ECLI:NL:RBMNE:2026:4510

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
12233768 \ UV EXPL 26-121
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot wedertewerkstelling werknemer na non-actiefstelling

De werknemer is sinds 1 juni 2000 in dienst bij ASR en werd op 10 april 2026 op non-actief gesteld vanwege vermeend ondermijnend en escalerend gedrag. De werknemer vordert in kort geding opheffing van deze maatregel en toelating tot zijn werkzaamheden, terwijl ASR een ontbindingsverzoek heeft ingediend.

De kantonrechter beoordeelt in dit kort geding uitsluitend de rechtmatigheid van de non-actiefstelling van 10 april 2026, niet de eerdere schorsing van december 2025 of het ontbindingsverzoek. Uit de procedure blijkt dat de werkgever onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de gedragsproblemen en onvoldoende verslaglegging heeft gedaan van de gesprekken met de werknemer.

De kantonrechter weegt het belang van de werknemer, die vlak voor zijn pensioen staat en lang zonder noemenswaardige problemen heeft gewerkt, zwaarder dan het belang van ASR bij rust op de werkvloer. De non-actiefstelling wordt gezien als een zware maatregel die niet voldoende is onderbouwd. ASR wordt veroordeeld de werknemer binnen 24 uur toe te laten tot zijn werk en een dwangsom opgelegd bij niet-naleving.

Uitkomst: De werknemer wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden en ASR wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12233768 \ UV EXPL 26-121
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.C. Waterink,
tegen
ASR NEDERLAND N.V.,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ASR,
gemachtigde: Mr. P.W.H.M. Willems.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1 tot en met 19,
- de brief van mr. Waterink met producties 21 tot en met 25,
- de productie van ASR, te weten het integrale verzoekschrift in de ontbindingsprocedure.
1.2
Op 24 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De heer [eiser] was aanwezig met zijn gemachtigde. ASR werd vertegenwoordigd door mevrouw [A] ( [functie] ) en mevrouw [B] ( [functie] ), met de gemachtigde van ASR. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota, op elkaars standpunten gereageerd en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Daarna is bepaald dat vonnis wordt gewezen

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] is in dienst bij ASR als [functie] op de afdeling [afdeling] . ASR heeft [eiser] op 10 december 2025 naar huis gestuurd. Nadat mediation tussen partijen niet tot overeenstemming had geleid, heeft ASR [eiser] op 10 april 2026 op non-actief gesteld. [eiser] vordert in deze procedure opheffing van die maatregel. ASR heeft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Zij verzet zich tegen toelating tot het werk. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk omdat ASR voorshands niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onhoudbare situatie die de non-actiefstelling rechtvaardigt. [eiser] kan in redelijkheid ook niet gevergd worden om de behandeling van het ontbindingsverzoek af te wachten. Daarvoor is de periode van 10 april 2026 tot september/oktober 2026 te lang.
2.2
Het oordeel in dit kort geding gaat alleen over de maatregel van 10 april 2026. Het gaat dus niet over de vraag of ASR [eiser] op 10 december 2025 naar huis mocht sturen. Het gaat ook niet over de vraag of de arbeidsovereenkomst ontbonden kan worden. De door ASR gestelde redelijke grond voor ontbinding moet in de ontbindingsprocedure worden beoordeeld. Ook zal in die procedure moeten worden beoordeeld of ASR in de omstandigheden van dit geval een herplaatsingsonderzoek achterwege heeft mogen laten.

3.De achtergrond van de zaak

3.1
[eiser] is op 1 juni 2000 in dienst getreden bij ASR. Hij is werkzaam in de functie van [functie] op de afdeling [afdeling] . Op de arbeidsovereenkomst is de ondernemings-cao van ASR van toepassing. [eiser] is geboren op [geboortedatum] 1963 en is nu dus 63 jaar oud.
3.2
Vanaf januari 2025 heeft mevrouw [B] , de leidinggevende [eiser] , met [eiser] gesprekken gevoerd over de invulling die hij aan zijn laatste werkzame jaren voor zijn pensioen wilde geven. Dit waren informele gesprekken, waarvan geen verslaglegging heeft plaatsgevonden.
3.3
Op 10 december 2025 heeft een gesprek tussen [eiser] en [B] plaatsgevonden. Daarbij was op verzoek van [B] ook een derde persoon als mediator aanwezig. Na afloop van dit gesprek heeft [B] medegedeeld dat [eiser] tot en met 2 januari 2026 werd vrijgesteld van werkzaamheden.
3.4
Bij e-mail van 19 december 2025 heeft [eiser] zich verzet tegen de non-actiefstelling/afkoelingsperiode en heeft hij gemeld op 5 januari 2026 gewoon weer aan het werk te willen.
3.5
Op 5 januari 2026 heeft - in verband met de winterse weersomstandigheden via Teams - een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , [B] , [A] en de heer [C ] (adjunct directeur [functie] . Van dit gesprek is een (eenzijdig) verslag opgesteld door ASR. Volgens dat verslag is toen namens ASR gezegd dat de houding [eiser] voor haar onacceptabel was. Het verslag maakt melding van een aantal voorbeelden, te weten: disrespectvol gedrag naar de leidinggevende, waar wel excuses voor zijn aangeboden, maar wat vervolgens daarna weer plaatsvond, collega’s niet laten uitspreken, uitlachen, dreigen met ziekmelding, weglopen uit een overleg met de melding een burn-out te hebben, geen dingen willen doen waar geen waardering voor is en klantgesprekken afzeggen. Ook is aangegeven dat dit gedrag synchroon liep met de gesprekken die [B] met [eiser] had gehad over de invulling van zijn laatste jaren bij ASR voorafgaand aan zijn pensioen.
3.6
[eiser] heeft zich vervolgens ziek gemeld.
3.7
Bij brief van 15 januari 2026 heeft de gemachtigde [eiser] ASR gesommeerd om [eiser] uiterlijk 20 januari 2026 te laten weten dat de vrijstelling van werkzaamheden met onmiddellijke ingang zou worden opgeheven en dat [eiser] weer zou worden toegelaten tot zijn eigen werkzaamheden. Daarop heeft een e-mail wisseling plaatsgevonden waarin [eiser] werd uitgenodigd op het spreekuur bij de bedrijfsarts en waarbij ASR zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een non-actiefstelling.
3.8
Op basis van de terugkoppeling van de bedrijfsarts is een interventieperiode van twee weken in acht genomen en is op advies van de bedrijfsarts mediation ingezet.
3.9
Na afloop van de mediation heeft de gemachtigde [eiser] bij brief van 3 april 2026 aangegeven dat [eiser] voor baanbehoud ging en zijn werkzaamheden weer wilde hervatten.
3.1
Met een brief van 10 april 2026 heeft ASR [eiser] op non-actief gesteld. In de brief wordt dat – kort samengevat – als volgt gemotiveerd:
  • Vanaf begin 2025 vertoont [eiser] ondermijnend, escalerend en ontregelend gedrag jegens zijn leidinggevende [B] en zijn collega’s.
  • Het gedrag leek voort te komen uit onvrede over de invulling van zijn positie binnen ASR.
  • [B] en de collega’s hebben last van dit gedrag en [B] heeft met [eiser] meerdere gesprekken gevoerd daarover, en aangegeven dat dit moest veranderen.
  • [eiser] beloofde tijdens die gesprekken beterschap, maar verviel daarna toch steeds weer in hetzelfde gedrag.
  • ASR heeft meerdere interventies ingezet, maar die hebben de situatie niet opgelost.
  • In de vervolgens ontstane situatie bestaat geen mogelijkheid voor [eiser] om werkzaam te blijven in zijn huidige functie in zijn huidige team.
  • Omdat sprake is van gedragsproblematiek en gebrek aan zelfinzicht bij [eiser] vindt ASR een functie elders binnen haar organisatie niet reëel, zodat herplaatsing niet aan de orde is.
3.11
[eiser] heeft geprotesteerd tegen de non-actiefstelling en heeft, toen ASR voet bij stuk hield, op 17 april 2026 dit kort geding aangekondigd. ASR heeft kort voor de zitting een ontbindingsverzoek ingediend. De mondeling behandeling van dat verzoek is gepland op 23 september 2026.
3.12
[eiser] vordert in dit kort geding - samengevat - dat ASR wordt veroordeeld om [eiser] binnen 24 uur na dagtekening van dit vonnis en zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd, toe te laten tot het verrichten van zijn werzaamheden in de functie van [functie] op de afdeling [afdeling] en hem fysiek toegang te verschaffen tot het kantoorgebouw van ASR in Utrecht, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of dagdeel dat ASR hieraan niet voldoet, met veroordeling van ASR in de proceskosten.
4 De beoordeling
Het toetsingskader in kort geding en het spoedeisend belang
4.1
In een kort geding kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak) die is of zal worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt, in dit geval [eiser] , hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2
Gelet op de aard van de vordering heeft [eiser] een spoedeisend belang. Het gaat namelijk om een vordering tot toelating tot het werk. De spoedeisendheid ligt in een dergelijke vordering besloten.
4.3
De kantonrechter oordeelt in dit kort geding alleen over de maatregel van 10 april 2026. Het gaat in deze procedure dus niet om de vraag of ASR [eiser] op 10 december 2025 naar huis mocht sturen. Het gaat ook niet om de vraag of de arbeidsovereenkomst ontbonden kan worden. In de ontbindingsprocedure zal de gestelde redelijke grond en het achterwege laten van een herplaatsingsonderzoek moeten worden beoordeeld.
Voor de beoordeling van de vraag of ASR [eiser] weer tot het werk moet toelaten moet een belangenafweging plaatsvinden
4.4
De vraag of een werkgever gehouden is om een werknemer in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden uit te voeren moet worden getoetst aan de norm van goed werkgeverschap van artikel 7:611 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Goed werkgeverschap brengt mee dat een werkgever een werknemer in beginsel in de gelegenheid moet stellen de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. Een werknemer heeft daarbij een zwaarwegend belang. Werken is belangrijk voor het ontwikkelen en bijhouden van vaardigheden, sociale contacten, zingeving en het behoud van de positie op de arbeidsmarkt. Een schorsing of non-actiefstelling is een zware maatregel, die ook zichtbaar is voor derden. Dat kan een werknemer schade berokkenen, zowel tijdens zijn dienstverband als daarna, bijvoorbeeld bij het solliciteren naar een andere functie.
4.5
Alleen als de werkgever een redelijke, voldoende zwaarwegende grond heeft om van dit uitgangspunt af te wijken, kan hij besluiten om de werknemer niet tot het werk toe te laten. Van belang voor de beoordeling zijn in dit verband de aard van de arbeidsovereenkomst, de overeengekomen arbeid en de bijzondere omstandigheden van het geval. Daarbij moet de vrijheid van de werkgever om de organisatie in te richten naar eigen wensen worden afgewogen tegen het gerechtvaardigde belang van een werknemer bij tewerkstelling.
4.6
[eiser] heeft ongeveer vijfentwintig jaar goed gefunctioneerd. Uit hoofde van zijn functie behandelde hij zelfstandig reïntegratiedossiers van arbeidsongeschikte werknemers. Daarvoor onderhield hij contacten met werkgevers, werknemers en leveranciers van reïntegratiediensten. [eiser] werkte sinds het einde van de corona-crisis één dag in de week op kantoor en de overige dagen thuis. Noemenswaardige problemen hebben zich voor januari 2025 niet voorgedaan. De relatie tussen [B] en [eiser] was ook goed. Vanaf januari 2025 zijn [B] en [eiser] informele gesprekken gaan voeren over de invulling van het dienstverband tot aan het pensioen. Het staat vast dat zij het tijdens die gesprekken ook hebben gehad over de houding en het gedrag [eiser] . Partijen zijn het niet eens over de precieze inhoud van hun gesprekken. Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van ASR gelegen om voor een duidelijke verslaglegging te zorgen van serieuze verbeterpunten, ook als die verbeterpunten alleen op ‘zachte competenties’ zoals houding en gedrag zagen. In dit kort geding wordt de stelling [eiser] , dat hij niet heeft gesnapt wat hij nu precies fout deed en hoe zwaar zijn houding en gedrag hem werden aangerekend, tegen de achtergrond van een lang dienstverband zonder noemenswaardige problemen, voorshands als juist aanvaard. [eiser] wilde graag promotie maken. Volgens zijn verklaring tijdens de behandeling van dit kort geding heeft hij daar nooit een duidelijk antwoord op gehad. Dat past bij zijn stelling dat hij niet heeft begrepen wat hij nu precies fout deed. In dit kort geding kan voorshands niet worden aangenomen dat ASR aan [eiser] voldoende mogelijkheden heeft geboden om zijn houding en gedrag op het gewenste niveau te brengen.
4.7
