ECLI:NL:RBMNE:2026:4561

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
614851 HA RK 26-138
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek gericht tegen gehele rechtbank en rechter in hoofdzaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de gehele rechtbank en de rechter in de hoofdzaak. De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld zonder mondelinge behandeling.

Volgens artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan een wrakingsverzoek alleen worden gericht tegen de rechter(s) die een zaak behandelen. Een verzoek tegen de gehele rechtbank is wettelijk niet toegestaan. Daarnaast was er nog geen rechter aan de hoofdzaak gekoppeld, waardoor ook het verzoek tegen die rechter niet ontvankelijk kon worden verklaard.

De wrakingskamer concludeerde daarom dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek tegen de gehele rechtbank en de rechter in de hoofdzaak.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 614851 HA RK 26-138
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
21 juli 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 14 juli 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen de gehele rechtbank en tegen de rechter in de zaak met het zaaknummer 26/6480 (de hoofdzaak).
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Er is geen advocaat toegevoegd, het verzoek om ontheffing van griffierecht is niet verleend en de griffier van de wrakingskamer wil niet zeggen hoe hij over een bepaalde kwestie denkt.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 8:15 Awb Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij of zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij of zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.2.
Het wrakingsverzoek is gericht tegen de gehele rechtbank en de rechter in de hoofdzaak.
3.3.
Uit artikel 8:15 Awb Pro volgt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen de rechter(s) die de zaak behandelt (behandelen). Op grond van de wet is een wrakingsverzoek dat is gericht tegen de gehele rechtbank dus niet mogelijk. Verder is er aan de hoofdzaak nog geen rechter gekoppeld. Dit betekent dat ook het wrakingsverzoek tegen de rechter in de hoofdzaak niet kan slagen. Verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek. [1]
3.4.
De conclusie is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, andere betrokken partijen en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 26/6480 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. M.M. Janssen-Witteveen en mr. C.A.J. van Yperen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door
mr. D. van Wijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie ook 2.4.2 onder e van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank.