ECLI:NL:RBMNE:2026:4536

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
16.000022.26 e.v.
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging diefstallen, vernielingen, mishandelingen en gevaar veroorzaken op de weg

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten waaronder diefstal, poging tot diefstal met geweld, vernieling, mishandeling, gevaar veroorzaken op de weg en het verlaten van de plaats van een verkeersongeval.

De verdachte heeft de feiten grotendeels bekend en de rechtbank heeft deze bewezen verklaard. De feiten vonden plaats tussen december 2024 en december 2025, met onder meer diefstal van voertuigen, vernielingen aan panden en eigendommen, mishandeling van slachtoffers en gevaarlijk rijgedrag. De verdachte verkeerde ten tijde van de feiten in een onttrekkingspsychose door GHB-verslaving, wat mede is meegewogen in de strafoplegging.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 365 dagen opgelegd, waarvan 167 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden waaronder een klinische opname en reclasseringstoezicht. Daarnaast is een voorwaardelijke geldboete van €500 opgelegd voor de overtreding van de Wegenverkeerswet. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn grotendeels toegewezen, met schadevergoedingen voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een voorwaardelijke geldboete van €500.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16.000022.26, 16.232531.25 (t.t.z. gevoegd) en 16.144068.26 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [verdachte] 1998 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 6 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. S. Lanning;
  • de advocaat van de verdachte: mr. R. Dijkstra;
  • de benadeelde partij: [slachtoffer 1] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Parketnummer 16-000022-26
feit 1op 31 december 2025 in Amersfoort een auto van [benadeelde 1] heeft gestolen;
feit 2op 31 december 2025 in Amersfoort met geweld heeft geprobeerd een scooter van
[benadeelde 2] te stelen;
feit 3op 31 december 2025 in Amersfoort met geweld heeft geprobeerd een auto van
[benadeelde 3] te stelen;
feit 4op 31 december 2025 in Amersfoort heeft geprobeerd een auto van [benadeelde 4] te stelen;
feit 5in de periode van 28 december 2025 tot en met 31 december 2025 in [plaats] ruiten, deuren en gevels van panden gelegen aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] , toebehorende(n) aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] , heeft vernield en een telefoon en/of scooter van [benadeelde 2] heeft beschadigd;
feit 6op 29 december 2025 in Amersfoort [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
feit 7op 31 december 2025 in Amersfoort als bestuurder van een auto gevaar heeft veroorzaakt op de Berkelweg en de Noorderwierweg;
feit 8op 31 december 2025 in Amersfoort als bestuurder van een auto een verkeersongeval heeft veroorzaakt en de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat hij schade had toegebracht aan [benadeelde 9] ;
Parketnummer 16-232531-25
Hierna te noemen:
feit 9
op 1 december 2024 in [plaats] goederen heeft gestolen bij de Albert Heijn op de [adres 4] ;
Parketnummer 16-144068-26
Hierna te noemen:
feit 10
op 29 december 2025 in [plaats] in de woning gelegen aan de [adres 5] , toebehorende aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , is binnengedrongen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 10 heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen feiten 1 tot en met 10 [1]
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 tot en met 10 heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
Bewijsmiddelen feit 1
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 31 december 2025, genummerd 251231-623-180, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 24 tot en met 26.
Bewijsmiddelen feit 2
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] van 3 januari 2026, genummerd PL0900-2026002748-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 40 en 41.
Bewijsmiddelen feit 3
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 3] van 15 januari 2026, genummerd PL0900-2025445904-36, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 71 en 72;
Bewijsmiddelen feit 4
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] van 22 januari 2026, genummerd PL0900-2026015725-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 57 en 58;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met beelden en omschrijvingen van de beelden van 2 januari 2026, genummerd PL0900-2025445904, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 210;
Bewijsmiddelen feit 5
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] van 31 december 2025, genummerd PL0900-2025446050-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 21 en 22;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] van 28 december 2025, genummerd PL0900-2026005864-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 44 en 45;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] van 3 januari 2026, genummerd PL0900-2026002748-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 40 en 41.
Bewijsmiddelen feiten 6 en 10
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van
[slachtoffer 2] van 4 januari 2026, genummerd 260105-1584-608, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 34 tot en met 37;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 4 januari 2026, genummerd PL0900-2026003101-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 47 tot en met 49;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met beelden en omschrijvingen van de beelden van 9 januari 2026, genummerd 2026003101 2026005080
2026004963, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 245 tot en met 248.
Bewijsmiddelen feit 7
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 31 december 2025, genummerd 251231-623-789, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 84 en 85.
Bewijsmiddelen feit 8
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 9] van 1 januari 2026, genummerd PL0900-2026000870-3, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 31.