Dat de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels behoorlijk onder druk staat, dat is in dit kort geding wel duidelijk geworden. Dat [eiser] daarin ook zelf een aandeel heeft gehad ook. Aankondigingen van ‘strategische ziekmelding’, ook al is dat in de context van een reïntegratie-afdeling, en in het algemeen een opstandige en ‘in alles teleurgestelde’ houding zijn niet bevorderlijk voor de sfeer binnen het team en ook niet voor de relatie met de leidinggevende. Het staat vast dat [eiser] regelmatig heeft erkend dat hij fout zat, zijn excuses heeft aangeboden, maar later toch weer in hetzelfde gedrag is vervallen. Het staat ook vast dat hij de ernst van de situatie nu wel begrepen heeft, al snapt hij nog steeds niet wat hij precies fout deed. Op de vraag van de kantonrechter tijdens de zitting of [eiser] , als zijn vordering zou worden toegewezen, bereid zou zijn de aanwijzingen van ASR op te volgen, antwoordde [eiser] dat hij dat zou doen ‘als die aanwijzingen terecht waren’. Met een dergelijk voorbehoud heeft [eiser] geen groot vertrouwen in zijn leidinggevende uitgesproken, maar zijn antwoord betekent ook niet per definitie dat hij geen leiding meer zal aanvaarden. Daar komt bij dat de leidinggevende binnenkort een sabbatical van enkele maanden gaat genieten en dat zij tijdens haar afwezigheid zal worden vervangen door een ander.
4.8
Voor de non-actiefstelling van 10 april 2026 geldt dat die geen duidelijke aanleiding had, anders dan dat [eiser] op 3 april 2026 had aangegeven dat hij voor baanbehoud zou gaan. ASR heeft met de non-actiefstelling feitelijk een voorschot genomen op de ontbindingsprocedure en iedere weg terug binnen haar organisatie daarmee willen afsnijden. ASR stelt dat de non-actiefstelling gerechtvaardigd is omdat de aanwezigheid [eiser] op de werkvloer onrust brengt bij zijn leidinggevende en de collega’s uit zijn team. Of, en zo ja in welke mate daarvan sprake is, dat is in dit kort geding lastig vast te stellen, nu beide partijen verklaringen hebben overgelegd van collega’s om hun standpunt te ondersteunen. In een kort geding is geen ruimte voor nadere bewijslevering. Op grond van het dossier en de toelichting van partijen op de zitting oordeelt de kantonrechter voorshands dat het belang [eiser] , die vlak voor zijn pensioen zit en lang en probleemloos voor ASR heeft gewerkt, om weer te worden toegelaten en alles op alles te stellen om zijn baan te kunnen behouden, zwaarder weegt dan het belang van ASR bij rust op de werkvloer. ASR moet in staat worden geacht om de werkzaamheden zo te organiseren dat [eiser] weer dossiers kan behandelen zonder dat andere werknemers daarvan de dupe worden. Daarbij dient ASR aan [eiser] concrete aanwijzingen te geven voor wat betreft houding en gedrag. [eiser] mag worden verwacht dat hij in ieder geval tot aan de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek die aanwijzingen van ASR opvolgt. Het is overigens opmerkelijk dat ASR na 10 april 2026 ruim twee en halve maand heeft gewacht met het indienen van een ontbindingsverzoek. Dat rijmt niet met de urgentie die ASR kennelijk wel stelt te hebben bij de non-actiefstelling.
De vordering [eiser] zal worden toegewezen
4.9
Alles bij elkaar genomen is de kantonrechter van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel [eiser] uitvalt en de vordering [eiser] zal daarom worden toegewezen.
4.1
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, maar zal ook worden beperkt en gemaximeerd als hierna in het dictum is opgenomen.
4.11
ASR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.102,00
4.12
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.13
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard zoals verzocht. Dat betekent dat partijen direct aan het vonnis moeten voldoen, ook als één van partijen in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
veroordeeld ASR om [eiser] binnen 24 uur na dagtekening van dit vonnis en zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd, toe te laten tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de functie van [functie] Advies op de afdeling [afdeling] en hem fysiek toegang te verschaffen tot het kantoorgebouw van ASR in Utrecht,
5.2
veroordeelt ASR om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.3
veroordeelt ASR in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ASR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
veroordeelt ASR tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.