ECLI:NL:RBMNE:2026:4556

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
16/002168-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 289 SrArt. 39 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor moord met voorbedachte raad en oplegging tbs met dwangverpleging

Op 2 januari 2025 werd een 76-jarige vrouw in Den Dolder op klaarlichte dag met zeventien messteken om het leven gebracht. De verdachte, die bekend heeft met een mes te hebben gestoken, werd aangehouden en de rechtbank acht bewezen dat hij het slachtoffer met voorbedachte raad heeft gedood. Uit uitgebreid bewijs, waaronder camerabeelden, telefoononderzoek en forensisch pathologisch onderzoek, blijkt dat de verdachte het mes op 20 december 2024 kocht, verstopte en op de dag van het delict ophaalde om het slachtoffer te steken.

De verdachte leed aan een ernstige chronische psychotische stoornis en een verstandelijke beperking, aanwezig ten tijde van het feit. Deskundigen stelden vast dat hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, maar niet volledig ontoerekeningsvatbaar. De rechtbank concludeerde dat de verdachte doelbewust en planmatig handelde, ondanks zijn psychische stoornis.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van het voorarrest, en legde tbs met dwangverpleging op vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van de stoornis. Tevens werd de verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €29.191,93 aan de nabestaande, inclusief immateriële schade en wettelijke rente, met een schadevergoedingsmaatregel en gijzeling bij niet-betaling.

De uitspraak benadrukt de ernst van het delict, de impact op de nabestaanden en de samenleving, en de noodzaak van een combinatie van straf en maatregel om veiligheid en behandeling te waarborgen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor moord met voorbedachte raad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/002168-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1997] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats 1] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ( [adres] , [postcode] in [plaats 1] ),
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2026. Het onderzoek is gesloten op 22 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. D.C. Dorrestein (hierna: de advocaat);
  • de officieren van justitie: mr. N.C. Schipper en mr. L.H.J. Verheijden (hierna gezamenlijk genoemd: de officier van justitie);
  • de nabestaande/benadeelde partij: [nabestaande/benadeelde partij] ;
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. C.H. Dijkstra.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 2 januari 2025 in Den Dolder , al dan niet met voorbedachte raad, opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood, door haar meermalen met een mes te steken.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte mevrouw [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gedood (de onder de beschuldiging impliciet primair opgenomen moord). De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van dat deel van de beschuldiging (moord). De verweren van de advocaat worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring
De rechtbank oordeelt dat de moord op [slachtoffer] is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. Hieronder zal de rechtbank nader uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 2 januari 2025 trof een voorbijganger de 76-jarige mevrouw [slachtoffer] liggend aan op de stoep van de [straat 1] in [plaats 2] . Deze getuige zag bloed bij het hoofd van [slachtoffer] en belde 112. De politie en ambulance kwamen ter plaatse, maar kort na de komst van de ambulance werd vastgesteld dat [slachtoffer] al was overleden. Nog diezelfde avond werd de verdachte, nadat de directeur van [instelling] contact had opgenomen met de politie, aangehouden. De verdachte was op basis van een zorgmachtiging geplaatst bij de locatie [locatie] van [instelling] en was die dag met verlof. Bij terugkomst van zijn verlof werd gezien dat de verdachte verwondingen had aan zijn hand en de verdachte voldeed aan het signalement dat inmiddels door de politie was verspreid.
Alle steekletsels toegebracht door de verdachte
De verdachte heeft bekend dat hij op 2 januari 2025 [slachtoffer] met een mes heeft gestoken. Volgens de verdachte heeft hij twee keer gestoken. Uit het schouwverslag blijkt echter dat bij [slachtoffer] zeventien steekwonden zijn vastgesteld. Deze steekwonden waren allemaal zij-achter-bovenwaarts aan het hoofd en aan de nek en rug gelegen en waren ontstaan door het steken met een scherprandig steekvoorwerp zoals een mes. Drie steekletsels hebben geleid tot perforatie van de linkerborstholte, de linkerlong en de aorta. Als gevolg van die steekletsels is [slachtoffer] overleden. De rechtbank acht bewezen dat alle steekletsels zijn toegebracht door de verdachte. Er zijn geen aanknopingspunten voor de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] tweemaal heeft gestoken en dat iemand anders de overige steekletsels moet hebben toegebracht. Die – al zeer ongeloofwaardige – verklaring van de verdachte is op geen enkele manier aannemelijk geworden.