Bewijsmiddelen feit 9 [2]
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 6 juli 2026;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte namens Albert Heijn van 3 december 2025, genummerd PL0900-2024384129-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 19 en 20.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1op 31 december 2025 te Amersfoort een personenauto, die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2op 31 december 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een scooter, die aan [benadeelde 2] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
- die [benadeelde 2] als bestuurder van een scooter heeft laten stoppen en
- de scooter van die [benadeelde 2] heeft vastgepakt en daarbij heeft gezegd dat hij
(verdachte) de scooter wil hebben, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen
misdrijf niet is voltooid;
welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, door de scooter van die [benadeelde 2] (met kracht) vast te pakken waardoor die [benadeelde 2] met de scooter ten val is gekomen;
feit 3op 31 december 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een auto, die aan [benadeelde 3] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
- die [benadeelde 3] als bestuurder van een auto heeft laten stoppen en
- die [benadeelde 3] heeft aangesproken en
- het lichaam van die [benadeelde 3] heeft vastgepakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; welke poging tot
diefstal werd vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 3] gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen
diefstal gemakkelijk te maken, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het
gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde 3] (met kracht) vast te pakken en te duwen;
feit 4op 31 december 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een voertuig, die aan [benadeelde 4] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, voor het voertuig van die [benadeelde 4] heeft gestaan en (daarbij) tegen die [benadeelde 4] heeft gezegd "Je moet je auto uit, want ik wil je auto hebben", en de hendel van de portier aan de bestuurderskant heeft vastgepakt en de portier aan de bestuurderskant heeft opengetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 5in de periode van 28 december 2025 tot en met 31 december 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk
- één of meer ruiten (van de dakkapel) van de
woning gelegen aan de [adres 2] , toebehorende aan [benadeelde 5]
[benadeelde 5] en [benadeelde 6] en
- één of meer ruiten (van de portiekdeur) van de
woning gelegen aan de [adres 2] , toebehorende aan [benadeelde 5]
[benadeelde 5] en [benadeelde 6] en:
a) de voordeur en ruiten van de woning gelegen aan de
[adres 2] , toebehorende aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6]
[benadeelde 6] en
b) de gevel en/of één of meer de ruiten van het pand gelegen aan de [adres 1] , toebehorende aan [benadeelde 5] en
c) een deur en ruiten van het pand gelegen aan de [adres 1] , toebehorende aan [benadeelde 6] en
d) een telefoon en scooter, toebehorende aan [benadeelde 2] heeft vernield en/of beschadigd;
feit 6op 29 december 2025 te Amersfoort [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- een voordeur tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te duwen en
- tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2]
tegen een deur is gekomen en
- die [slachtoffer 1] (met kracht) bij haar armen, althans lichaam, vast te pakken en tegen haar lichaam te duwen;
feit 7op 31 december 2025 te Amersfoort als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de Noorderwierweg, slingerend reed, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd;
feit 8hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amersfoort op de Berkelweg, op 31 december 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [benadeelde 9] , schade was toegebracht;
feit 9
op 1 december 2024 te Amersfoort meerdere winkelgoederen, te weten
- een televisie en
- soundbars en
- medicatie en
- wijn,
die aan Albert Heijn [adres 4] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 10op 29 december 2025 te [plaats] in de woning, gelegen aan de [adres 5] ,bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 en feit 9diefstal
feit 2 en feit 3poging tot diefstal, vergezeld van geweld
feit 4
poging tot diefstal
feit 5opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
feit 6mishandeling
feit 7overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
feit 8overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
feit 10in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 167 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 22 juni 2026;
  • in verband met overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro een geldboete van € 500,-, te vervangen door 5 dagen hechtenis als de verdachte deze boete niet betaalt.
De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de op te leggen gevangenisstraf over aan het oordeel van de rechtbank. Hij verzoekt de gevorderde geldboete geheel voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 167 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van 22 juni 2026. De bijzondere voorwaarden worden dadelijk uitvoerbaar verklaard. Verder legt de rechtbank ten aanzien van de overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro aan de verdachte een geldboete op van € 500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze straf is gekomen.
Bij het bepalen vande straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd en het advies van de psycholoog (hieronder nader uitgewerkt) om de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een auto. Hij heeft vervolgens met die auto al slingerend over de weg gereden en daarbij een andere auto beschadigd en is vervolgens tegen een aantal panden aangereden. De verdachte mag van geluk spreken dat hij met zijn handelen tijdens deze dollemansrit geen ernstig letsel heeft veroorzaakt. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal van twee auto’s (waarvan één met geweld), een poging tot diefstal van een scooter met geweld en een winkeldiefstal bij de Albert Heijn. Ook heeft hij meerdere ruiten in zijn kamer en het pand van zijn verhuurder vernield. Bovendien heeft de verdachte de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun dochters de stuipen op het lijf gejaagd door hun woning binnen te dringen en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vervolgens te mishandelen. Uit de verklaringen van de slachtoffers, die op de zitting zijn besproken, volgt dat het gezin nog altijd gevoelens van angst en onveiligheid ervaart.
