ECLI:NL:RBMNE:2026:4508

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
12041070 \ MC EXPL 26-9
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening reiskostenvergoeding en uitbetaling vakantietoeslag en -uren bij beëindiging arbeidsovereenkomst

De zaak betreft een geschil tussen een bewindvoerder namens een werknemer en diens voormalige werkgever over de verrekening van reiskostenvergoeding, kosten van een tankpas, uitbetaling van resterend loon, vakantietoeslag en openstaande vakantie-uren.

De werknemer was in dienst als Allround Systeembeheerder en ontving naast salaris een reiskostenvergoeding. Hij kreeg een tankpas die onbeperkt werd gebruikt tot deze na vijf maanden werd geblokkeerd. De werkgever hield reiskostenvergoeding in en betaalde geen vakantietoeslag en openstaande vakantie-uren uit.

De kantonrechter oordeelt dat de tankkosten voor rekening van de werkgever zijn en niet mogen worden teruggevorderd. De werkgever mag echter de reiskostenvergoeding voor de periode dat de tankpas werd gebruikt verrekenen. De vakantietoeslag moet volledig worden uitbetaald. Over de openstaande vakantie-uren bestaat onenigheid, waarvoor de werkgever een onderbouwde akte mag indienen, waarna de bewindvoerder kan reageren.

De beslissing over de openstaande vakantie-uren en overige punten wordt aangehouden tot het eindvonnis.

Uitkomst: De werkgever mag de reiskostenvergoeding verrekenen, moet vakantietoeslag en openstaande vakantie-uren uitbetalen, en wordt in de gelegenheid gesteld bewijs over vakantie-uren te leveren; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12041070 \ MC EXPL 26-9
Tussenvonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[beschermingsbewindvoerder] , IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN DE HEER [onderbewindgestelde], hierna te noemen [onderbewindgestelde] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. C.J. Roest (FNV),
tegen
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordig door de heer [gemachtigde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding met 36 producties;
- de conclusie van antwoord met een tegenvordering en producties;
- correspondentie tussen partijen van de zijde van [gedaagde] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. De bewindvoerder en [onderbewindgestelde] waren verschenen, bijgestaan door mr. Roest. Namens [gedaagde] waren aanwezig de heer [gemachtigde] (eigenaar) en de heer [A] (Financiën). Partijen hebben hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken.
1.3
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 8 juli 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[onderbewindgestelde] is op 1 oktober 2023 bij [gedaagde] in dienst gekomen als Allround
Systeembeheerder voor 40 uur per week voor een salaris van laatst € 2.700,00 bruto per
maand. [onderbewindgestelde] ontving naast het salaris elke maand een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer van € 401,96 netto. Op 18 of 19 februari 2025 heeft [onderbewindgestelde] van [gedaagde] een tankpas gekregen, waarvan [onderbewindgestelde] gebruik heeft gemaakt. [gedaagde] heeft de tankpas op
18 juli 2025 geblokkeerd. Op 1 september 2025 is de arbeidsovereenkomst geëindigd.
2.2
[gedaagde] heeft geen eindafrekening opgesteld. Zij heeft de reiskostenvergoeding voor juni 2025 ingehouden op het salaris van juli 2025, de reiskostenvergoeding voor juli 2025 en augustus 2025 niet betaald en de vakantietoeslag voor juli 2025 en augustus 2025 en de openstaande vakantie-uren niet uitbetaald. Bij beschikking van 20 oktober 2021 heeft de kantonrechter voor [onderbewindgestelde] een bewind ingesteld. De bewindvoerder vordert in deze procedure -kort gezegd- een verklaring voor recht dat [gedaagde] de tankkosten en reiskostenvergoeding niet mag verrekenen met of mag inhouden op het loon waar [onderbewindgestelde] recht op heeft en te bepalen dat [gedaagde] de ingehouden en niet betaalde reiskosten, de achterstallige vakantietoeslag en de openstaande vakantie-uren aan [onderbewindgestelde] moet betalen, met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Als [gedaagde] mag verrekenen, vordert de bewindvoerder het na verrekening resterende bedrag.
2.3
[gedaagde] stelt daar tegenover dat zij niet gehouden kan worden om zowel de tankkosten als de vergoeding voor woon-werkverkeer aan [onderbewindgestelde] te betalen. Zij vordert daarom € 2.811,67 aan door haar teveel betaalde reiskosten terug.

