ECLI:NL:RBMNE:2026:4551

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/16/574092 / FL RK 24-481
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden zorgregeling en gezag, vervangende toestemming inschrijving basisschool

De rechtbank Midden-Nederland behandelt een zaak over de zorgregeling en het gezag over een minderjarige geboren in 2018. De voorlopige zorgregeling is eerder vastgesteld, maar de definitieve beslissing wordt uitgesteld in afwachting van de uitkomst van Parallel Solo Ouderschap (PSO) en betrokkenheid van hulpverlening. Ondanks eerdere adviezen is de noodzakelijke hulpverlening nog niet gestart vanwege gemeentelijke inkoopproblemen.

De moeder verzoekt om wijziging van de zorgregeling en beëindiging van het gezamenlijk gezag, en vraagt vervangende toestemming om de minderjarige op een andere basisschool in te schrijven vanwege pesten en grensoverschrijdend gedrag op de huidige school. De vader verzet zich tegen deze verzoeken, met name tegen de schoolwissel.

De rechtbank oordeelt dat het in het belang van het kind is dat de zorgregeling en het gezag nog niet definitief worden vastgesteld en dat de hulpverlening zo spoedig mogelijk moet starten. Tevens wordt het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor inschrijving op een andere basisschool toegewezen, omdat de huidige situatie het welzijn van het kind schaadt. De beslissing over zorg en gezag wordt aangehouden voor negen maanden, met een verzoek aan partijen om tijdig te melden of verlenging of een nieuwe zitting nodig is.

Uitkomst: Beslissing over zorgregeling en gezag aangehouden, moeder krijgt vervangende toestemming voor inschrijving op andere basisschool.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/574092 / FL RK 24-481
Gezag en omgang
Beschikking van 29 juni 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S. van Beers,
tegen
[de vader],
wonende in [plaats 2] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.A. Wesdorp (voorheen mr. B.J. den Hartog).

1.De procedure

1.1
Bij beschikking van 5 juni 2025 heeft de rechtbank de voorlopige zorgregeling uit de beschikking van 19 juli 2024 gewijzigd en de volgende voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld:
  • [minderjarige] verblijft eenmaal per 14 dagen op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
  • [minderjarige] verblijft op een doordeweekse dag bij de vader, maar enkel vanaf het moment dat er hulpverlening beschikbaar is die hierbij aansluit;
  • de vader belt [minderjarige] één keer per week volgens het door de ouders overeen te komen belschema.
De beslissing over de definitieve zorgregeling en het gezag is aangehouden voor de duur van negen maanden in afwachting van de uitkomst van Parallel Solo Ouderschap (hierna: PSO) en de betrokkenheid van de hulpverlening bij de omgang tussen de vader en [minderjarige] .
1.2
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van de moeder van 10 maart 2026;
  • het bericht van de vader van 23 maart 2026;
  • het aanvullend verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder van 8 juni 2026;
  • het bericht (met bijlagen) van de vader van 9 juni 2026.
1.3
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 15 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk;
  • mr. [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.4
De rechtbank heeft niet aan [minderjarige] gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De verzoeken in deze procedure hebben betrekking op de dochter van de ouders:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] .
2.2
Voor de overige vaststaande feiten en het voorafgaande procesverloop verwijst de rechtbank naar de beschikkingen van 19 juli 2024 en 5 juni 2025.
2.3
De moeder heeft de rechtbank op 24 april 2024 verzocht om te bepalen dat:
  • de zorgreling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 28 januari 2021 wordt gewijzigd naar een regeling waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader verblijft, welke regeling in overleg met de hulpverlening kan worden uitgebreid in de weekenden en/of tijdens vakanties en feestdagen, althans een zodanige regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht;
  • het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] wordt beëindigd en te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de moeder toekomt.
2.4
De vader is het niet eens met de verzoeken van de moeder en vraagt de rechtbank om deze verzoeken af te wijzen.
2.5
Op 8 juni 2026 heeft de moeder een aanvullend verzoekschrift ingediend. Bij wege van een provisionele voorziening vraagt zij de rechtbank om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool [naam] in [plaats 1] .

