ECLI:NL:RBMNE:2026:4523

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/16/26/233 F
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FwArt. 3 EU InsolventieverordeningArt. 6 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillietverklaring van besloten vennootschap wegens betalingsonmacht en negatieve jaarrekening

De besloten vennootschap [verweerster] B.V. is door de rechtbank Midden-Nederland failliet verklaard op verzoek van [verzoekster] B.V. De procedure startte met een verzoekschrift ingediend op 24 maart 2026, waarbij [verzoekster] een vordering van € 2.220,84 had op [verweerster], voortvloeiend uit een verstekvonnis van oktober 2025.

Tijdens de zitting verscheen alleen de advocaat van [verzoekster]; [verweerster] was niet aanwezig. Na de zitting overhandigde [verzoekster] aanvullende stukken, waaronder correspondentie over een betalingsregeling waarbij [verweerster] tweewekelijks € 250 zou betalen, maar deze regeling niet nakwam. De bestuurder van [verweerster] was niet bereikbaar op het woonadres.

De rechtbank oordeelde dat, hoewel er geen bekende steunvordering was, uit de negatieve jaarrekening 2024 en de gestegen kortlopende schulden bleek dat [verweerster] meerdere schuldeisers onbetaald liet. Dit, gecombineerd met het niet nakomen van de betalingsregeling, voldeed aan de voorwaarden van artikel 6 lid 3 Faillissementswet Pro voor faillietverklaring. De rechtbank benoemde een rechter-commissaris en curator en gaf de curator bevoegdheden tot het openen van post gericht aan de gefailleerde.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de besloten vennootschap failliet wegens het niet nakomen van betalingsverplichtingen en een negatieve financiële situatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Toezicht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/26/233 F
Vonnis op grond van artikel 1 Fw Pro (verzoek tot faillietverklaring)
d.d. 9 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
hierna: [verzoekster] ,
advocaat mr. S.A.C.A. van Vloten,
tegen
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: [verweerster] .

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoekschrift tot faillietverklaring van [verweerster] op 24 maart 2026 bij de rechtbank ingediend.
1.2.
Ter zitting is verschenen en gehoord mr. S.A.C.A. van Vloten, voornoemd. Namens [verweerster] B.V., is hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen.
1.3.
[verzoekster] heeft na de zitting nog enkele stukken overgelegd, waaronder verschillende exploten en correspondentie tussen [verzoekster] en [verweerster] over een betalingsregeling.

2.De beoordeling

2.1.
Nu niet is gesteld of gebleken dat het centrum van de voornaamste belangen van verweerster zich in een andere lidstaat bevindt dan die waarin de plaats van haar statutaire zetel is gelegen, gaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 3 van Pro de EU Insolventieverordening uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
2.2.
[verzoekster] heeft aan het faillissementsverzoek ten grondslag gelegd dat zij een totaalbedrag van € 2.220,84 (te vermeerderen met rente en kosten van de faillissementsaanvrage) te vorderen heeft [verweerster] . De vordering vloeit voort uit een verstekvonnis van 29 oktober 2025.
2.3.
Uit de door [verzoekster] overgelegde stukken volgt dat [verzoekster] en [verweerster] een betalingsregeling hadden afgesproken, waarbij [verweerster] elke twee weken een bedrag van € 250,00 zou voldoen. Nu [verweerster] niet in staat was de gehele vordering te kunnen voldoen. Tevens heeft [verzoekster] de bestuurder van [verweerster] laten oproepen op zijn woonadres. De deurwaarder trof niemand aan op dit woonadres.
2.4.
Hoewel er geen bekende steunvordering is, voert [verzoekster] aan dat [verweerster] wel meerdere schulden onbetaald laat. [verzoekster] wijst op de laatst gedeponeerde jaarrekening over 2024. Daaruit volgt dat het eigen vermogen negatief is en de kortlopende schulden ten opzichte van 2023 fors zijn gestegen. Kortom, [verweerster] laat ook andere schuldeisers onbetaald, aldus [verzoekster] .
2.5.
Artikel 6, derde lid, van de Faillissementswet bepaalt dat de rechter op verzoek van [verzoekster] een faillissement uitspreekt als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet [verzoekster] een vorderingsrecht hebben. Ten tweede moet worden vastgesteld of [verweerster] is opgehouden te betalen. Dit vereist dat er in ieder geval meerdere schuldeisers zijn. Daarnaast moeten er ook andere omstandigheden zijn waaruit blijkt dat de [verweerster] is opgehouden te betalen.
2.6.
Nu er geen bekende steunvordering is, kan het bestaan van die toestand en de pluraliteit slechts worden afgeleid uit andere bijkomende omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank moet in dit geval worden aangenomen dat summierlijk is gebleken dat [verweerster] is opgehouden te betalen, omdat [verweerster] de afgesproken betalingsregeling niet nakomt in combinatie met het feit dat het eigen vermogen op de jaarrekening negatief is. Daarnaast blijkt uit de jaarrekening dat dat [verweerster] andere schulden heeft die zij onbetaald laat en er dus sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Gelet hierop zal [verweerster] in staat van faillissement worden verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart
besloten vennootschap
[verweerster] B.V.,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd [vestigingsplaats 2] ,
vestigingsadres: [postcode] [vestigingsplaats 2] , [adres] ,
handelend onder de naam [internetsite 1] ,
handelend onder de naam [internetsite 2] ,
handelend onder de naam [internetsite 3] ,
handelend onder de naam [internetsite 4] ,
in staat van faillissement,
3.2.
benoemt tot rechter-commissaris mr. R.W.J. van Veen, lid van deze rechtbank, en stelt aan tot curator mr. J.M. van den Berkmortel, advocaat te Utrecht, telefoonnummer
030-2320800,
3.3.
geeft de curator last tot het openen van de aan gefailleerde gerichte brieven.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 te 10:42 uur.