Vol opzet op de dood
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij niet de bedoeling had om iemand te doden en dat hij enkel iemand wilde verwonden. De rechtbank gaat niet mee in deze verklaring van de verdachte en is van oordeel dat sprake is van vol opzet. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte in totaal maar liefst zeventien keer met een ongeveer 19 centimeter lang mes bovenhands in het hoofd, de nek en de rug van [slachtoffer] heeft gestoken. Uit de hoeveelheid verwondingen, de diepte van het diepst gemeten steekkanaal van 16 centimeter en de plekken op het lichaam waar de verdachte heeft gestoken, leidt de rechtbank af dat het opzet van de verdachte er daadwerkelijk op was gericht om [slachtoffer] van het leven te beroven.
Juridisch kader voorbedachte raad
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad heeft gedood. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Oordeel van de rechtbank over de voorbedachte raad
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte heeft in de periode voorafgaand aan het steken op zijn telefoon verschillende zoekopdrachten verricht die te maken hebben met iemand doden. Ook zocht hij op wat voor straf iemand krijgt voor moord.
Op 20 december 2024 om 14:19 uur heeft de verdachte een koksmes van 19 centimeter gekocht. Hij heeft dat mes vervolgens verstopt in de bosjes bij de loopbrug naar de kliniek toe. De verdachte heeft die dag om 15:28 uur in zijn telefoon een notitie gemaakt met de tekst ‘Mes verstopt einde van de brug bij de speeltuins kant’.
Op 2 januari 2025 om 12:35 uur heeft de verdachte de app waarin deze notitie stond voor het laatst geopend. De verdachte vertrok die dag om 13:26 uur vanaf de kliniek en stak om 13:35 uur de loopbrug over. De locatiegegevens van zijn telefoon peilden vervolgens uit bij de speeltuin aan de [straat 1] en de brug over de [.] . Om 14:20 uur liep de verdachte weer via de [straat 1] terug richting het centrum van [plaats 2] . De rechtbank stelt vast dat de verdachte op zijn laatst om iets voor 14:20 uur het mes moet hebben gepakt op de plek waar hij het had verstopt.
Om 14:23 uur voerde de verdachte een videogesprek met zijn neef. Dit gesprek duurde 7 minuten en 11 seconden. Tijdens dit gesprek stak de verdachte om 14:27 uur de spoorwegovergang over. De verdachte liep op dat moment schuin voor [slachtoffer] , aan de overkant van de weg. Om 14:29 uur, na het passeren van de spoorwegovergang, stopte de verdachte met lopen, bleef 8 seconden staan, keek om zich heen en zag [slachtoffer] aan de overkant van de [straat 4] . Hij liet [slachtoffer] passeren en stak vervolgens de weg over. Hierna liep hij achter [slachtoffer] aan in de richting van de [straat 1] . Het gesprek met zijn neef werd vervolgens om 14:30 uur beëindigd.
Om 14:32 uur rende de verdachte van de [straat 1] naar de [straat 2] . Vervolgens heeft hij het mes daar weer verstopt bij de bosjes. Daar heeft de politie het mes gevonden, met daarop bloed van zowel de verdachte als [slachtoffer] .
Omstreeks 14:40 uur kreeg de politie vanuit het Operationeel Centrum het verzoek om naar de locatie [straat 1] [nummer] in [plaats 2] te gaan, de plek waar [slachtoffer] inmiddels was gevonden.
De verdachte had blijkens de camerabeelden op 2 januari 2025 niet of nauwelijks oog voor zijn omgeving, maar op enkele specifieke momenten was zijn aandacht gericht op personen om hem heen, steeds zichtbaar oudere mensen. Zo keek de verdachte een oudere man met een rollator lang na en liep de verdachte achter een oudere vrouw met een rollator aan, waarbij hij zijn looptempo aanpaste aan haar looptempo. Zoals hiervoor besproken, bleef hij ook stilstaan op het moment dat hij [slachtoffer] zag. Hij liet haar passeren, liep vervolgens achter haar aan en viel haar aan.
De verdachte heeft verschillende verklaringen afgelegd en is nog tijdens die verklaringen en ook in latere verklaringen weer teruggekomen op delen daarvan. Een constante in al zijn verklaringen, is dat hij zich op 2 januari 2025 slecht voelde en dat hij iemand wilde steken om zich beter te voelen en kracht te krijgen. Na het steken voelde hij zich groter.
Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte het plan had om iemand te doden. De verdachte heeft in de periode voorafgaand aan het steken verschillende zoekslagen verricht die te maken hadden met iemand doden. Ook zocht hij uit wat voor straf hij kon krijgen voor moord. Vervolgens heeft de verdachte op 20 december 2024 een mes gekocht dat hij buiten heeft verstopt en heeft hij in zijn telefoon een notitie gemaakt van deze verstopplek. Op 2 januari 2025 wilde de verdachte iemand steken om zo zelf kracht te krijgen en heeft hij, op zijn laatst om iets voor 14:20 uur, het mes opgehaald. De verdachte heeft voordat hij daadwerkelijk iemand aanviel voldoende tijd gehad (minimaal 10 minuten) om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Niets wijst erop dat hij dit niet ook daadwerkelijk heeft gedaan. Dat op dat moment nog niet duidelijk was wie het slachtoffer zou worden van de door de verdachte voorgenomen aanval, maakt niet uit. Op enig moment heeft de verdachte zijn slachtoffer uitgekozen. Uit de hiervoor besproken camerabeelden volgt dat de verdachte het voorzien had op een ouder persoon en dat hij, op het moment dat hij [slachtoffer] in het vizier kreeg, acht seconden bleef staan, haar liet passeren en daarna achter haar aanliep, waarna hij haar heeft aangevallen. Zij is dus een uitgekozen slachtoffer geweest. Dit alles – het willen steken om kracht te krijgen, de zoekslagen naar iemand doden en de straf die daarop staat, het kopen, verstoppen en later ophalen van een mes en het uitzoeken van een geschikt slachtoffer – duidt op een weloverwogen plan. De verdachte maakt daarin allerlei afwegingen en keuzes.
De advocaat heeft gesteld dat er vijf contra-indicaties zijn die aan het aannemen van de voorbedachte raad in de weg staan: (1) de afwezigheid van een gericht slachtoffer, (2) de tijdlijn op 2 januari, die volgens de advocaat duidt op gelegenheidshandelen, (3) verdachtes handelen werd gestuurd door psychotische waaninhoud (steken om zelf kracht te krijgen), (4) ook uit de gebrekkige herinneringen van verdachte blijkt dat hij verkeerde in een dissociatieve psychotische toestand en (5) uit de combinatie van medicatie-ontrouw, boosheid en het verkeren in een gespannen toestand blijkt eveneens dat sprake was van acute psychotische ontregeling.
De rechtbank is van oordeel dat geen contra-indicaties aannemelijk zijn geworden. Dat de verdachte toen hij begon met het uitvoeren van zijn plan nog niet had bepaald wie zijn doelwit zou zijn, staat niet in de weg aan het aannemen van voorbedachte raad. Verder duidt de hiervoor besproken tijdlijn en feitelijke gang van zaken op een planmatige aanpak en juist niet op gelegenheidshandelen of handelen uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
De psychotische stoornis van de verdachte, die hierna verder wordt besproken, levert geen contra-indicatie op. Ook als het voornemen van de verdachte om [slachtoffer] te doden geheel en al is voortgevloeid uit zijn psychische stoornis, dan heeft dit kennelijk niet in de weg gestaan aan zijn planmatige werkwijze ter uitvoering van dat voornemen. Anders gezegd: de verdachte handelde weliswaar onder invloed van een psychische stoornis, maar heeft ook in deze toestand doelbewust en overdacht gehandeld, zoals blijkt uit wat hiervoor is overwogen. Dat zijn doel (‘iemand doden om kracht te krijgen’) voort lijkt te komen uit de psychische stoornis, maakt voor de vraag of sprake is van voorbedachte raad niet uit. Wel is het relevant voor de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, die in paragraaf 4 wordt besproken.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarom vindt de rechtbank de onder de beschuldiging impliciet primair opgenomen moord bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 2 januari 2025 te [plaats 2] [slachtoffer] opzettelijk met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een mes die [slachtoffer] meermalen in de rug en de hals en het hoofd te steken.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
moord.
4.2.
Strafbaarheid feit
Het feit is strafbaar.
4.3.
Strafbaarheid verdachte
4.3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard.
4.3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
4.3.3.
Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
In het strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk wordt gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Daarop is een uitzondering: wie een feit begaat dat hem of haar vanwege een psychische stoornis (in het geheel) niet kan worden toegerekend, is niet strafbaar (artikel 39 van Pro het Wetboek van Strafrecht). Van volledige ontoerekeningsvatbaarheid is sprake als aan drie vereisten is voldaan:
1) de verdachte heeft een psychische stoornis (of psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap) op het moment van het gepleegde feit;
2) er is sprake van een direct verband tussen het bewezen verklaarde feit en die stoornis;
3) de stoornis is zodanig dat deze in de weg staat aan toerekening van het strafbare feit aan de verdachte.