3.De beoordeling

Nog geen definitieve beslissing over de zorgregeling en het gezag
3.1
De rechtbank zal nu nog geen definitieve beslissing over de zorgregeling en het gezag
nemen, maar de beslissing nog negen maanden uitstellen. De rechtbank zal hierna uitleggen
waarom zij dit doet.
3.2
In de beschikking van 5 juni 2025 heeft de rechtbank de beslissing over de definitieve zorgregeling en het gezag uitgesteld in afwachting van de uitkomst van PSO en de betrokkenheid van hulpverlening bij de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Ondanks de bereidheid van de ouders is de noodzakelijke hulpverlening (PSO) een jaar later nog steeds niet opgestart. De moeder heeft op 26 mei 2026 een brief van [hulpverlening] ontvangen waarin, kort samengevat, staat dat de gemeente [plaats 1] een nieuwe inkoopprocedure heeft georganiseerd voor bepaalde vormen van Jeugdhulp. [hulpverlening] heeft besloten om zich hiervoor niet in te schrijven. De moeder heeft naar aanleiding van deze brief contact opgenomen met [hulpverlening] en die hebben aan haar uitgelegd dat zij op dit moment alleen een analyse fase zullen uitvoeren om te kijken welke hulpverlening geschikt is voor de ouders. Deze analysefase zal ongeveer een jaar duren, waarna de zaak overdragen moet worden naar een andere jeugdzorginstantie (omdat de door de gemeente afgegeven beschikking niet langer doorloopt).
3.3
De rechtbank vindt het zorgelijk dat deze ouders al bijna een jaar wachten op een hulpverleningstraject en nu te horen krijgen dat er gestart gaat worden met een analysefase. Dit terwijl de Raad in 2025 al onderzoek heeft gedaan naar de situatie van de ouders en hen heeft geadviseerd om te starten met PSO. Volgens de Raad is dit, gelet op de structurele conflicten, het gebrek aan bereidheid tot samenwerking en de voortdurende spanningen tussen de ouders onderling, de meest geschikte aanpak. De rechtbank is het hiermee eens en vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] dat haar ouders zo snel mogelijk kunnen starten met PSO. Het afgelopen jaar zijn er geen stappen gezet om de verstoorde communicatie van de ouders te verbeteren. De rechtbank vindt het schrijnend dat niet alleen de ouders maar met name [minderjarige] op dit moment de dupe is van de financieringsproblemen van de gemeente [plaats 1] . Zij zit nu al een langere tijd klem tussen haar ouders en het is daarom extra belangrijk er zo snel mogelijk gestart gaat worden met PSO. De rechtbank wil dan ook een beroep doen op de gemeente [plaats 1] om hiervoor een beschikking af te geven. Een analysefase, zoals [hulpverlening] wil inzetten, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval overbodig.
3.4
Gelet op het bovengenoemde zal de rechtbank de beslissing over de definitieve zorgregeling en het gezag nogmaals aanhouden in afwachting van de uitkomst van PSO.
Vervangende toestemming basisschool
3.5
De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen. Dit betekent dat de moeder vervangende toestemming krijgt om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [naam] in [plaats 1] . De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.6
Het uitgangspunt is dat als ouders samen belast zijn met het gezag, zij ook samen (in goed overleg) beslissen naar welke school hun kinderen gaan. Als ouders daar niet uitkomen, kan aan de rechtbank worden gevraagd om vervangende toestemming te verlenen om de kinderen op een bepaalde school in te schrijven. [1] Als de rechtbank besluit om vervangende toestemming verlenen, vervangt de toestemming van de rechtbank de toestemming van de andere ouder. Het kind kan dan worden ingeschreven.
3.7
De moeder heeft uitgelegd dat zij [minderjarige] graag wil inschrijven op een andere basisschool, omdat [minderjarige] op dit moment met veel tegenzin naar school toe gaat. Dit komt omdat [minderjarige] op haar huidige basisschool wordt gepest en in aanraking is geweest met grensoverschrijdend gedrag. De moeder heeft haar zorgen met de leerkracht en directie van de school besproken, maar is van mening dat de school de situatie onvoldoende serieus neemt. Volgens de moeder wil [minderjarige] niet meer naar school en heeft zij dagelijks last van spanningen en stress. Ook gaan haar schoolresultaten achteruit en wordt de moeder wekelijks door school gebeld met de mededeling dat het niet goed met [minderjarige] gaat. De moeder maakt zich veel zorgen over deze situatie en vindt het in het belang van [minderjarige] om te wisselen van basisschool.
3.8
De vader erkent de door de moeder geschetste situatie over het pesten en het grensoverschrijdend gedrag, maar is van mening dat het wisselen van basisschool een te vergaande maatregel is. Net als de moeder heeft ook de vader contact gehad met de directeur van de basisschool. Volgens de vader heeft de school de situatie wel serieus genomen en hebben zij ervoor gezorgd dat [minderjarige] volgend jaar niet meer in dezelfde klas zit als de kinderen die haar pesten. De vader vindt dat de huidige basisschool de kans moet krijgen om te laten zien dat het een fijne plek is voor [minderjarige] . Hij vraagt de rechtbank daarom om het verzoek van de moeder af te wijzen.
3.9
Gelet op de toelichtingen tijdens de zitting ziet de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgen van de moeder. De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige] dat zij met buikpijn en spanningen naar school toe gaat. Een school moet voor een kind een fijne en vertrouwde plek zijn. Door de voorgevallen incidenten is de huidige school dat voor [minderjarige] niet meer. Het enkele feit dat [minderjarige] volgend jaar in een andere klas wordt geplaats neemt haar emoties rondom de vervelende gebeurtenissen op deze school niet weg. De rechtbank vindt het in het belang van (de ontwikkeling van) [minderjarige] dat zij met plezier naar school toe gaat. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en aan haar vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] in te schrijven op bassischool [naam] in [plaats 1] .
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
verleent aan de moeder vervangende toestemming om
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 in [plaats 2] in te schrijven op basisschool [naam] in [plaats 1] ;
4.2
houdt de (verdere) beslissing over de zorgregeling en het gezag aan voor de duur van
negen maandenin afwachting van de uitkomst van Parallel Solo Ouderschap en de
betrokkenheid van hulpverlening bij de omgang, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:
  • of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
  • of een nieuwe zitting nodig is;
  • of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.A. Beverwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek.