ECLI:NL:RBMNE:2026:4526

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2610067:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek dwangakkoord bij één weigerende schuldeiser in schuldsanering

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 4 juni 2026 het verzoek van een schuldenaar tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. De schuldenaar, die een WIA-uitkering ontvangt en 80-100% arbeidsongeschikt is, bood haar schuldeisers een schuldregeling aan waarbij 7,15% van de vordering werd aangeboden. Drie van de vier schuldeisers gingen akkoord, maar één schuldeiser, met een vordering van 62,75% van de totale schuld, weigerde.

De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, waarbij werd gekeken naar de belangen van de schuldeiser en de schuldenaar. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar en het feit dat het aanbod het maximaal haalbare was, oordeelde de rechtbank dat het belang van de schuldenaar zwaarder woog dan dat van de schuldeiser. Bovendien zou bij een wettelijke schuldsaneringsregeling waarschijnlijk niets aan de schuldeisers worden uitgekeerd.

De rechtbank beval de schuldeiser om in te stemmen met het akkoord en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en schuldeiser wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2610067:R-RK
Uitspraakdatum: 11 juni 2026
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord)
op het verzoek van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
tegen
[bedrijf],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [bedrijf] .

1.De procedure

1.1
[verzoekster] heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw.
1.2
Het verzoek is behandeld op de zitting van donderdag 4 juni 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] ;
- [A.] , namens Gemeenschappelijke Regeling Werk en Inkomen [locatie] ;
- [B.] , namens [bewindvoerder] .

2.De feiten

2.1
[verzoekster] is alleenstaand. Zij ontvangt een WIA-uitkering. [verzoekster] heeft vier schuldeisers die in totaal € 15.540,04 van haar te vorderen hebben.
2.2
[verzoekster] heeft op 17 maart 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Het aanbod was destijds 7,15% (saneringskrediet) aan de concurrente schuldeisers.
2.3
De onder 2.2 bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [bedrijf] geaccepteerd.
2.4
[bedrijf] heeft een vordering van € 9.751,94. Dit was ten tijde van het aanbod 62,75% van de totale schuldenlast. [bedrijf] is niet akkoord gegaan met het aanbod. [bedrijf] heeft aangegeven dat zij [verzoekster] genoeg heeft geholpen en tegemoet is gekomen met het afspreken van een betalingsregeling en het inschakelen van begeleiding voor financiële hulp.

3.De beoordeling

3.1
Het uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een volledige uitkering, staat het belang van [bedrijf] vast.
3.2
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [bedrijf] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoekster] en/of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij moet, als de rechtbank daaraan toekomt, een vergelijking worden gemaakt met de situatie dat op [verzoekster] de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.
3.3
Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of [bedrijf] in redelijkheid tot de weigering kon komen, gekeken moeten worden naar de inhoud van de schuldenregeling. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het aangeboden akkoord in beginsel aan de eisen die aan een dergelijk akkoord mogen worden gesteld.
3.4
Het aanbod dat door [verzoekster] is gedaan, is naar oordeel van de rechtbank, het maximaal haalbare. Gezien de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] , zoals haar gezondheidsklachten. [verzoekster] is door het UWV 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Het is niet de verwachting dat zij meer zal kunnen gaan aflossen aan haar schuldeisers. Het is voor [verzoekster] ook van belang dat zij buiten het wettelijke traject om haar schulden kan regelen in een afzienbare periode, wat in overeenstemming is met wat de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.
3.5
De rechtbank zal het aanbod vergelijken met hetgeen schuldeisers in geval van een wettelijke schuldsaneringsregeling kunnen ontvangen. In de wettelijke schuldsanering is het zeer aannemelijk dat de schuldeisers niets van hun vordering zullen ontvangen. Bij de wettelijke schuldsanering is er ook nog sprake van de kosten van het salaris van de saneringsbewindvoerder.
3.6
Alles overziend is de rechtbank dan ook van oordeel dat het belang van [verzoekster] om haar schulden te saneren zwaarder weegt dat de belangen van [bedrijf] . Het verzoek zal worden toegewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
beveelt [bedrijf] in te stemmen met de onder 2.2 bedoelde schuldregeling,
4.2
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026. [1]