 12 juli 2025 is de auto stuk gegaan. De auto maakte een krakend en schavend geluid. Een autogarage in Spanje heeft de aandrijfas links voor vervangen, maar dat bleek niet de oplossing te zijn. In overleg met [gedaagde] is de auto gerepatrieerd en op 15 augustus 2024 bij [gedaagde] afgeleverd. [bedrijf 2] heeft in opdracht van [gedaagde] op 29 augustus 2024 de auto nagekeken en op 24 september 2024 een offerte uitgebracht. Uit die offerte heeft [eiser] afgeleid dat de auto de volgende gebreken heeft: het differentieel en de cardanas zijn defect. Verder staat op de offerte dat de banden en velgen vervangen moeten worden. Dit laatste is volgens [eiser] noodzakelijk omdat de bandencombinatie ongeschikt is voor deze auto. Een door [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) op 9 december 2024 in opdracht van [eiser] afgegeven second opinion heeft dat bevestigd:
“ (…)
We hebben de onderzijde van de auto bekeken.
Hiervoor hebben we de bodembeplating gedemonteerd.
Wat ons opvalt is dat er een groot gat in het differentieel voor is geslagen.
De carterpan van de motor is doorgesltn doordat flens van de differentieel/tussenas tegen de carterpan is aangelopen.
Verder heeft de tussenas aangelopen.
De oorzaak van dit betreffen de niet juiste gemonteerde wielset.
Deze is niet vrijgegeven voor een x-drive.
Onderstaand een foto van de banden die gemonteerd mogen worden.
Hier is te zien dat het maximaal 21 inch betreft.
De gemonteerde banden zijn 295/30R22 en 335/25R22 zijn niet vrijgegeven voor deze auto.
(…)
Door de verkeerde wielset (oorzaak) is sowieso het bovenstaande gesneuveld (gevolg)
(…)”
3.3.
Een afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden, dat wil zeggen: moet aan de gerechtvaardigde verwachting van de koper voldoen. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen. De gerechtvaardigde verwachting wordt ingekleurd door de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper heeft gedaan. Als een (tweedehands) auto wordt gekocht waarvan de verkoper weet dat deze wordt gekocht om daarmee aan het verkeer deel te nemen, beantwoordt de auto in principe niet aan de overeenkomst als door een gebrek aan de auto (dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld) het gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren [2] .
3.4.
[eiser] heeft voldoende feitelijk onderbouwd dat de auto een maand na de koop een zodanig ernstig gebrek aan het differentieel vertoonde dat de auto - zonder herstel - niet normaal gebruikt kon worden. Het bepaalde in artikel 7:18a lid 2 BW brengt dan mee dat vermoed wordt dat het gebrek reeds bij aflevering bestond. Tegen dat vermoeden staat tegenbewijs open.
3.5.
Partijen twisten over de vraag wat de oorzaak is van de geconstateerde gebreken. [eiser] heeft zich, onder verwijzing naar de onder 3.2 weergegeven diagnose van [bedrijf 3] , op het standpunt gesteld dat door de (onjuist) gemonteerde 22 inch-wielset de flens van het differentieel/tussenas tegen de carterpan is aangelopen waardoor slijtage is veroorzaakt. Volgens [gedaagde] berust dit echter op een misverstand. Twee Nederlandse velgenleveranciers en één Duitse hebben aan [gedaagde] bevestigd dat de toegestane maat velgen op de BMW X5 M50d 19 t/m 22 inch is.
3.6.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet. [gedaagde] heeft haar verweer niet met stukken onderbouwd. Bovendien kan uit de telefonisch aan [gedaagde] gegeven informatie [3] worden afgeleid dat de velgenleveranciers 22 inch banden voor dit type auto niet aanbieden als deze maat niet is ‘vrijgegeven’ of ‘niet compatibel’ zou zijn. 22-inch banden zijn voor dit type BMW dus kennelijk niet ‘standaard’ en dat onderschrijft juist de stelling van [eiser] .
Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om haar verweer te onderbouwen met, bijvoorbeeld, een schriftelijke verklaring van een ter zake deskundige dat een 22 inch-wielset wél een toegestane maat is voor dit type BMW. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De enkele verwijzing naar het antwoord van Perplexity (AI) is onvoldoende. De kantonrechter moet daarom uitgaan van de juistheid van de wel onderbouwde stelling van [eiser] dat de 22 inch banden in principe niet geschikt zijn voor deze auto en dat de onjuiste montage van de 22 inch-wielset heeft geleid tot een kapot differentieel en cardanas. Het evenmin met stukken onderbouwde verweer van [gedaagde] dat het defect raken van een aandrijfas of differentieel moet worden aangemerkt als normale slijtage bij een gebruikte auto wordt dan ook verworpen.
