ECLI:NL:RBMNE:2026:4501

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
C/16/587322 / HL ZA 25-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:57 BWArt. 4:34 WftArt. 7:60 BWArt. 3:40 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenkrediet vernietigd wegens schending consumentenbescherming; terugbetaling hoofdsom toegewezen

In deze civiele zaak vordert eiser terugbetaling van een lening van €100.000 die aan gedaagde is verstrekt. Gedaagde betwist de terugbetalingsverplichting en stelt dat hij als consument bijzondere bescherming geniet. De rechtbank kwalificeert gedaagde als consument en eiser als kredietgever, waardoor de lening als consumentenkrediet wordt aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd en niet heeft voldaan aan de precontractuele informatieplicht, beide verplichtingen uit het consumentenrecht. Hierdoor is de leningsovereenkomst vernietigbaar. De overeenkomst wordt dan ook vernietigd wegens schending van deze beschermingsregels.

Omdat de overeenkomst nietig is, kan eiser geen aanspraak maken op rente, boete of kosten. Gedaagde moet echter het geleende bedrag terugbetalen op grond van onverschuldigde betaling. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf vijftien dagen na betekening van het vonnis. Gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De leningsovereenkomst wordt vernietigd en gedaagde moet de hoofdsom van €100.000 terugbetalen met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/587322 / HL ZA 25-19
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser] .,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.G. Jansen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.L. Dingemans.

1.De procedure

1.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidentele vonnis van 14 mei 2025;
- de conclusie van antwoord met vijf producties (nr. 8 tot en met 12)
- de akte van 30 oktober 2025 van [eiser] met aanvullende producties nr. 14-17
- de akte van 3 november 2025 van [gedaagde] met aanvullende producties nr. 13-15
- de mondelinge behandeling van 13 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] heeft geld geleend van [eiser] . [eiser] wil dat [gedaagde] het geleende geld terugbetaalt. [gedaagde] vindt dat hij een consument is en dat dit gevolgen heeft voor zijn terugbetalingsverplichting. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] in deze zaak als consument moet worden beschouwd. Hij moet de hoofdsom terugbetalen, maar niet de gevorderde boete, rente en kosten. De volgens [eiser] gemaakte afspraken zijn in strijd zijn met de beschermingsregels voor consumenten.

