Twee glasvezelmonteurs vorderden in kort geding betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, overuren en te weinig betaald loon van hun werkgever. De arbeidsovereenkomst van één monteur was beëindigd, de ander was nog in dienst. De werkgever betwistte de ziekte van de eisers en stelde betalingsonmacht.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever geen bedrijfsarts had ingeschakeld om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen, waardoor de ziekte van de eisers sinds 13 oktober 2025 moest worden aangenomen. Betalingsonmacht ontslaat de werkgever niet van zijn verplichtingen. Contante betalingen door de werkgever werden niet bewezen.
De vorderingen werden grotendeels toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van loon, vakantiegeld, overuren, wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een dwangsom bij niet-naleving binnen 14 dagen.