3.7.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het gebrek is ontstaan doordat [eiser] met de auto in Spanje door een kuil is gereden waardoor er een gat in het differentieel is ontstaan. Verder wijst zij er op dat in Spanje een aandrijfas is vervangen en dat niet kan worden uitgesloten dat die vervanging of montage heeft bijgedragen aan het defect aan het differentieel. Deze verweren slagen evenmin. Op grond van artikel 7:18a lid 2 BW is het aan [gedaagde] om te stellen en te onderbouwen dat de hiervoor vastgestelde gebreken niet bestonden bij de aflevering van de auto en pas later zijn ontstaan. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Zij baseert haar verweer op vermoedens en laat na concrete feiten en omstandigheden naar voren te brengen waaruit dit zou kunnen blijken. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat nader onderzoek aan de auto voor [gedaagde] niet onmogelijk is geweest. Zij heeft de auto na de repatriëring uit Spanje immers laten onderzoeken door [bedrijf 2] .
[gedaagde] heeft dus niet aan haar stelplicht voldaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.
3.8.
Met de aanwezigheid van de gebreken, die niet zonder demontage van de bodemplaat zijn te ontdekken, hoefde [eiser] geen rekening te houden. Hij heeft als consument niet hoeven twijfelen aan de conformiteit van de auto op voor een normaal en veilig gebruik essentiële eigenschappen. Dat de (potentiële) defecten niet zijn gesignaleerd door [bedrijf 1] , die in opdracht van [eiser] een keuring heeft gedaan, ontheft [gedaagde] niet van haar plicht om een goede auto te leveren. Hoewel volgens [eiser] sprake is van een ‘veelvoorkomend probleem’, dat hem uit navraag bij een viertal BMW specialisten is gebleken [4] , is duidelijk dat zowel [eiser] , de keurmeester van [bedrijf 1] én [gedaagde] kennelijk niet op de hoogte waren van de risico’s van de (onjuiste) montage van een 22 inch-wielset onder deze auto. [gedaagde] heeft [eiser] daar ook niet voor gewaarschuwd. De gevolgen van deze non-conformiteit komen voor rekening en risico van [gedaagde] omdat zij immers handelde in de uitoefening van haar bedrijf.
3.9.
De conclusie is dan ook dat de auto niet beantwoordt aan de door [eiser] en [gedaagde] gesloten overeenkomst. Dit betekent dat [gedaagde] een non-conforme auto aan [eiser] heeft verkocht en dus tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst.
Vergoeding herstelkosten
3.10.
Artikel 7:21 lid 6 BW Pro bepaalt dat een consument herstel door een derde mag laten uitvoeren en de kosten daarvan op de verkoper mag verhalen als de verkoper niet binnen redelijke termijn nadat hij daartoe door de koper schriftelijk is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel heeft voldaan. [eiser] heeft [gedaagde] op 28 oktober 2024 schriftelijk een redelijke termijn geboden om tot herstel van de auto over te gaan, maar dat heeft [gedaagde] (in strijd met artikel 7:21 lid 3 BW Pro) om haar moverende redenen niet gedaan. Doordat [gedaagde] niet binnen een redelijke termijn nadat zij daartoe schriftelijk door [eiser] is aangemaand tot herstel van de auto is overgegaan, is [eiser] bevoegd om het herstel van de auto door een derde te laten plaatsvinden en de kosten daarvan op [gedaagde] te verhalen. [eiser] heeft de auto (uiteindelijk) in mei 2025 laten herstellen door [bedrijf 3] , nadat hij onderdelen, zoals het differentieel, een as en een wielset, zelf had ingekocht.
3.11.
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de herstelkosten. Het gaat om een totaalbedrag van € 12.319,48 (= € 1.191,85 aankoop differentieel en as, € 4.127,- velgen en banden, en € 7.000,63 reparatiekosten voorasdifferentieel, carterpan en cardanas). Ter onderbouwing van de herstelkosten heeft [eiser] gewezen op drie facturen [5] . Het verweer van [gedaagde] dat de herstelkosten voor wat betreft het differentieel, carterpan en cardanas te hoog zijn wordt verworpen. [gedaagde] heeft dat niet onderbouwd en bovendien sluit de (aan [gedaagde] uitgebrachte) offerte van [bedrijf 2] van 24 september 2024 op een hoger bedrag voor dezelfde herstelwerkzaamheden. Het mag zo zijn dat [gedaagde] het herstel in eigen beheer goedkoper kon uitvoeren, maar de uitnodiging van [eiser] om dat te doen heeft [gedaagde] niet aangenomen zodat zij zich daar niet alsnog op kan beroepen.
