Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de nadere producties van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , ingekomen op 24 december 2025.
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen terugbetaling van geldleningen die zij stellen aan gedaagde te hebben verstrekt. Zij baseren hun vorderingen op een schriftelijke overeenkomst en correspondentie, maar gedaagde betwist de leningen en stelt dat deze aan een derde, [A], zijn verstrekt.
De kantonrechter oordeelt dat eisers onvoldoende hebben aangetoond dat de geldleningen aan gedaagde zijn verstrekt. De overgelegde schriftelijke overeenkomst is niet ondertekend door gedaagde en de bewijslast voor de echtheid van de handtekening rust op eisers, die hierin niet slaagden. Daarnaast blijkt uit eerdere procedures dat de overeenkomst niet met gedaagde maar met [A] is gesloten.
Ook overige stukken, zoals WhatsApp-berichten en e-mails, wijzen erop dat de leningen aan [A] zijn verstrekt. Het enkele feit dat bedragen via [A] aan gedaagde zijn doorbetaald, maakt hem niet partij bij de leningsovereenkomsten.
Eisers hebben een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar dit is onvoldoende concreet en niet onderbouwd. Daarom wordt het bewijsaanbod gepasseerd. De gevorderde terugbetaling, rente en incassokosten worden afgewezen. Eisers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De gevorderde terugbetaling van geldleningen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat leningen aan gedaagde zijn verstrekt.