ECLI:NL:RBMNE:2026:4515

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
12139513 \ MC EXPL 26-1395
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 71 lid 1 RvArt. 195 RvArt. 196 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij vordering onbepaalde waarde boven €25.000

Eisers hebben gedaagde opdracht gegeven voor ontwerp, omgevingsvergunning en bouwbegeleiding van hun woning. Zij stellen dat gedaagde tekort is geschoten en vorderen herstelwerkzaamheden, een verklaring voor recht en verwijzing naar schadestaatprocedure.

Gedaagde voert een bevoegdheidsincident aan omdat de vordering vermoedelijk hoger is dan €25.000, waardoor de kantonrechter niet bevoegd zou zijn. Eisers betwisten dit en stellen dat de schade nog niet vaststaat en daarom de vordering onbepaald is.

De kantonrechter oordeelt dat bij een vordering van onbepaalde waarde de kantonrechter alleen bevoegd is als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vordering niet hoger is dan €25.000. Die aanwijzingen ontbreken hier, mede door een rapport waaruit ernstige gebreken en vermoedelijk hoge herstelkosten blijken.

Eisers betogen dat het een consumentenkoop betreft, maar dit wordt verworpen omdat het een overeenkomst van opdracht betreft. Daarom is de kantonrechter onbevoegd en verwijst de zaak naar de handelskamer.

De proceskosten van het incident worden aan eisers opgelegd. Partijen worden gewezen op de noodzaak van advocaatvertegenwoordiging en het verschuldigde griffierecht na verwijzing.

Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de handelskamer wegens vermoedelijke vordering boven €25.000.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12139513 \ MC EXPL 26-1395
Vonnis in incident van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak in conventie,
verwerende partijen in de hoofdzaak in reconventie,
eisende partijen in het incident van artikel 196 Rv Pro,
verwerende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
gemachtigde: mr. Tj. Rosbach, werkzaam bij Pro-Justitia.ch,
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie,
eisende partij in de hoofdzaak in reconventie,
verwerende partij in het incident van artikel 196 Rv Pro,
eisende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.M. Aarts.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026, met een incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv (de kantonrechter begrijpt: artikel 195 Rv Pro), met producties;
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in het incident van artikel 195 Rv Pro, tevens conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties;
- de akte van uitlating inzake exceptie van onbevoegdheid
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eisers c.s] heeft [gedaagde] opdracht gegeven tot het vervaardigen van een ontwerp voor zijn woning, het verzorgen van de omgevingsvergunning en het verrichten van bouwbegeleiding. [eisers c.s] stelt dat [gedaagde] hierbij is tekortgeschoten en hij aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. In de hoofdzaak vordert [eisers c.s] een verklaring voor recht, verwijzing naar de schadestaatprocedure en veroordeling van [gedaagde] tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden. [gedaagde] heeft een incident opgeworpen. Hij vindt dat de kantonrechter niet bevoegd is, omdat de vordering van [eisers c.s] het bedrag van € 25.000,- overstijgt. [eisers c.s] is het hier niet mee eens. Het gelijk ligt bij [gedaagde] . De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de handelskamer.

3.De beoordeling in het bevoegdheidsincident

3.1
In het bevoegdheidsincident vordert [gedaagde] dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart van de zaak kennis te nemen.
3.2
Aan zijn vordering legt [gedaagde] ten grondslag dat duidelijk is dat de vordering van [eisers c.s] het bedrag van € 25.000,- overstijgt, zodat de kantonrechter op grond van artikel 93 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet bevoegd is.
3.3
[eisers c.s] is het hier niet mee eens. Hij meent dat er op dit moment nog geen sprake is van een bepaalbare vordering van meer dan € 25.000,-. De omvang van de schade staat volgens hem nog niet vast en daarom heeft hij een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd.
3.4
De hiervoor onder randnummer 2.1 genoemde vorderingen van [eisers c.s] zijn van onbepaalde waarde. Anders dan [eisers c.s] meent, gaat het er in zo’n geval niet om of er sprake is van een bepaalbare vordering van meer dan € 25.000,-. Artikel 93 aanhef Pro en sub b Rv bepaalt namelijk dat bij een vordering van onbepaalde waarde de kantonrechter bevoegd is als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-. Die aanwijzingen zijn er in deze zaak niet. [eisers c.s] stelt zelf dat de omvang van zijn schade nog niet vaststaat. Daarmee staat dus de mogelijkheid open dat zijn schade (en daarmee de waarde van zijn vorderingen) meer dan € 25.000,- zal belopen. [gedaagde] heeft daarnaast onweersproken aangevoerd dat uit het door [eisers c.s] overgelegde rapport zeer ernstige gebreken volgen (bijvoorbeeld aan het dak, gevels en kozijnen) en dat de herstelkosten het bedrag van
€ 25.000,- zeer waarschijnlijk zullen overschrijden.
3.5
[eisers c.s] benadrukt in zijn akte dat het geschil een consumentrechtelijk karakter heeft, omdat hij als natuurlijk persoon handelde ten behoeve van zijn privéwoning. Voor zover [eisers c.s] daarmee tracht te betogen dat de kantonrechter op grond van artikel 93 sub c Rv Pro bevoegd is, omdat er sprake is van een consumentenkoopovereenkomst, dan slaagt dit niet. Er is tussen partijen namelijk geen sprake van een consumentenkoopovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht.
3.6
Omdat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen van [eisers c.s] geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,- (en er ook geen sprake is van consumentenkoop) is de kantonrechter niet bevoegd van de zaak kennis te nemen. De kantonrechter verwijst de zaak daarom naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer) van deze rechtbank (artikel 71 lid 1 Rv Pro).
3.7
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [eisers c.s] , omdat hij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [gedaagde] worden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer van de afdeling civiel recht) van deze rechtbank, zittingsplaats Lelystad;
4.2
verwijst de zaak daartoe naar de civiele rol van de handelskamer van
woensdag 5 augustus 2026om 10:00 uur;
4.3
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat;
4.4
wijst [eisers c.s] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht is verschuldigd van € 341,00 en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [eisers c.s] van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies ontvangt;
4.5
wijst [gedaagde] erop dat na verwijzing een griffierecht is verschuldigd van € 341,00 en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [gedaagde] een nota met betaalinstructies ontvangt van het LDCR;
4.6
wijst [gedaagde] erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging, dan wel
- een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging);
4.7
veroordeelt [eisers c.s] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde;
4.8
verklaart de proceskostenveroordeling onder 4.7 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
45353