Uit het dossier en wat op zitting is besproken volgt dat de verdachte GHB verslaafd was en in de periode dat hij de hiervoor genoemde feiten pleegde GHB gebruikte, dan wel verkeerde in een onttrekkingspsychose. De verdachte heeft door zijn middelengebruik veel overlast veroorzaakt en aan veel mensen schade toegebracht. Daarbij zorgt het handelen van de verdachte ook in algemene zin voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- een
uittreksel justitiële documentatie(het strafblad)van de verdachte van 26 mei 2026. Hieruit volgt dat de verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
- een
advies van Tactus verslavingszorgvan 22 juni 2026. Uit het advies volgt dat de reclassering positief adviseert ten aanzien van het opleggen van reclasseringsinterventies. De verdachte is intrinsiek gemotiveerd om te werken aan gedragsverandering en wil hiervoor behandeling ondergaan. Indien de verdachte onbehandeld op straat komt schat de reclassering het risico op recidive erg hoog in.
Ten tijde van het plegen van de delicten was bij de verdachte sprake van een maatschappelijke teloorgang waarbij er geen huisvesting meer was, geen inkomen, schulden en geen dagbesteding. Er is sprake van een forse GHB-verslaving bij de verdachte. Het middelengebruik van de verdachte wordt als direct delictgerelateerde factor gezien evenals zijn psychosociaal functioneren.
- Een
Pro Justitia psychologisch onderzoekvan 1 mei 2026. De psycholoog heeft gerapporteerd dat de verdachte een ongelijkmatig intelligentieprofiel heeft, een
stoornis in het gebruik van GHB en een onrijp persoonlijkheidsfunctioneren. Er bestaan symptomen van een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD), de classificatie daarvan wordt uitgesteld.​​​​​​​ Ook ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten was er sprake van de hiervoor beschreven stoornissen en een complex psychiatrisch gelijktijdig voorkomen van deze stoornissen.
De psycholoog beschrijft dat in de dagen waarin de tenlastegelegde feiten
plaatsvonden sprake was van een heftig onttrekkingsbeeld met ernstige agitatie en
rusteloosheid, verwardheid, angst en paniek, samenhangend met zijn stoornis in het
gebruik van GHB. Er was zeer waarschijnlijk sprake van een
GHB-onttrekkingspsychose. De verdachte weet weliswaar achteraf dat de tenlastegelegde feiten strafbaar zijn en ervaart schuld- en schaamtegevoelens. Ten tijde van het tenlastegelegde was hij zich nauwelijks bewust van zijn gedachten, gemoedstoestand en gedrag, hij zat in een waas (inschattingsvermogen). In deze waas miste zelfcontrole en adequate sturing van zijn gedrag (sturingsvermogen). Gelet op het voorgaande adviseert de psycholoog de tenlastegelegde feiten tenminste verminderd toe te rekenen.
Het verwachte recidiverisico op algemeen delictgedrag wordt als hoog ingeschat bij beperkte beschermende factoren. Vanuit het huidige psychologische onderzoek is de verwachting dat het recidiverisico op algemeen delictgedrag bij de verdachte kan oplopen naar zeer hoog bij terugval in middelengebruik. Middelengebruik is een belangrijke risicofactor. Enerzijds, omdat middelengebruik een negatieve en instabiliserend effect heeft op verschillende levensgebieden. Anderzijds, omdat bij​​​​​​​ middelengebruik (GHB) in de toekomst opnieuw een onttrekkingspsychose mogelijk is.
De psycholoog adviseert een klinische verslavingsbehandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Daarbij is reclasseringstoezicht wenselijk om te kijken of hij zich aan de voorwaarden houdt en zo nodig – na de klinische forensische behandeling – urinecontroles af te nemen om het middelengebruik van de verdachte te monitoren.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. De oriëntatiepunten voor meerderjarigen voor diefstallen bij veelvuldige recidive zijn 1 maand gevangenisstraf (winkeldiefstal), 2 maanden gevangenisstraf (diefstal scooter) en 4 maanden gevangenisstraf (diefstal auto). Voor vernieling geldt als oriëntatiepunt een taakstraf vanaf 40 uur. Voor eenvoudige mishandeling staat een geldboete van € 1.000,-. Voor de overige tenlastegelegde feiten zijn geen oriëntatiepunten.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoeveelheid feiten en de ernst daarvan, niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank komt daarom tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met een voorwaardelijk strafdeel omdat het van groot belang is dat de verdachte snel start met behandeling en gelet op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek een stok achter de deur voor de verdachte om zich aan de voorwaarden te houden.
Dadelijk uitvoerbaar
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten diefstallen met geweld en mishandelingen. De verdachte heeft met geweld geprobeerd mensen uit hun auto te krijgen, is een woning binnengedrongen en heeft de bewoners vervolgens mishandeld.
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat de verdachte deze misdrijven heeft gepleegd tijdens een onttrekkingspsychose als gevolg van het gebruik van GHB. Naast de verslaving is ook sprake van persoonlijkheidsproblematiek. De verdachte zal enige tijd behandeld moeten worden voor zijn persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek voordat hij zijn impulsen en emoties zo kan reguleren dat hij niet opnieuw vervalt in middelengebruik en daarmee ook in delictgedrag. Het recidiverisico wordt op dit moment dan ook als hoog ingeschat. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die de verdachte opgelegd krijgt en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vorderingen van de benadeelde partijen