3.De beoordeling

3.1
De kantonrechter komt tot het oordeel dat de tankkosten voor rekening van [gedaagde] zijn, dat [gedaagde] de reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer voor de maanden dat [onderbewindgestelde] gebruik kon maken van de tankpas mag verrekenen/inhouden en dat [gedaagde] gehouden is om de vakantietoeslag en openstaande vakantie-uren aan [onderbewindgestelde] uit te betalen. Omdat [gedaagde] de door de bewindvoerder gestelde openstaande vakantie-uren betwist zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om een akte te nemen waar de bewindvoerder nog op mag reageren. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.
Tankpas
3.2
[onderbewindgestelde] heeft van [gedaagde] een tankpas gekregen. Partijen verschillen van mening over de vraag op welk moment [onderbewindgestelde] de tankpas heeft gekregen, maar vaststaat dat [onderbewindgestelde] de tankpas in ieder geval vanaf 19 februari 2025 in zijn bezit heeft gehad en daarvan gebruik kon maken en heeft gemaakt. [onderbewindgestelde] zegt dat [gedaagde] geen beperkingen aan het gebruik van de tankpas heeft opgelegd. Hij mocht de tankpas als extraatje gebruiken tot het (financieel) weer wat beter met hem ging. [gedaagde] betwist dit. [gedaagde] zegt dat zij de tankpas aan [onderbewindgestelde] heeft gegeven, omdat [onderbewindgestelde] door financiële problemen niet altijd naar zijn werk kon komen, [gedaagde] [onderbewindgestelde] als IT’er op het werk nodig had, [onderbewindgestelde] met de tankpas kon tanken en op die manier naar kantoor kon komen. De tankpas is alleen voor het woon-werkverkeer gegeven en dit is ook tegen [onderbewindgestelde] gezegd, aldus [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze afspraak niet onderbouwd. Dat zij met [onderbewindgestelde] een duidelijke afspraak over het gebruik van de tankpas heeft gemaakt en [gedaagde] aan dat gebruik de voorwaarde heeft gesteld dat de tankpas alleen voor woon-werkverkeer mocht worden gebruikt blijkt daardoor nergens uit. Bovendien heeft [gedaagde] , nadat zij constateerde dat de tankpas meer werd gebruikt dan alleen voor woon-werkverkeer, [onderbewindgestelde] niet direct gevraagd de tankpas in te leveren. Pas op 18 juli 2025 en dus vijf maanden nadat de tankpas aan [onderbewindgestelde] is gegeven en onbeperkt door [onderbewindgestelde] werd gebruikt, heeft [gedaagde] de tankpas geblokkeerd. Dit duidt niet op de door [gedaagde] gestelde duidelijke afspraak. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] de tankkosten niet kan terugvorderen en dus niet mag verrekenen. Die kosten zijn voor rekening van [gedaagde] .
Reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer
3.3
De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagde] zo dat nu de kosten die met de tankpas zijn gemaakt voor rekening van [gedaagde] zijn, [gedaagde] meent dat zij de reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer mag verrekenen dan wel mag inhouden. De kantonrechter is dat met [gedaagde] eens. De bewindvoerder stelt dat de tankkosten niets afdoen aan de contractuele verplichting van [gedaagde] om de reiskostenvergoeding te betalen, maar die stelling kan niet slagen. [gedaagde] zou in dat geval namelijk dubbele kosten voor het woon-werkverkeer aan [onderbewindgestelde] moeten betalen en dat kan niet de bedoeling zijn. [onderbewindgestelde] kan geen aanspraak maken op zowel de kosten van de tankpas als de reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer. [gedaagde] mag de betaalde reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer voor de periode dat [onderbewindgestelde] van de tankpas gebruik heeft kunnen maken daarom verrekenen/inhouden.