De rechter kan beslissen dat het feit niet aan een verdachte kan worden toegerekend als –kortgezegd – de verdachte als gevolg van zo’n stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was óf niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.
Het is aan de rechtbank zelf om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit sprake was van een stoornis. Om een oordeel te kunnen geven over deze vragen, is echter de expertise van gedragsdeskundigen ingeroepen. Zij adviseren de rechtbank over de persoonlijkheid van de verdachte en over de eventuele aanwezigheid van een stoornis.
Het advies van de gedragsdeskundigen
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro-Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 1 december 2025, opgemaakt door [A] , psychiater, en [B] , GZ-psycholoog.
In de rapportage geven de deskundigen allereerst aan dat hun onderzoek diagnostische beperkingen kent. De verdachte was vanwege zijn op de voorgrond staande psychotische symptomen in combinatie met de beperkingen vanuit de overige pathologie, moeilijk onderzoekbaar. Daardoor hebben de deskundigen slechts beperkt zicht kunnen krijgen op zijn belevingswereld. Wel hebben zij de aan hen voorgelegde vragen kunnen beantwoorden.
De deskundigen stellen vast dat bij de verdachte sprake is van complexe pathologie. Zij classificeren een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere ernstige chronische psychotische stoornis. Ten tijde van het verblijf in het PBC was nog steeds sprake van op de voorgrond staande waanachtige denkbeelden en hallucinaties. Bij de verdachte is onder meer sprake van paranoïde gedachten (de verdachte wordt gedwongen door bepaalde zaken) en de overtuiging ‘kracht’ te krijgen door anderen te mishandelen of te doden. De verdachte heeft enig, zij het wisselend, ziektebesef maar vrijwel geen ziekte-inzicht. Ook blijft de verdachte door de bij hem aanwezige pathologie en zijn neiging zich terug te trekken snel uit beeld, waardoor de ernst van de psychotische symptomen niet altijd duidelijk is. Naast de psychotische stoornis is sprake van comorbide stoornissen en ten minste een verstandelijke beperking. De comorbide stoornissen konden niet goed worden onderzocht omdat de psychotische symptomen de presentatie hiervan ‘kleuren’ en er sprake is van overlappende stoornissen. Verder is de verdachte nauwelijks sociaal vaardig en kan hij zich niet verplaatsen in de gedachten, gevoelens en gedragingen van een ander. Vanuit de intellectuele beperkingen is bij de verdachte sprake van oordeels- en kritiekstoornissen. Hij overziet de gevolgen van zijn handelen niet volledig.
De deskundigen stellen dat ook ten tijde van het feit de verstandelijke beperking en de psychotische stoornis aanwezig waren. In de kliniek waar de verdachte voorafgaand aan het feit verbleef werden geen aanwijzingen gezien voor een verslechtering van zijn functioneren ten opzichte van eerder en de deskundigen zien daarmee geen aanwijzingen voor een (acute) toename van psychotische symptomen. Uit het voorgeleidingsconsult van 6 januari 2025 en de binnenkomst op het PPC op 7 januari 2025, waarin de psychiater aangeeft dat bij de verdachte sprake is van ‘een complexe bizarre waan en zeer gebrekkige realiteitsfunctie’, blijkt dat ten tijde van het feit wel sprake was van psychotische ontregeling. Volgens de deskundigen is sprake van een forse doorwerking van de pathologie in het feit. In zijn wanen is de verdachte ervan overtuigd dat hij ‘kracht’ krijgt als hij iemand slaat, verwondt of doodt. Vanuit zijn pathologie legt hij wisselende verklaringen over het ten laste gelegde en is zijn denken op momenten wisselend en gefragmenteerd. Zijn denken, voelen en handelen worden in zeer grote mate beheerst door de ernstige psychotische stoornis. Ook zijn afwegingen om te ‘kiezen’ voor een bepaald slachtoffer worden gemaakt binnen dezelfde psychotische denkkaders. De verdachte is op een basaal niveau op de hoogte van de maatschappelijke normen (iemand pijn doen mag niet), maar overziet vanuit de verstandelijke beperking zijn situatie en de gevolgen van zijn handelen beperkt. De deskundigen adviseren de rechtbank om het ten laste gelegde sterk verminderd aan de verdachte toe te rekenen. Daarbij merken de deskundigen op dat een volledige doorwerking van de pathologie (volledige ontoerekeningsvatbaarheid) niet uit te sluiten is. Zij kunnen dat echter niet sluitend onderbouwen, omdat zij geen volledig zicht hebben kunnen krijgen op mogelijke relevante aspecten in de delictdynamiek.
Op de zitting hebben de deskundigen de rapportage nader toegelicht. De toestand van de verdachte op de zitting was volgens de deskundigen hetzelfde als tijdens het onderzoek in het PBC. De deskundigen staan nog steeds achter hun rapportage. De mate van medewerking van de verdachte aan het onderzoek in het PBC is passend bij zijn pathologie. Deze pathologie heeft de onderzoekbaarheid van de verdachte beperkt.
Vastgesteld kan worden dat de verdachte ten tijde van het feit psychotisch ontregeld was, maar de mate waarin kan niet worden vastgesteld. Voor de deskundigen staat vast dat de pathologie verdachtes keuzevrijheid heeft aangetast, maar zij hebben niet helder gekregen of de verdachte ten tijde van het feit een zodanige acute psychotische ontregeling heeft doorgemaakt dat hij geen enkele keuzemogelijkheid meer heeft gehad, in welk geval een conclusie van volledige ontoerekeningsvatbaarheid op zijn plaats zou zijn.
Bij een zo vergaande psychotische ontregeling is het denken en handelen volgens de deskundigen dermate aangetast, dat dit voor iedereen zichtbaar is. Een dergelijke ontregeling komt vaak uit het niets en geeft veelal een contrast te zien ten opzichte van het algemeen functioneren. Dat beeld zien de deskundigen hier niet. Uit de informatie blijkt namelijk enige vorm van aanloop en de professionals van de instelling die om de verdachte heen stonden hebben hem ook niet zien ontregelen ten opzichte van zijn gebruikelijke toestand, zo stellen de deskundigen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de rapportage van de deskundigen en de door hen ter terechtzitting gegeven toelichting, die de rechtbank overneemt, vast dat bij de verdachte sprake is van een ernstige chronische psychotische stoornis en een verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het feit.
Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om vast te stellen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit de wederrechtelijkheid van zijn handelen in het geheel niet kon begrijpen of dat hij in het geheel niet in overeenstemming met dat besef kon handelen.
Uit de rapportage volgt dat de verdachte weet dat hij mensen geen pijn mag doen. Zijn begrip van de wederrechtelijkheid van zijn gedraging was in die zin niet dusdanig verstoord, dat hij dat niet kon begrijpen. De verdachte heeft voorafgaand en ook na het feit gezocht naar (het) straf(recht) bij moord. Ook daaruit volgt dat hij ervan op de hoogte was dat het strafbaar is om iemand te doden. De verdachte beschikte dus over voldoende capaciteiten om de wederrechtelijkheid van het feit te beseffen.
De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte enigszins in staat was om in overeenstemming met zijn begrip van die wederrechtelijkheid te handelen, dus om zichzelf daarvan te weerhouden. De rechtbank ziet net als de deskundigen geen aanwijzingen voor een acute psychotische ontregeling bij de verdachte ten tijde van het feit. Er was sprake van een zekere aanloop, waarbij is gezocht op zoektermen gerelateerd aan het doden van iemand, een mes is gekocht en verstopt, en waarbij een slachtoffer is uitgezocht en gevolgd. Ook is er ten tijde van het feit geen contrast waargenomen met het gebruikelijke functioneren. Verder geeft het handelen van de verdachte na afloop van het feit evenmin aanleiding om te veronderstellen dat hij ten tijde van het plegen van het feit in het geheel niet in staat was om zijn wil te bepalen en daarnaar te handelen. De rechtbank noemt in dit verband het opnieuw verstoppen van het mes en verdachtes pogingen om uit handen van de politie te blijven.
Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden, die juist in de tegengestelde richting wijzen, is het feit dat volledige doorwerking van de pathologie, gelet op de beperkingen van het onderzoek, niet kan worden uitgesloten, voor de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat het handelen van de verdachte volledig werd bepaald door zijn stoornis.