1.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.345,- voor de beschadiging van haar scooter (feit 2). Dit bedrag bestaat uit € 945, - voor vergoeding van materiële schade en € 400,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

2.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 13.920,- aan materiële schade aan de auto en een bedrag aan immateriële schade vanwegen de diefstal (feit 1). te leggen.

3.Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.800,- aan immateriële schade voor de mishandeling en huisvredebreuk (feiten 6 en 10).

4.Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade voor de mishandeling en huisvredebreuk (feiten 6 en 10.

5.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 150,- aan materiële schade aan de auto (feit 8).
Ten aanzien van alle benadeelde partijen
Alle benadeelde partijen hebben verzocht om hun vordering(en) te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de vorderingen van alle benadeelde partijen geheel voor toewijzing in aanmerking komen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de wettelijke rente.
6.3.
Standpunt van de verdediging
1.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De advocaat laat het oordeel over de gevorderde materiële over aan de rechtbank. De benadeelde partij moet voorde gevorderde immateriële niet-ontvankelijk worden verklaard, nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd.
2.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verzochte materiële schade onvoldoende is onderbouwd en om die reden moet worden afgewezen.
3.Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De advocaat verzoekt de vordering te matigen. In het onderhavige geval gaat het om letsel van beperkte ernst, te weten blauwe plekken. Volgens de Rotterdamse Schaal moet dit soort letsel worden gekwalificeerd als licht letsel. Voor deze categorie geldt dat de gebruikelijke bandbreedte van de toe te kennen immateriële schadevergoeding maximaal circa € 1.100,- bedraagt. Gelet daarop is de gevorderde vergoeding slechts beperkt toewijsbaar.
4.Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Als de rechtbank wel oordeelt dat de benadeelde partij ontvankelijk is, verzoekt de advocaat de vordering te matigen.
5.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]
De advocaat laat het oordeel over de gevorderde materiële schade over aan de rechtbank.
6.4
Oordeel van de rechtbank