3.12.
Het verweer van [gedaagde] dat op de factuur van [bedrijf 3] [6] posten staan die niets te maken hebben met het herstel van de gebreken die de auto non-conform maken, slaagt wel. Het gaat om de kosten voor de accu (€ 417,42 exclusief btw), de motor uitwendig reinigen (€ 78,70 exclusief btw) en olie verversen/oliefilter vernieuwen (€ 293,47 exclusief btw). [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit kosten zijn voor het herstellen van de gebreken die de auto non-conform maken. Dat die kosten samenhangen met het lange stilstaan van de auto, zoals op de mondelinge behandeling door [eiser] naar voren is gebracht, heeft [gedaagde] gemotiveerd weersproken zodat de stelling van [eiser] dat dit wel herstelkosten zijn onvoldoende is komen vast te staan. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 11.364,08 inclusief btw (= € 12.319,48 minus € 955,40, alle bedragen inclusief btw) aan herstelkosten.
[gedaagde] moet de schade van [eiser] vergoeden
3.13.
Als bij een consumentenkoop de geleverde zaak non-conform is, heeft de koper op grond van de wet recht op schadevergoeding [7] .
3.14.
[eiser] heeft schadevergoeding gevorderd van totaal € 3.026,01. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van € 1.017,71 voor de verzekeringspremie die [eiser] heeft betaald van juli 2024 tot en met januari 2025. [eiser] heeft het kenteken inmiddels geschorst en heeft tot en met januari 2025 motorrijtuigenbelasting betaald (totaal € 1.696,50). [eiser] vraagt ook een schadevergoeding van € 88,05 voor het schorsen van de auto en van € 223,75 aan gemaakte kosten voor huur van vervangend vervoer in de periode 5 tot en met 9 augustus 2024.
3.15.
Deze schadeposten worden toegewezen omdat sprake is van een causaal verband tussen het verwijt dat [gedaagde] wordt gemaakt en de schade. [eiser] heeft immers verzekeringspremies en motorrijtuigenbelasting betaald voor een auto waar hij lange tijd niet mee heeft kunnen rijden. [gedaagde] is het niet eens met die schade maar zij laat na dat verweer te onderbouwen. Zij stelt alleen dat [eiser] heeft gedraald met het laten repareren van de auto. [eiser] heeft uitgelegd dat het niet lukte eerder tot herstel over te gaan omdat [gedaagde] weigerde de kosten daarvan te dragen en hij zelf eerst moest sparen om het herstel te bekostigen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [eiser] heeft gedraald met herstel en dus aan zichzelf te wijten heeft dat hij de auto lange tijd niet heeft kunnen gebruiken.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
3.16.
[eiser] heeft [gedaagde] in de brief van 27 juni 2025 in gebreke gesteld en gesommeerd binnen 10 dagen de herstelkosten van € 12.319,48 te voldoen. [gedaagde] heeft dit niet gedaan en is daarom vanaf 9 juli 2025 in verzuim. De gevorderde wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over het toewijsbare bedrag aan herstelkosten wordt daarom toegewezen vanaf 9 juli 2025.
3.17.
De gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.18.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De kantonrechter wijst daarom een vergoeding toe tot een bedrag dat aansluit bij de (de omvang van) toewijsbaar geoordeelde totale hoofdsom, berekend conform de staffel, te weten een bedrag van € 918,19. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen als hierna vermeld.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.19.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [eiser] zich heeft laten bijstaan door zijn vriendin, [gemachtigde] , en niet is gebleken dat zij haar werkzaamheden bij [eiser] in rekening heeft gebracht, bestaat er geen recht op een vergoeding van het salaris gemachtigde conform liquidatietarief. Wel bestaat er aanleiding om de proceskosten aan de kant van [eiser] ambtshalve vast te stellen op een forfaitair bedrag van € 50,- aan reis-, verblijf- en verletkosten voor het bijwonen van de mondelinge behandeling.
3.20.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
732,00
- verletkosten
50,00
Totaal
930,04
3.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.22.
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen de beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.364,08 aan herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 9 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.026,01 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 5 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 918,19 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 5 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 930,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
1257

Voetnoten

1.Artikel 7:5 lid 1 BW Pro
2.Hoge Raad 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338 en 8 juli 2005 ECLI:NL:HR:2005:AT3097
3.Zie randnummer 4.22 in de conclusie van antwoord
4.Zie productie 17, onder 3, van [eiser]
5.Producties 23, 24 en 25 van [eiser]
6.Wederom productie 25 van [eiser]
7.Artikel 7:24 lid 1 BW Pro