Conclusie
Op basis van de beschikbare informatie gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit in enige mate in staat was om zijn handelen te sturen. Gelet hierop kan van volledige ontoerekeningsvatbaarheid geen sprake zijn. De rechtbank zal het advies van de deskundigen om de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten, volgen. De verdachte is dus strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van het voorarrest en dat aan de verdachte terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: tbs) wordt opgelegd.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen, maar alleen tbs. Daarbij heeft de advocaat erop gewezen dat (1) in een reguliere penitentiaire inrichting de psychiatrische behandeling die de verdachte nodig heeft niet aanwezig is, (2) de huidige medicatie onvoldoende effectief is, (3) zonder adequate behandeling het recidiverisico hoog is, (4) langdurige detentie voorafgaand aan de tbs-behandeling, de behandeling niet ten goede komt. Indien de rechtbank daar niet in meegaat, verzoekt de advocaat om deze feiten en omstandigheden zwaar mee te wegen bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaar. Ook legt de rechtbank aan de verdachte tbs met dwangverpleging op.
Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op 2 januari 2025 de destijds 76-jarige mevrouw [slachtoffer] vermoord. Zij kwam net bij de pedicure vandaan, had boodschappen gedaan en liep nietsvermoedend door [plaats 2] . Daar werd zij op klaarlichte dag op koelbloedige en gruwelijke wijze met zeventien messteken doodgestoken. Het is onvoorstelbaar wat voor angst en pijn zij in deze laatste momenten van haar leven moeten hebben gehad. Voorbijgangers en buurtbewoners hebben nog geprobeerd [slachtoffer] te reanimeren, maar zij is ter plaatse overleden.
Moord is één van de ernstigste delicten die het strafrecht kent en de verdachte heeft [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat een mens heeft, het recht op leven, ontnomen. Door de moord is aan de nabestaanden van het slachtoffer enorm en onherstelbaar leed toegebracht. De dood van [slachtoffer] was willekeurig en zinloos. [slachtoffer] wordt door haar echtgenoot omschreven als iemand die volop in het leven stond, beschikte over een enorme levenslust en behulpzaam was naar anderen. Uit zijn slachtofferverklaring volgt ook dat het dagelijks gemis dat hij voelt niet met woorden te beschrijven is.
Niet alleen de directe omgeving van [slachtoffer] is opgeschrikt en geschokt door de moord. Een moord als deze schokt de samenleving en veroorzaakt gevoelens van grote afschuw, angst en onveiligheid. Deze gevoelens worden nog versterkt doordat de verdachte was opgenomen in een kliniek en de moord heeft gepleegd tijdens zijn verlof. Dit heeft begrijpelijkerwijs ook een enorme impact gehad op de inwoners van [plaats 2] .
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 6 maart 2025 volgt dat hij in het verleden meermaals in aanraking is gekomen met politie en justitie, maar niet recent is veroordeeld voor geweld. In februari 2024 is hij ontslagen van alle rechtsvervolging voor een mishandeling. Daarnaast zijn in 2023 en 2024 enkele mishandelingen geseponeerd, met de vermelding dat ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert. De psychische gesteldheid van de verdachte heeft vermoedelijk aan deze beslissingen ten grondslag gelegen. Omdat geen sprake is van recente veroordelingen voor geweld, zal de rechtbank het strafblad van de verdachte niet in strafverzwarende zin meewegen.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de hiervoor al deels besproken Pro-Justitia rapportage. Onder paragraaf 4.3. heeft de rechtbank aan deze hand van deze rapportage al vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een ernstige chronische psychotische stoornis en een verstandelijke beperking en geoordeeld dat zij het feit in (sterk) verminderende mate aan de verdachte toerekent.
Uit de Pro-Justitia rapportage blijkt verder dat sprake is van een hoog recidiverisico buiten een strikt extern kader, terwijl zelfs binnen een strikt extern kader een matig recidiverisico bestaat. Vanwege de forse beperkingen en de complexe en nog onvoldoende behandelde problematiek, het gebrekkige probleeminzicht, de behoefte aan strikte externe kaders en voortdurende monitoring, zien de deskundigen geen andere mogelijkheid dan het opleggen van tbs met dwangverpleging.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de reclassering van 19 januari 2026. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de Pro-Justitia rapporteurs om tbs met dwangverpleging op te leggen.
De oplegging van straf en maatregel
De straf
De rechtbank is van oordeel dat het feit van zodanige aard en ernst is dat alleen een langdurige vrijheidsbenemende straf aan de orde kan zijn. De rechtbank ziet dus niet af van het opleggen van een gevangenisstraf, zoals de advocaat heeft verzocht. Een dergelijke straf dient ter vergelding van het door de verdachte veroorzaakte onherstelbare leed en de angstgevoelens die een dergelijk feit oproept in de maatschappij. Bij het bepalen van de hoogte van de straf kijkt de rechtbank naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt rekening met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van het voorarrest.