1.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 2 en 5 bewezenverklaarde feiten, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 945,- daarom geheel toe.
Er bestaat op grond van art. 6:106 sub b BW Pro recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft kosten opgevoerd die zien op reiskosten en vallen daarmee dus niet onder immateriële schade. Deze kosten zijn echter niet onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

2.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Uit de overgelegde stukken volgt dat de benadeelde partij de auto recent heeft aangeschaft (19 juli 2025) en dat er een bod van € 5.550,- is gedaan op het wrak van de auto. De vordering is daarmee voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 13.920,- daarom geheel toe.
Er bestaat op grond van art. 6:106 sub b BW Pro recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

3.Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Er bestaat op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Uit de overlegde foto’s blijkt dat de benadeelde partij door de mishandeling meerdere blauwe plekken heeft opgelopen.
Uit de onderbouwing van de vordering volgt verder dat deze vordering ook (groten)deels is gebaseerd op het psychische letsel dat bij de dochter(s) van de benadeelde partij is ontstaan. Het is voor de rechter echter niet mogelijk om dit mee te nemen in de vordering van moeder. Hiervoor had een aparte vordering namens de dochter(s) moeten worden ingediend.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie licht letsel (sub c) van de Rotterdamse schaal. In die schaal wordt een bedrag van maximaal € 1.100,- genoemd. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 500,- billijk is gelet op het letsel (blauwe plekken) en de herstelperiode.
De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

4.Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Er bestaat op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Uit de overlegde foto’s blijkt dat de benadeelde partij aan de mishandeling een litteken bij zijn wenkbrauw heeft overgehouden .
Uit de onderbouwing van de vordering volgt verder dat deze vordering ook (groten)deels is gebaseerd op het psychische letsel dat bij de dochter(s) van de benadeelde partij is ontstaan. Het is voor de rechter echter niet mogelijk om dit mee te nemen in de vordering van vader. Hiervoor had een aparte vordering namens de dochter(s) moeten worden ingediend.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie geringe littekenvorming (hoofdstuk 9.2, sub e) van de Rotterdamse schaal. In die schaal wordt een bedrag van maximaal € 2.500,- genoemd. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 750,- billijk is gelet op het letsel (litteken bij de wenkbrauw) en de herstelperiode.
De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

