ECLI:NL:RBMNE:2026:4502

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
C/16/607057 / HA ZA 26-86
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 Brussel I bisArt. 4 lid 1 Brussel I bisArt. 24 Brussel I bisArt. 13 lid 1 Brussel I bisArt. 404 Bürgerliches Gesetzbuch
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter in vrijwaringszaak ondanks forumkeuze Duitse rechter

In deze zaak vordert Württembergische Versicherung AG (WV) dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart vanwege een exclusieve forumkeuze voor de Duitse rechter. De rechtbank oordeelt dat deze forumkeuze niet geldt voor [partij 1], omdat zij niet partij was bij de oorspronkelijke overeenkomst en niet gebonden is aan het forumkeuzebeding.

De zaak betreft een vrijwaringsvordering in verband met een dodelijk ongeluk met een goederenlift in Rotterdam in 2017. ASR en AIG hebben [partij 1] aansprakelijk gesteld voor gebrekkige levering, waarna [partij 1] WV in vrijwaring heeft opgeroepen. De rechtbank toetst haar bevoegdheid aan Brussel I bis en concludeert dat artikel 8 lid 2 van Pro deze verordening van toepassing is, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is.

WV stelde dat geen sprake is van een vrijwaringsvordering en dat de procedure misbruik van recht is, maar deze verweren worden verworpen. WV wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De rechtbank wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring van WV af.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607057 / HA ZA 26-86
Vonnis in incident van 8 juli 2026
in de zaak van
[partij 1] SE,
gevestigd te ( [postcode] ) [vestigingsplaats] (Duitsland),
eisende partij in de vrijwaringszaak,
verwerende partij in het bevoegheidsincident,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. P. van den Broek,
tegen
WÜRTTEMBERGISCHE VERSICHERUNG AKTIENGESELLSCHAFT,
gevestigd te (70806) Kornwestheim (Duitsland),
gedaagde partij in de vrijwaringszaak,
eisende partij in het bevoegheidsincident,
hierna te noemen: WV,
advocaat: mr. D. Stikkelbroeck.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in vrijwaring met producties 1 t/m 11,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met één productie,
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident,
- de akte eiswijziging van [partij 1] met producties 12 t/m 18.
1.2
Daarna is bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
In dit incident vordert WV dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart. De rechtbank wijst deze vordering af, omdat zij haar bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 8 lid 2 van Pro de Verordening (EU) nummer 1215/2012 (hierna: Brussel I bis). Van een exclusieve forumkeuze voor de Duitse rechter waar ook [partij 1] aan gebonden is, is namelijk geen sprake.
3 De achtergrond van de zaak
3.1
In 2017 vond een ongeluk plaats met een goederenlift in een kantoorpand in Rotterdam. Hierdoor zijn twee personen overleden. ASR Levensverzekeringen N.V. (hierna: ASR) is de eigenaar van het kantoorpand. Haar bedrijfsongevallenverzekeraar AIG Europe S.A. (hierna: AIG) heeft de nabestaanden van de slachtoffers gecompenseerd, waardoor AIG is gesubrogeerd in de rechten van ASR.
3.2
In de hoofdzaak houden ASR en AIG [partij 1] S.E. (hierna: [partij 1] ) en drie andere gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zij daardoor hebben geleden. ASR en AIG verwijten [partij 1] dat zij een gebrekkige aandrijving voor de betreffende lift heeft geleverd.
3.3
[partij 1] heeft op haar beurt onder andere Württembergische Versicherung AG (hierna: WV) in vrijwaring opgeroepen, waarvoor deze rechtbank op 24 december 2025 toestemming heeft gegeven. Een onderdeel van de aandrijving heeft [partij 1] namelijk bij [onderneming] (hierna: [onderneming] ) gekocht. [onderneming] is failliet verklaard. [partij 1] heeft vervolgens met de curator van [onderneming] afgesproken dat de curator de vordering die [onderneming] op WV heeft uit hoofde van de met WV gesloten verzekeringsovereenkomst aan haar ( [partij 1] ) overdraagt.
