ECLI:NL:RBMNE:2026:455

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11990144 LV EXPL 25-51 RD/960
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallig loon en wettelijke verhoging toegewezen aan glasvezelmonteurs

Twee glasvezelmonteurs vorderden in kort geding betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, overuren en te weinig betaald loon van hun werkgever. De arbeidsovereenkomst van één monteur was beëindigd, de ander was nog in dienst. De werkgever betwistte de ziekte van de eisers en stelde betalingsonmacht.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever geen bedrijfsarts had ingeschakeld om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen, waardoor de ziekte van de eisers sinds 13 oktober 2025 moest worden aangenomen. Betalingsonmacht ontslaat de werkgever niet van zijn verplichtingen. Contante betalingen door de werkgever werden niet bewezen.

De vorderingen werden grotendeels toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van loon, vakantiegeld, overuren, wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een dwangsom bij niet-naleving binnen 14 dagen.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, overuren, wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten aan de eisers.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11990144 LV EXPL 25-51 RD/960
Kort geding vonnis van 30 januari 2026
inzake

1.[eiser sub 1] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
en

2.[eiser sub 2] ,

wonende in [woonplaats 2] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. G.A. de Boer,
tegen:
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
verschenen bij [gedaagde] (directeur)
Eisers worden hierna afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] genoemd. Gezamenlijk worden ze aangeduid als [eisers c.s] . Gedaagde wordt [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 7 januari 2026 met 11 producties hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] [gedaagde] opgeroepen voor de zitting van 16 januari 2026.
1.2.
Op de zitting zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verschenen met hun gemachtigde en bijgestaan door een tolk. Namens [gedaagde] is [gedaagde] verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. [eiser sub 2] heeft zijn vordering verminderd.
1.3.
Aan partijen is gezegd dat op 30 januari 2026 een vonnis wordt gewezen.

2.De kern

2.1.
[eisers c.s] . zijn op basis van een arbeidsovereenkomst als glasvezelmonteur in dienst getreden bij [gedaagde] . De arbeidsovereenkomst van [eiser sub 2] is op 11 november 2025 geëindigd. De arbeidsovereenkomst van [eiser sub 1] loopt nog tot (in ieder geval) 1 april 2026. [eisers c.s] . zeggen dat [gedaagde] de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet volledig is nagekomen. In deze procedure vorderen ze betaling van achterstallig loon, vakantiegeld, overuren, en een netto bedrag aan te weinig betaald loon gedurende het dienstverband. Daarnaast vorderen ze wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [eisers c.s] . heeft de vorderingen niet betwist. De kantonrechter zal de vorderingen toewijzen op de buitengerechtelijke incassokosten na.

3.De beoordeling

3.1.
[eisers c.s] . vorderen in dit kort geding veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een geldsom. Daarom is terughoudendheid op zijn plaats. Dit houdt in dat de rechter niet alleen moet onderzoeken of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat door onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
[eisers c.s] hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
3.2.
[eisers c.s] . hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen. De vorderingen strekken hoofdzakelijk tot betaling van loon. Zij hebben dit loon nodig om in hun levensonderhoud te voorzien. [eisers c.s] . hebben ook naar voren gebracht dat zij door het uitblijven van de salarisbetaling in financiële problemen zijn geraakt. Niet gesteld of gebleken is verder dat sprake is van een restitutierisico aan de kant van [eisers c.s] .
[gedaagde] moet de gevorderde bedragen aan [eisers c.s] . betalen
3.3.
[gedaagde] erkent dat zij de gevorderde bedragen aan [eisers c.s] . niet betaald heeft. [gedaagde] geeft daarvoor twee argumenten, namelijk:
  • [eisers c.s] . hebben zich op 13 oktober 2025 ziekgemeld. Volgens [gedaagde] was dit ten onrechte. Er zou geen sprake zijn van ziekte, maar onwil om te werken als gevolg van een conflict.
  • [gedaagde] kon (en kan) de vorderingen niet betalen vanwege gebrek aan financiële middelen.
3.4.
Deze argumenten leiden niet tot een afwijzing van de vorderingen. Een medische beoordeling (ziek of niet ziek) is voorbehouden aan een bedrijfsarts. [gedaagde] heeft geen bedrijfsarts ingeschakeld. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat [eisers c.s] . arbeidsongeschiktheid zijn sinds 13 oktober 2025. Het loon had [gedaagde] dus moeten doorbetalen. Dat [gedaagde] in betalingsonmacht verkeerde betekent niet dat hij de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet langer hoefde na te komen. Dit komt niet voor rekening of risico van [eisers c.s] .
3.5.
[gedaagde] heeft op de zitting verder nog gezegd dat zij contante betalingen aan [eisers c.s] . heeft gedaan die in mindering zouden moeten strekken op de nog te betalen bedragen. Maar [gedaagde] heeft niets in het geding gebracht waaruit de gestelde contante betalingen blijken. Dat had wel van haar mogen worden verwacht. Er wordt daarom niets in mindering gebracht op de gevorderde bedragen.
3.6.
Conclusie is dat de gevorderde betalingen aan vakantiegeld, overuren en structureel te weinig betaald loon zullen dan ook toegewezen worden zoals gevorderd.
[gedaagde] moet ook de wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten betalen, maar niet de buitengerechtelijke incassokosten
3.7.
Omdat [gedaagde] te laat aan haar loonbetalingsverplichtingen voldoet moet zij de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW Pro) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) aan [eisers c.s] . betalen. Dit deel van de vordering zal dan ook als onderstaand toegewezen worden.
3.8.
De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Door [eisers c.s] . is niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering wordt daarom afgewezen.
3.9.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld. Daarom moet hij de proceskosten, inclusief nakosten, betalen. De kosten aan de zijde van [eisers c.s] . worden begroot op:
- informatiekosten € 3,73
- griffierecht € 90,00
- nakosten € 135,00
- salaris gemachtigde €
543,00
totaal € 771,73

4.De beslissing

De kantonrechter:
geeft de volgende onmiddellijke voorziening:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] te betalen:
het achterstallige loon over oktober 2025, november 2025 en december 2025 van
€ 7.140,96 bruto;
het vakantiegeld van € 2.195,41 bruto;
de in september 2025 en oktober 2025 gemaakte overuren ter hoogte van € 578,40 bruto;
het structureel te weinig betaalde loon ter hoogte van € 865,42 netto;
de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van maximaal 50% over de onder a. tot en met d. toegewezen bedragen;
de wettelijke rente over de onder a. tot en met e. toegewezen bedragen vanaf`de opeisbaarheid tot de dag van de volledige voldoening;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 2] te betalen:
het achterstallige loon over de periode van 1 oktober 2025 tot 11 november 2025 van € 3.006,72 bruto;
het vakantiegeld van € 1.024,66 bruto;
de in september 2025 en oktober 2025 gemaakte overuren ter hoogte van € 578,40 bruto;
het structureel te weinig betaalde loon ter hoogte van € 238,08 netto;
de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van maximaal 50% over de onder a. tot en met d. toegewezen bedragen;
de wettelijke rente over de onder a. tot en met e. toegewezen bedragen vanaf de opeisbaarheid tot de dag van de volledige voldoening;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] en
[eiser sub 2] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 771,73, waarin begrepen € 543,00 aan salaris gemachtigde;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 135,00 aan salaris gemachtigde;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.