3.De beoordeling

Achtergrond van het geschil
3.1
De enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser] (de heer [A] ) en [gedaagde] zijn jarenlang zakenpartners geweest en gingen ook vriendschappelijk met elkaar om. [gedaagde] is samen met [eiser] aandeelhouder (ieder voor de helft) in een andere vennootschap (hierna: de vennootschap). Van de vennootschap is [A] bestuurder en is [gedaagde] bestuurder geweest.
Uitgangspunten
3.2
Waar partijen het over eens zijn, is dat [gedaagde] in juni 2022 een bedrag van € 100.000,- heeft geleend van [eiser] . Volgens beide partijen hebben zij een kort gesprek gehad waarin afspraken over de geldlening zijn gemaakt, is het geld vervolgens overgemaakt en is daarna een schriftelijke geldleningsovereenkomst opgemaakt. Eén van de afspraken was dat de lening na zes maanden zou worden terugbetaald door [gedaagde] . Vaststaat dat dit, in ieder geval per datum van de mondelinge behandeling (13 november 2025), nog niet is gebeurd.
De verstrekte lening is een consumentenkrediet
3.3
Tussen partijen is in geschil of de verstrekte lening als een consumentenkrediet in de zin van artikel 7:57 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) moet worden beschouwd. Dit is van belang omdat consumenten bijzondere bescherming genieten. Het door de kredietgever in strijd handelen met beschermingsbepalingen kan vergaande gevolgen hebben.
3.4
Om te kwalificeren als consumentenkrediet moet 1) de lener een consument zijn en 2) de uitlener een professionele kredietverstrekker. Aan beide voorwaarden is voldaan.
[gedaagde] is consument
3.4.1
Of [gedaagde] moet worden beschouwd als consument, moet worden beoordeeld naar de stand van zaken bij de contractsluiting. De enige vraag die beantwoord moet worden is of het voor [eiser] bij het moment van contractsluiting duidelijk was (of had moeten zijn) dat [gedaagde] de geldleningsovereenkomst voor zichzelf, dus in privé, sloot. Anders dan [eiser] heeft gesteld, is voor de beantwoording van die vraag niet relevant dat [gedaagde] financieel goed onderlegd is, ruime ervaring heeft in het doorgronden van financiële cijfers en zijn sporen heeft verdiend in het ondernemerschap. [gedaagde] is gepensioneerd. Na zijn terugtreden als bestuurder bestond het inkomen van [gedaagde] voornamelijk uit de dividenduitkering die hij ontving op zijn aandelen in de vennootschap. Doordat de aandelen verpand werden, viel deze bron van inkomsten grotendeels weg. [eiser] was op de hoogte van de situatie van [gedaagde] . Het was [eiser] ook duidelijk dat de lening door [gedaagde] werd afgesloten omdat hij geldproblemen had. Bij de opdracht aan de boekhouder om de geldleningsafspraken op schrift te stellen zegt [eiser] : ‘
Zoals besproken wil [gedaagde] , rb] graag 100k van mij lenen aangezien zijn liquiditeitensaldo onder een gewenst minimum is gekomen en hij blijkbaar rekeningen van zijn advocaat moet betalen’. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat [gedaagde] in geldnood zat en dat daarom het leenbedrag al vóór ondertekening van de overeenkomst is overgemaakt. Verder is de geldleningsovereenkomst getekend door [gedaagde] in privé en het leenbedrag is gestort op de persoonlijke rekening van [gedaagde] .
3.4.2
[eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] tijdens het korte gesprek over het aangaan van de lening gezegd zou hebben dat de lening nodig was om de advocaatkosten in een zakelijk geschil te betalen. Dat is door [gedaagde] nadrukkelijk betwist. Volgens [gedaagde] heeft hij tijdens het gesprek expliciet aangegeven dat hij het geld nodig had in privé. Volgens [gedaagde] klopt het op zichzelf dat er vanwege een langslepend zakelijk geschil hoge advocaatkosten zijn gemaakt. Maar deze kosten zijn volgens hem betaald door de vennootschap die bij dat geschil betrokken is. Op het moment van sluiten van de lening werd in het geschil ook al een arrest verwacht en zijn geen verdere advocaatkosten meer gemaakt, aldus [gedaagde] .
3.4.3
Deze omstandigheden afwegend was het voor [eiser] duidelijk, of had het duidelijk moeten zijn, dat [gedaagde] de lening in privé afsloot. De enkele verwijzing door [eiser] naar ‘advocaatkosten’ in haar mail naar de boekhouder legt onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat het wel om een zakelijke lening moest gaan. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] , waarmee [eiser] goed bekend was, was er alle aanleiding voor [eiser] om duidelijkheid te vragen over het doel van de lening als die duidelijkheid er niet helemaal was. Dat heeft zij niet gedaan en dat moet voor haar risico blijven.
[gedaagde] is consument.
[eiser] is kredietgever
3.4.4
Om als kredietgever te worden beschouwd, moet sprake zijn van een (rechts)persoon die in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten krediet verleent (of toezegt). Deze eis strekt niet zover dat het verstrekken van krediet tot de kernactiviteiten van het bedrijf hoort. [eiser] heeft in haar dagvaarding zelf gesteld dat de lening met [gedaagde] is aangegaan in het kader van een zakelijke relatie waarbij beide partijen (dus ook [eiser] ) handelden in de uitoefening van hun beroep en bedrijf. Ter zitting heeft [eiser] betwist dat zij vaker of bedrijfsmatig kredieten verstrekt aan natuurlijke personen. Vaststaat dat [eiser] in ieder geval leningen heeft verstrekt aan haar directeur-grootaandeelhouder ter financiering van de eigen woning. Verder was de doelomschrijving van een vennootschap die door fusie is opgegaan in [eiser] : ‘
Beheeractiviteiten en het verstrekken van financiering(en) in beperkte kring, in het bijzonder aan de directeur-grootaandeelhouder’. Daarnaast staat op de jaarrekening van [eiser] van 2023 een aanzienlijke post aan vlottende activa (van bijna 1,2 miljoen euro) waarvan door [gedaagde] is gesteld dat dit wel om vorderingen op derden moet gaan. [eiser] heeft immers geen machines, gebouwen of voorraden, zo heeft [gedaagde] onbetwist gesteld. [eiser] heeft op deze post en de omvang daarvan desgevraagd geen bevredigende toelichting gegeven. Op grond hiervan is onvoldoende gebleken dat [eiser] niet kan worden beschouwd als kredietgever in de hiervoor bedoelde zin. [eiser] is kredietgever.
3.5
De verstrekte lening is dus een consumentenkrediet waarop regels van consumentenbescherming van toepassing zijn.
De kredietovereenkomst is vernietigd
3.6
[gedaagde] heeft zich beroepen op de vernietiging van de leningsovereenkomst, op grond van schending van consumentenrechtelijke bepalingen. Dit beroep slaagt.
3.7
Tussen partijen staat vast dat het gesprek waarin partijen afspraken hebben gemaakt over de voorwaarden van de lening kort was. Het geld stond al op de rekening van [gedaagde] voordat de afspraken op schrift waren gesteld. Uit niets is gebleken dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de leningsovereenkomst een kredietwaardigheidstoets in de zin van artikel 4:34 lid 1 Wet Pro op het financieel toezicht heeft verricht. Hiertoe was [eiser] wel verplicht. De verplichting een kredietwaardigheidstoets uit te voeren, is een regel van openbare orde. Schending van enkel deze verplichting leidt op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro al tot vernietigbaarheid van de leningsovereenkomst. Ter zitting is door [eiser] aangevoerd dat zij door haar relatie met [gedaagde] al op de hoogte was van zijn kredietwaardigheid. Daarmee lijkt zij te suggereren dat een kredietwaardigheidstoets achterwege mocht blijven. Dat is niet zo. De kredietwaardigheidstoets is verplicht om te voorkomen dat leningen worden verstrekt aan consumenten die niet kredietwaardig zijn. De kredietgever moet kunnen aantonen dat en aan de hand van welke stukken de kredietwaardigheidstoets is verricht. De enkele kennis die [eiser] denkt te hebben op basis van de bestaande relatie voldoet niet. Verder is ook niet gebleken dat [eiser] tijdens dit proces heeft voldaan aan haar precontractuele informatieplichten van artikel 7:60 BW Pro. Ook deze bepaling is van openbare orde. Deze verplichting bestaat om de consument in de gelegenheid te stellen om geïnformeerd een beslissing te kunnen nemen of hij de overeenkomst onder de aangeboden voorwaarden wil aangaan. Dat dit hier niet is gebeurd, althans niet volledig, is verder af te leiden uit de tussen partijen ontstane onenigheid over een bepaling in de achteraf opgemaakte schriftelijke weergave van de overeenkomst over de door [gedaagde] te verstrekken zekerheid. Ook uit de opdracht van [eiser] aan de boekhouder voor het opstellen van de schriftelijke weergave blijkt dat de voorwaarden niet vóóraf duidelijk zijn uitonderhandeld tussen partijen. [eiser] schrijft: ‘
De rentevergoeding mag jij vaststellen en moet marktconform zijn en in lijn met hetgeen hoe [gedaagde] aan mij heeft
geleend.’. Ook deze schending kan vernietigbaarheid van de overeenkomst tot gevolg hebben, hetzij op grond van oneerlijke handelspraktijken (art. 7:60 lid 3 BW Pro), hetzij op grond van artikel 3:40 BW Pro. De vernietiging van de overeenkomst is in een brief van 3 november 2025 ook daadwerkelijk buitengerechtelijk ingeroepen door (de advocaat van) [gedaagde] .
[gedaagde] moet de hoofdsom (terug)betalen
3.8
Omdat het beroep op vernietiging slaagt, moet ervan worden uitgegaan dat de leningsovereenkomst nooit is gesloten. Dat betekent dat [eiser] geen aanspraak kan maken op nakoming van verplichtingen uit de leningsovereenkomst. [gedaagde] is geen rente, boete of incassokosten verschuldigd. [eiser] kan ook geen aanspraak maken op nakoming van de terugbetalingsverplichting van het geleende op basis van de overeenkomst. Er is immers geen leningsovereenkomst. Evengoed moet het door [eiser] aan [gedaagde] betaalde geldbedrag van € 100.000,- door [gedaagde] worden terugbetaald. Niet op grond van de overeenkomst, maar op grond van onverschuldigde betaling. In de aan deze zaak ten grondslag liggende feiten ligt voldoende basis om voor zover nodig de grondslag voor de vordering tot betaling van € 100.000,- aan te vullen. Het was voor beide partijen zonder meer duidelijk dat en wanneer het door [eiser] aan [gedaagde] verstrekte bedrag terug moest worden betaald. In zijn verweer is door [gedaagde] ook onderkend dat onverschuldigde betaling een mogelijke grondslag is voor terugvordering van het door [eiser] aan [gedaagde] verstrekte geldbedrag.
[gedaagde] moet wettelijke rente gaan betalen als hij niet op tijd terugbetaalt
3.9
[eiser] heeft vergoeding van de wettelijke rente gevorderd. Pas door de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst is de vordering uit onverschuldigde betaling ontstaan. De door [eiser] verstuurde ingebrekestellingen zijn van vóór de datum van vernietiging én op basis van de geldigheid van de leningsovereenkomst. [gedaagde] is na de datum van vernietiging niet (meer) alsnog in gebreke gesteld door [eiser] . De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend.
3.1
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
6.173,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.584,21
3.11
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.584,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
4403