Gelet op de ernst van het feit en gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, waarbij ook sprake is van (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, legt de rechtbank een hogere straf op dan de officier van justitie heeft geëist.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat de verdachte sinds 3 januari 2025 in voorarrest zit. De rechtbank doet meer dan zestien maanden later uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met drieënhalve maand. De rechtbank zal, gelet op deze beperkte overschrijding, volstaan met de constatering daarvan.
De tbs-maatregel
De rechtbank volgt het advies van de deskundigen en reclassering en legt aan verdachte tbs met dwangverpleging op. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke maatregel is voldaan. Bij de verdachte bestond ten tijde van het feit een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogen en op het door hem begane feit is een gevangenisstraf van meer dan vier jaar gesteld. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist de oplegging van de maatregel, omdat het uit de stoornis voortvloeiende recidivegevaar zonder behandeling onverminderd hoog is.
De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De duur van de maatregel is daarom niet gemaximeerd.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij
[nabestaande/benadeelde partij] , de echtgenoot van [slachtoffer] , heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.191,93. Dit bedrag bestaat uit € 9.191,93 voor vergoeding van materiële schade en € 20.000,- voor vergoeding van immateriële schade bestaande uit affectieschade.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente op te leggen.
6.2.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzochte kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
[nabestaande/benadeelde partij] valt binnen de kring van gerechtigden die kosten van lijkbezorging kunnen vorderen. De opgevoerde materiële schadepost heeft (kort gezegd) betrekking op de kosten van de uitvaart en is niet betwist. Deze schadepost is voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van deze kosten daarom in haar geheel toe.
Immateriële schade (affectieschade)
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de affectieschade toe. [slachtoffer] is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. [nabestaande/benadeelde partij] heeft als echtgenoot van de overledene recht op vergoeding van affectieschade. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 20.000,-, zoals is gevorderd.
Wettelijke rente
De hiervoor toegewezen bedragen die de verdachte aan de benadeelde partij moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum vanaf het ontstaan van de schade. Dit brengt mee dat de vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2025. Voor de vergoeding van de materiele schade bekent dit dat deze wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke factuurdata.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 155 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 8 jaar;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande/benadeelde partij]
  • wijst de vordering van [nabestaande/benadeelde partij] geheel toe tot een bedrag van € 29.191,93;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [nabestaande/benadeelde partij] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
  • over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 2 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • over een bedrag van € 8.560,50 met ingang van 27 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • over een bedrag van € 631,43 met ingang van 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande/benadeelde partij] aan de Staat € 29.191,93 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:
  • over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 2 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • over een bedrag van € 8.560,50 met ingang van 27 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • over een bedrag van € 631,43 met ingang van 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 155 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Bemmelen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Den Dolder, althans in Nederland,
[slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade,
van het leven heeft beroofd, door met een mes, althans een scherp en/of puntig
voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/in de (boven)rug en/of
de hals en/of het hoofd, althans het lichaam te steken en/of te snijden en/of te
prikken.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van 1 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 20 december 2024 heb ik een mes gekocht bij de Action in [plaats 3] en dat mes heb ik op diezelfde dag verstopt in [plaats 2] , in de bosjes bij de loopbrug naar de kliniek toe. Ik heb op 2 januari 2025 in [plaats 2] dat mes gepakt en daarna [slachtoffer] met dat mes gestoken. Ik stak bovenhands. Daarna heb ik het mes teruggelegd bij het bruggetje, waar de politie het heeft gevonden.
