Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[belanghebbende 2],
Rechtbank Midden-Nederland
Op 22 april 2026 diende een 17-jarige minderjarige een verzoek in bij de rechtbank Midden-Nederland om handlichting te verkrijgen. Dit verzoek hield in dat hij zelfstandig mocht toetreden als vennoot aan een vennootschap onder firma (V.O.F.) en rechtshandelingen mocht verrichten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van deze onderneming.
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 juni 2026 waren zowel de minderjarige als zijn ouders aanwezig. De ouders, tevens eigenaren van de V.O.F., gaven hun instemming met het verzoek. De kantonrechter stelde vast dat de minderjarige de leeftijd van zestien jaar had bereikt en voldoende in staat was om de gevraagde rechtshandelingen te verrichten.
De kantonrechter verleende daarom handlichting tot het moment waarop de minderjarige meerderjarig wordt. Hierbij werd benadrukt dat de handlichting niet strekt tot het beschikken over registergoederen, effecten en door hypotheek gedekte vorderingen. Tevens werd bepaald dat de beschikking bekendgemaakt moet worden in de Staatscourant en het handelsregister, waarbij de griffier zorg draagt voor de publicatie in de Staatscourant en de minderjarige zelf verantwoordelijk is voor de inschrijving in het handelsregister.
De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door kantonrechter M.A.A.T. Engbers. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na uitspraak, uitsluitend via een advocaat.
Uitkomst: Handlichting verleend aan minderjarige voor toetreding als vennoot aan V.O.F. en het verrichten van noodzakelijke rechtshandelingen tot meerderjarigheid.