ECLI:NL:RBMNE:2026:459

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11800604 \ MC EXPL 25-4083
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:262 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering herstel woninggebreken en huurprijsvermindering wegens te late dagvaarding

Eiser huurt sinds juni 2023 een woning van Goede Stede en vordert herstel van gebreken en een huurprijsvermindering van 60% vanaf december 2024. De huurcommissie had eerder uitspraken gedaan over ventilatie- en vochtproblemen. Eiser is echter pas na de wettelijke termijn van acht weken tegen de eerste uitspraak in beroep gegaan, waardoor deze uitspraak bindend is geworden.

De kantonrechter oordeelt dat de klachten over ventilatie en vocht niet meer aan de orde zijn omdat eiser te laat is opgekomen. De klacht over het raam is binnen de termijn, maar eiser vordert hierover geen beslissing. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van vibratiegeluid van een afvoerpijp, zodat ook deze klacht niet wordt gehonoreerd.

De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door de kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Uitkomst: Vorderingen tot herstel van gebreken en huurprijsvermindering worden afgewezen wegens te late dagvaarding en onvoldoende bewijs van overige gebreken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11800604 \ MC EXPL 25-4083
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P. de Haan,
tegen
WONINGSTICHTING GOEDE STEDE,
te Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Goede Stede,
gemachtigde: mr. L. Wanders.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 9 juli 2025 met producties 1 tot en met 10,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 20,
- de conclusie van repliek met producties 11 en 12,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] huurt sinds 27 juni 2023 een woning van GoedeStede. [eiser] eist herstel van gebreken aan de woning en een vermindering van de huurprijs met 60% vanaf 1 december 2024. GoedeStede betoogt dat partijen aan de uitspraken van de huurcommissie van 6 juli 2024 en 14 mei 2025 gebonden zijn. Volgens GoedeStede is het gebrek dat door de huurcommissie was vastgesteld inmiddels hersteld en zijn er verder geen gebreken.
2.2.
De eisen van [eiser] worden afgewezen. Hij is te laat opgekomen tegen de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie van 6 juli 2024. Daarom geldt wat daarin over de gebreken is vastgesteld. Verder is niet gebleken dat de woning overige gebreken vertoont.

3.De beoordeling

[eiser] is te laat opgekomen tegen de uitspraak van de huurcommissie (klachten A en B)
3.1.
Als een partij het niet met de uitspraak van de huurcommissie eens is, kan hij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter aanspannen. Dit volgt uit artikel 7:262 lid 1 BW Pro.
3.2.
De klachten A (ventilatie in de badkamer) en B (vocht in de slaapkamer) van [eiser] zijn door de voorzitter van de huurcommissie beoordeeld in de uitspraak die is verzonden op 5 juli 2024. Pas op 9 juli 2025 heeft [eiser] GoedeStede gedagvaard. Omdat er niet binnen acht weken gedagvaard is, wordt wat de huurcommissie heeft vastgesteld geacht te zijn overeenkomen.
Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat het geluid van de ventilator in de badkamer niet zodanig storend is, dat het als ernstig gebrek kan worden gezien. Voor het vocht in de slaapkamer geldt dat de gevolgschade van een lekkage van de dakkapel wel is waargenomen, maar dat deze niet ernstig van aard is. De gevolgschade kan bij planmatig onderhoud worden aangepakt.
3.3.
De uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie over het herstel van het raam in de slaapkamer is op 14 mei 2025 verzonden. Er is binnen de termijn van acht weken gedagvaard. De vordering van [eiser] heeft echter geen betrekking op het herstel van het raam. [eiser] schrijft dat ‘het open en sluiten van het raam mogelijk wel [is] verholpen’. Daaruit maakt de kantonrechter op dat [eiser] op dit punt geen beslissing van de rechter vordert.
Van overige gebreken is niet gebleken (klacht C)
3.4.
[eiser] heeft last van de vibratie van een afvoerpijp van het restaurant onder het appartement. Volgens [eiser] vibreert de pijp als de afzuiging van het restaurant aan staat en geeft deze vibratie veel lawaai. Dit verstoort zijn woongenot. [eiser] verwijst naar een melding die hij bij GoedeStede heeft gedaan (productie 11).
3.5.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een gebrek. De eerste melding bij productie 11 gaat over de afzuigkap in de keuken. [eiser] schrijft dat er een ventilatiegat zit en dat er lucht naar binnen komt. Dit is iets anders dan geluidsoverlast door vibratie van de afvoerpijp van het restaurant onder het appartement. Ook de tweede klacht gaat over iets anders, namelijk geluidsoverlast van werknemers van de (onder)buren. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier waaruit blijkt dat sprake is van vibratie dat lawaai geeft. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat sprake is van een gebrek.
3.6.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
De proceskosten
3.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GoedeStede worden begroot op:
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
510,00
3.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 510,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
PM/45352