3.4
[gedaagde] mag de reiskostenvergoeding voor de periode van 19 februari 2025 tot
18 juli 2025 en dus een periode van vijf maanden verrekenen/inhouden. Dit betekent een bedrag van (5 x € 401,96 = ) € 2.009,80.
Vakantietoeslag
3.5
De bewindvoerder maakt aanspraak op betaling van € 432,00 bruto aan vakantietoeslag. Vakantietoeslag is een wettelijk verplichte vergoeding die werknemers ontvangen bovenop hun salaris. Vaststaat dat de vakantietoeslag is verloond, maar door [gedaagde] niet is uitbetaald. [onderbewindgestelde] heeft hier dus nog recht op. Het door de bewindvoerder gevorderde bedrag van € 432,00 bruto heeft [gedaagde] niet weersproken. [gedaagde] zal € 432,00 bruto aan vakantietoeslag moeten betalen.
Openstaande vakantie-uren
3.6
De bewindvoerder maakt ook aanspraak op uitbetaling van de openstaande vakantie-uren met de daarover verschuldigde vakantietoeslag. Als er nog vakantie-uren openstaan, heeft [onderbewindgestelde] recht op uitbetaling daarvan. Dat wordt ook niet door [gedaagde] betwist. [gedaagde] betwist wel de vakantie-uren die volgens de bewindvoerder uitbetaald moeten worden.
3.7
De bewindvoerder stelt dat er 222,64 vakantie-uren open staan en dat [onderbewindgestelde] daarom nog recht heeft op € 3.745,48 bruto zonder vakantietoeslag en € 4.177,48 bruto met vakantietoeslag. De bewindvoerder heeft de berekening van die uren opgenomen in overweging 3.25. van de dagvaarding. Op de loonstrook van december 2024 staat een resterend saldo van 148 uur aan wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren. In 2025 heeft [onderbewindgestelde] acht maanden vakantie-uren opgebouwd. Die opbouw bedraagt 17,33 uur (208 / 12) per maand, bestaande uit 13,33 wettelijke uren en 4 bovenwettelijke uren. Het totaal aan opgebouwde uren in 2025 bedraagt dan 138,64. Van het totaal aantal vakantie-uren heeft [onderbewindgestelde] in 2025 acht dagen en dus 64 uur opgenomen. Het saldo aan openstaande vakantie-uren bedraagt aan de hand van deze berekening volgens [onderbewindgestelde] (148 + 138,64 - 64 =) 222,64.
3.8
[gedaagde] heeft geen verlofoverzicht aan [onderbewindgestelde] ter beschikking gesteld. [onderbewindgestelde] heeft daarom aan de hand van zijn agenda gereconstrueerd welke vakantie-uren hij heeft opgenomen. De bewindvoerder meent dat als [gedaagde] de gestelde openstaande vakantie-uren betwist, [gedaagde] een deugdelijk verlofoverzicht moet aanleveren.
3.9
[gedaagde] betwist dat er 222,64 vakantie-uren openstaan, maar onderbouwt dat vooralsnog niet. [gedaagde] zegt wel een onderbouwing in de vorm van de verlofregistratie uit de salarisadministratie te kunnen en willen aanleveren. De kantonrechter zal [gedaagde] daartoe in de gelegenheid stellen. [gedaagde] mag zich bij akte onderbouwd uitlaten over de vakantie-uren die volgens haar nog openstaan. De bewindvoerder zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om op die akte te reageren.
3.1
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. De beslissing op alle punten zal pas in het vervolgens nog te wijzen eindvonnis worden genomen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
verwijst de zaak naar de rolzitting van
woensdag 29 juli 2026 om 11.00 uur, waarop [gedaagde] de akte als genoemd in overweging 3.9. moet indienen;
4.2
bepaalt dat de bewindvoerder uiterlijk op de rolzitting van
woensdag 19 augustus 2026 om 11.00 uurschriftelijk mag reageren op de akte van [gedaagde] ;
4.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
41264