Het toetsingskader: exclusieve bevoegdheidsgronden
3.4
In dit geval moet de rechter aan de hand van Brussel I bis beoordelen of hij rechtsmacht heeft. Het betreft namelijk een na 10 januari 2015 aanhangig gemaakte burgerlijke of handelszaak en gedaagde in de vrijwaringszaak (WV) heeft woonplaats in een aangesloten lidstaat (Duitsland).
3.5
Op grond van de hoofdregel in artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis moet een gedaagde in beginsel worden opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waar zij woonplaats heeft. In sommige gevallen
moeteen gedaagde toch voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen. Dit is het geval als het gerecht van een andere lidstaat exclusief bevoegd is op grond van artikel 24 Brussel Pro I bis (waar in dit geval geen sprake van is). Of als partijen een exclusieve forumkeuze voor een (ander) gerecht zijn overeengekomen (en artikel 24 Brussel Pro I bis niet van toepassing is).
3.6
In dit geval beroept WV zich op een exclusieve forumkeuze voor de Duitse rechter. Het gerecht van de lidstaat waar zowel [partij 1] als WV ook hun woonplaats hebben. De rechtbank zal éérst nagaan of partijen inderdaad een rechtsgeldige forumkeuze voor de Duitse rechter overeen zijn gekomen. In dat geval is de Nederlandse rechter namelijk niet bevoegd en kan zij haar bevoegdheid ook niet ontlenen aan één van de alternatieve bevoegdheidsgronden uit Brussel I bis.
[partij 1] is niet gebonden aan de forumkeuze voor de Duitse rechter
3.7
WV en [partij 1] zijn het erover eens dat WV in haar verzekeringsvoorwaarden met [onderneming] heeft afgesproken dat alleen de Duitse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil met betrekking tot een vordering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst. Volgens WV geldt dit forumkeuzebeding óók in de rechtsverhouding tussen haar en [partij 1] , hetgeen door [partij 1] wordt betwist.
3.8
Een forumkeuze is geldig als partijen hierover wilsovereenstemming hebben bereikt. Gelet hierop werkt de forumkeuze in beginsel alleen tussen de partijen door wie het forumkeuzebeding tot stand is gebracht. Zij zijn immers degenen tussen wie wilsovereenstemming is bereikt ten aanzien van de bevoegde rechter. [1] Om de forumkeuze aan een derde (in dit geval [partij 1] ) te kunnen tegenwerpen, moet die derde dus met de forumkeuze hebben ingestemd.
3.9
Partijen zijn het erover eens dat [partij 1] niet heeft ingestemd met het forumkeuzebeding. Desondanks kan zij hier tóch gebonden aan zijn als zij overeenkomstig het toepasselijke recht (zoals vastgesteld volgens de regels van internationaal privaatrecht van het aangezochte gerecht) in alle rechten én verplichtingen van de oorspronkelijke contractspartij (in dit geval [onderneming] ) is getreden. [2]
3.1
Hiervan is in dit geval geen sprake. Op grond van Duits recht kan de schuldenaar zich tegenover de nieuwe schuldeiser beroepen op de verweren die hem in de verhouding tot de oud schuldeiser ter beschikking stonden (artikel 404 Bürgerliches Gesetzbuch). Maar dit betekent niet dat [partij 1] op grond van Duits recht als cessionaris in alle verplichtingen van de oorspronkelijk contractspartij is getreden. Uit de cessieovereenkomst volgt ook niet dat [partij 1] in alle verplichtingen van [onderneming] treedt. Dit betekent dat [partij 1] niet is gebonden aan de forumkeuze voor de Duitse rechter.
3.11