5.Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het eenzijdig verkeersongeval (feit 8), voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van 150,- daarom geheel toe.
Ten aanzien van alle benadeelde partijen
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem/haar doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Veroordeling verdachte in de proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 62, 138, 300, 310,312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 5, 7, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 10 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvan
365 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
167 dagen,
nietzal worden
ten uitvoer gelegd,
tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* zich gedurende de proeftijd zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Gedurende de gehele proeftijd houdt de verdachte zich aan de aanwijzingen van de reclassering, waaronder ook huisbezoeken vallen.
* zich laat opnemen in de Forensische kliniek De Ekenwaard in Beilen (of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie). De opname duurt zolang als de leiding van de zorginstelling in overleg met de reclassering dit wenselijk acht. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
* zich laat behandelen door een nader te bepalen forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
* zal verblijven in een instelling voor beschermd- en/of begeleid wonen, te bepalen door de reclassering en indien en zolang de reclassering dit nodig acht. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
* zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
* meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- veroordeelt de verdachte voor van het onder feit 7 bewezen verklaarde tot een
geldboetevan
€ 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen;
- bepaalt dat de geldboete
nietzal worden
ten uitvoer gelegd,
tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feiten 2 en 5)
  • wijst de vordering van [benadeelde 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 945,- aan materiële schade;
  • verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat
€ 945,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 9 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1)
  • wijst de vordering van [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.920,- aan materiële schade;
  • verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat
€ 13.920,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 94 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 6 en 10)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- aan immateriële schade;
  • verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
€ 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 5 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 6 en 10)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 750,- aan immateriële schade;
  • verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat
€ 750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 7 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 9] (feit 8)
  • wijst de vordering van [benadeelde 9] geheel toe tot een bedrag van € 150,-;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 9] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 9] aan de Staat
€ 150,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
voorlopige hechtenis
- heft op het (al eerder geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, voorzitter,
mr. C.E.M. Nootenboom-Lock en mr. M.J. Terstegge, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. O.S. Salet als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 16-000022-26
feit 1hij op of omstreeks 31 december 2025 te Amersfoort een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2hij op of omstreeks 31 december 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
- die [benadeelde 2] als bestuurder van een scooter heeft laten stoppen en/of
- de scooter van die [benadeelde 2] heeft vastgepakt en/of (daarbij) heeft gezegd dat hij
(verdachte) de scooter wil hebben, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen
misdrijf niet is voltooid;
welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de
vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de
scooter van die [benadeelde 2] en/of het lichaam van die [benadeelde 2] (met kracht) vast
te pakken waardoor die [benadeelde 2] (met de scooter) ten val is gekomen;
feit 3hij op of omstreeks 31 december 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
- die [benadeelde 3] als bestuurder van een auto heeft laten stoppen en/of
- die [benadeelde 3] heeft aangesproken en/of
- het lichaam van die [benadeelde 3] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die [benadeelde 3]
uit de auto heeft getrokken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; welke poging tot
diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met
geweld tegen [benadeelde 3] gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen
diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op
heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het
gestolene te verzekeren, door
- het lichaam van die [benadeelde 3] vast te pakken en/of (vervolgens) die [benadeelde 3]
uit de auto te trekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde 3] (met kracht) vast te pakken en/of te
duwen;
feit 4hij op of omstreeks 31 december 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een voertuig, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen voor het voertuig van die [benadeelde 4] heeft gestaan en/of (daarbij) tegen die [benadeelde 4] heeft gezegd "Je moet je auto uit, want ik wil je auto hebben", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of de hendel van de portier aan de bestuurderskant heeft vastgepakt en/of de portier aan de bestuurderskant heeft
opengetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 5hij op één of meer tijdstippen in omstreeks de periode van 28 december 2025 tot en
met 31 december 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk
- op of omstreeks 28 december 2025 één of meer ruiten (van de dakkapel) van de
woning gelegen aan de [adres 2] , toebehorende(n) aan [benadeelde 5]
[benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of
- op of omstreeks 30 december 2025 één of meer ruiten (van de portiekdeur) van de
woning gelegen aan de [adres 2] , toebehorende(n) aan [benadeelde 5]
[benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of
- op of omstreeks 31 december 2025:
a) de voordeur en/of één of meer ruiten van de woning gelegen aan de
[adres 2] , toebehorende(n) aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6]
[benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of
b) de gevel en/of één of meer ruiten van het pand gelegen aan de Noorderwierweg
167, toebehorende(n) aan [benadeelde 5] en/of
c) een deur en/of de gevel en/of en/of één of meer ruiten van het pand gelegen aan
de [adres 1] , toebehorende(n) aan [benadeelde 6] en/of
[benadeelde 8] en/of
d) een telefoon en/of scooter, toebehorende(n) aan [benadeelde 2]
althans enig(e) goed(eren) dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n)
(telkens) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 6hij op of omstreeks 29 december 2025 te Amersfoort [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- een (voor)deur tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te duwen en/of
- tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2]
tegen een deur ten val is gekomen en/of
- die [slachtoffer 1] (met kracht) bij haar armen, althans lichaam, vast te pakken en/of in
haar armen te knijpen en/of tegen haar lichaam te duwen;
feit 7hij op of omstreeks 31 december 2025 te Amersfoort als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Berkelweg en/of Noorderwierweg,
slingerend reed, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
feit 8hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amersfoort op/aan de Berkelweg, op of omstreeks 31 december 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde 9] ) schade was toegebracht.
Parketnummer 16-232531-25
diefstal bij Albert Heijn
hij op of omstreeks 1 december 2024 te [plaats]
een of meerdere winkelgoederen, te weten
- een televisie en/of
- soundbar(s) en/of
- medicatie en/of
- fles(sen) wijn,
in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan Albert Heijn [adres 4] , in elk
geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Parketnummer 16-144068-26hij op of omstreeks 29 december 2025 te [plaats] in de woning, gelegen aan de [adres 5] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.