Een rapport, te weten het definitief deskundigenrapport forensische pathologie, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Er werden bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] aan het lichaam 17 steekletsels vastgesteld. Alle waren zij-achter-bovenwaarts aan het hoofd en aan de nek en rug gelegen. Deze steekletsels waren gezien de begeleidende bloeduitstortingen, alle bij leven ontstaan door meervoudige inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld (steken) met een scherprandig steekvoorwerp, zoals een mes. [2]
Het diepst gemeten steekkanaal betreft circa 16 centimeter. [3] Het intreden van de dood van [slachtoffer] wordt volledig verklaard op traumatische grond, door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld (steekletsels). Drie steekletsels hebben geleid tot perforaties van een belangrijke structuur (de linkerborstholte) en belangrijke organen (de linkerlong en de aorta), waarmee het intreden van de dood wordt verklaard als gevolg van algehele weefselschade door substantieel bloedverlies en ademhalingsfunctiestoornissen en longfunctiestoornissen. [4]
Een proces-verbaal van bevindingen ‘onderzoek Samsung S24 van verdachte’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een aantal opvallende zoekopdrachten betroffen:
09-10-2024 11:18:00 uur iemand doodslaan gezond
18-11-2024 10:43:25 uur doodslaan saak [5] 19-11-2024 19:43:45 uur moord gevangenisstraf
23-11-2024 18:56:22 uur doodslaan
14-12-2024 12:07:53 uur wat gebeurt er met je als je iemand dood [6]
Een proces-verbaal van bevindingen ‘onderzoek Colornote applicatie telefoon verdachte’, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Bij het onderzoek bekeek ik de recent gebruikte applicaties van de telefoon. Ik zag dat er een notitie stond. Ik zag dat de volledige tekst van de notitie betrof: "Mes verstopt einde van de brug bij de speeltuins kant". Ik zag dat de datum van aanmaken van de notitie was: 20 december 2024 om 15:28:31 uur. Verder zag ik dat de applicatie voor het laatst geopend was op 2 januari 2025 om 12.35 uur. [7]
Een proces-verbaal van bevindingen ‘totaalbeeld camerabeelden’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Beelden 2 januari 2025
Tijd: 14:20:44
Omschrijving: Nadat [verdachte] zich ophield in de omgeving van de [straat 3] , liep
hij terug naar de [straat 1] . Op de beelden is niet te zien waar hij zich vervolgens
ophield. De locatiegegevens van zijn telefoon peilen uit op de speeltuin aan de [straat 1]
en de brug over de [.] . Om 14:20 uur liep hij via de [straat 1] terug naar het centrum van [plaats 2] . [8]
Tijd: 14:27:57 tot 14:28:55
Omschrijving: [verdachte] stak de spoorwegovergang aan de overzijde, ten opzichte van de station zijde, over. [verdachte] liep op dat moment schuin voor slachtoffer [slachtoffer] . [9]
Tijd: 14:29:00 tot 14:30:04
Omschrijving: Na het passeren van de spoorwegovergang stopte verdachte [verdachte] ineens met lopen. Hij bleef 8 seconden staan, keek om zich heen en zag [slachtoffer] aan de overzijde van de weg. [verdachte] liet [slachtoffer] passeren en stak vervolgens de [straat 4] over. Hierna liep hij achter [slachtoffer] aan in de richting van de [straat 1] . [10]
Een proces-verbaal van bevindingen ‘camerabeelden gedrag [verdachte] ’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Bij het bekijken van de beelden viel het mij op dat verdachte [verdachte] niet of nauwelijks oog had voor zijn omgeving. Zijn gezicht was veelal of naar de grond gericht of hij keek op zijn telefoon. Echter waren er een aantal momenten waarop zijn gezicht gericht was op personen om zich heen. Dit waren momenten waarop zichtbaar oudere personen zich in zijn omgeving bevonden. Ook viel het mij op dat verdachte [verdachte] een aantal keer vlak achter oudere vrouwen liep. [11]
5: Er komt een oude man achter een rollator in beeld gelopen. [verdachte] kijkt naar de man en blijft naar hem kijken.
6 en 7: De man verdwijnt achter [verdachte] uit beeld. [verdachte] blijft richting de man kijken en draait zijn hoofd naar achteren, in de looprichting van de man. [12]
Tijd: 14:28:46
Omschrijving: Verdachte [verdachte] steekt de spoorwegovergang over in de richting van de
[straat 1] . Hij loopt achter een oude vrouw die achter een rollator loopt. De afstand is constant hetzelfde tussen hen, hij loopt hetzelfde tempo als de desbetreffende vrouw. [13]
Tijd: 14:29 uur.
Omschrijving: Verdachte [verdachte] loopt nog korte tijd achter eerdergenoemde vrouw aan. Dan stopt hij en kijkt hij naar de overzijde van de weg. Hier loopt verdachte [slachtoffer] . [verdachte] wacht enkele seconde en steekt dan de weg over. Hij loopt vervolgens achter slachtoffer [slachtoffer] aan. [14]

Voetnoten

2.Pagina 76.
3.Pagina 77.
4.Pagina 78.
5.Pagina 222.
6.Pagina 223.
7.Pagina 216.
8.Pagina 279.
9.Pagina 280.
10.Pagina 281.
11.Pagina 353.
12.Pagina 356.
13.Pagina 357.
14.Pagina 358.