Ten overvloede: uit het arrest van het Europese Hof van Justitie uit 2025, waar WV naar verwijst, blijkt dat een cessionaris een beroep op een forumkeuze kan doen, zodra de overdracht van de vordering (aan de cessionaris) ook leidt tot de overgang van de daaraan verbonden rechten (dus niet óók de verplichtingen). [3] Maar dat arrest zag op een andere situatie. Namelijk de situatie waarin de cessionaris zich beroept op een forumkeuzebeding. Maar in dit geval beroept niet de cessionaris ( [partij 1] ), maar de oorspronkelijke medecontractant (WV) zich op het forumkeuzebeding, waardoor het toetsingskader geldt zoals omschreven in randnummer 3.9. [4]
Het toetsingskader: alternatieve bevoegdheidsgronden
3.12
Van een exclusieve bevoegdheidsgrond is dus geen sprake. De rechtbank kan daarom onderzoeken of zij haar bevoegdheid kan ontlenen aan een van de alternatieve bevoegdheidsgronden uit Brussel I bis, op grond waarvan WV voor het gerecht van een andere lidstaat (dan haar woonplaats) kan worden opgeroepen.
3.13
Volgens [partij 1] kan de Nederlandse rechter haar bevoegdheid (ook) ontlenen aan artikel 13 lid 1 Brussel Pro I bis, maar dit artikel is niet van toepassing. Op grond van dit artikel kan de verzekeraar, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering betreft, in vrijwaring worden opgeroepen voor het gerecht van een lidstaat waar de vordering van de getroffene tegen de verzekerde aanhangig is gemaakt. Maar in dit geval heeft [partij 1] geen vordering tegen [onderneming] (verzekerde) ingesteld. Nog los van de vraag of [partij 1] überhaupt als getroffene kan worden aangemerkt.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 8 lid 2 Brussel Pro I bis
3.14
Op grond van artikel 8 lid 2 Brussel Pro I bis kan gedaagde (WV in dit geval) ook worden opgeroepen bij een vordering tot vrijwaring voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt, in dit geval de rechtbank Midden-Nederland. De Nederlandse rechter kan haar bevoegdheid daarom ontlenen aan dit artikel. ASR en AIG hebben immers bij deze rechtbank hun vordering tegen [partij 1] ingesteld.
3.15
Volgens WV is geen sprake van “een vordering tot vrijwaring” zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 Brussel Pro I bis. Daarvan zou volgens WV namelijk alleen sprake zijn als [partij 1] [onderneming] in vrijwaring had opgeroepen. Maar dit standpunt is onjuist. [partij 1] mag WV namelijk in vrijwaring oproepen als zij voldoende heeft onderbouwd dat er een vrijwaringsverplichting rust op WV als [partij 1] in de hoofdzaak geen gelijk krijgt en tot betaling van schadevergoeding aan ASR en AIG wordt veroordeeld. Vandaar dat deze rechtbank in haar vonnis van 24 december 2025 [partij 1] toestemming heeft gegeven om WV in vrijwaring op te roepen. Dat de grondslag nakoming betreft van een gecedeerde vordering doet er niet toe.
3.16
Daarnaast stelt WV dat [partij 1] de vrijwaringsvordering slechts heeft ingesteld om WV te onttrekken aan de bevoegdheid van de Duitse rechter. In dat geval kan de Nederlandse rechter haar bevoegdheid niet ontlenen aan artikel 8 lid 2 Brussel Pro I bis.
3.17
Het klopt dat artikel 8 lid 2 Brussel Pro I bis uitdrukkelijk bepaalt dat een gerecht (een rechtbank) haar bevoegdheid in dat geval niet kan ontlenen aan dit artikel, maar het beroep hierop door WV slaagt niet. Deze uitzondering ziet op misbruik van recht en WV heeft niets gesteld waaruit blijkt dat daarvan sprake is. [5]
WV moet de proceskosten betalen
3.18
WV is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1
wijst de vordering af,
4.2
veroordeelt WV in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als WV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak C/16/607057 / HA ZA 26-86
4.4
verwijst de zaak naar de rol van
19 augustus 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van WV,
4.5
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
EM 5792

Voetnoten

1.HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (
2.HvJ EU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335 (
3.HvJ EU 23 oktober 2025, ECLI:EU:C:2025:827 (
4.HvJ EU 23 oktober 2025, ECLI:EU:C:2025:827 (EB/KP), punt 23.
5.Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0647.