Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
3.
[eiser sub 3],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Midden-Nederland
De eisers, voormalig franchisenemers, vorderden een schadevergoeding van €530.809,90 wegens de onterechte ontbinding van hun franchise- en huurovereenkomst door de gedaagde franchisegever op 14 juni 2013. De rechtbank baseert zich op eerdere uitspraken, waaronder een arrest van het gerechtshof Den Bosch, waarin werd vastgesteld dat de ontbinding onterecht was, maar dat de franchisegever geen schadevergoeding hoefde te betalen voor asbestverontreiniging vanwege een exoneratieclausule.
De eisers stelden dat zij gemiste inkomsten en kosten voor juridische bijstand en deskundigenkosten hadden geleden. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde prognoses voor gemiste inkomsten onvoldoende aannemelijk waren en dat de gerealiseerde omzetcijfers uit een eerdere periode een beter uitgangspunt vormden. Uit fiscale rapporten bleek dat de onderneming verlieslijdend was en dat er geen concrete plannen waren om winstgevendheid te vergroten.
Ook de vordering voor kosten juridische bijstand en deskundigenkosten werd afgewezen, omdat deze kosten grotendeels verband hielden met eerdere procedures en onder de proceskostenregeling vielen. De voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. De eisers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis werd gewezen door mr. D. Wachter en uitgesproken op 28 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding af en veroordeelt de eisers tot betaling van de proceskosten.