ECLI:NL:RBMNE:2026:4631

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/16/607386 / FO RK 26-225
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek meerderjarigenadoptie wegens ontbreken zeer bijzondere omstandigheden

De man verzocht de rechtbank om adoptie van [belanghebbende], die op het moment van het verzoek 28 jaar oud was. De moeder en [belanghebbende] steunden het verzoek, maar de vader was overleden en kon het verzoek niet tegenspreken.

De rechtbank oordeelde dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is en dat volgens artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro het kind op het moment van het verzoek minderjarig moet zijn. Omdat [belanghebbende] meerderjarig was, kon niet aan deze voorwaarde worden voldaan. De man stelde dat het EVRM het minderjarigheidsvereiste terzijde zou moeten stellen, maar de rechtbank volgde de vaste jurisprudentie dat adoptie geen recht is dat door het EVRM wordt beschermd.

De rechtbank overwoog dat er geen zeer bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste rechtvaardigen. Hoewel de stiefvader een vaderrol vervult en er een hecht gezin is, is dit in de huidige tijd niet uitzonderlijk. Ook de erfrechtelijke gevolgen van het ontbreken van een juridische band kunnen worden gecompenseerd via testament. De rechtbank zag geen ongeoorloofde inbreuk op het gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank zag af van een oordeel over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en verwees naar een lopend wetsvoorstel dat meerderjarigenadoptie zou vereenvoudigen. De rechtbank wees het verzoek af en gaf aan dat hoger beroep mogelijk is.

Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van de meerderjarige wordt afgewezen wegens het ontbreken van zeer bijzondere omstandigheden om af te wijken van het minderjarigheidsvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/607386 / FO RK 26-225
Meerderjarigenadoptie
Beschikking van 24 juni 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man of de stiefvader
advocaat mr. C.C.J. Diderich,
tegen
[de vader],
overleden op [datum overlijden] 1997 in [plaats van overlijden] ,
hierna te noemen: de vader,
met als belanghebbenden
[belanghebbende],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [belanghebbende]
[de moeder],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, binnengekomen op 20 februari 2026;
  • het bericht met bijlage van de man van 24 februari 2026.
1.2
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling gehouden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig: de man met zijn advocaat, [belanghebbende] en de moeder. Aan stagiaire mevrouw [naam] is bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.

2.De belangrijke feiten

2.1
Het gaat in deze zaak om:
[belanghebbende], geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats 1] .
2.2
De moeder van [belanghebbende] is
[de moeder]. De vader van [belanghebbende] is
[de vader]. De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest.
2.3
De vader is overleden op [datum overlijden] 1997 in [plaats van overlijden] .
2.4
De moeder heeft nadien een relatie gekregen met de heer
[de man](hierna: de man). Zij zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] 2002 in [plaats] .
2.5
De moeder en de man hebben samen een kind:
[jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2003 in [geboorteplaats 1] .
2.6
[belanghebbende] is de vader van:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 3] 2023 in [geboorteplaats 2] .
2.7
Partijen hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt de rechtbank om de adoptie van [belanghebbende] door hem uit te spreken.
3.2
De moeder en [belanghebbende] staan achter het verzoek.
3.3
Omdat de vader is overleden kan hij het verzoek tot adoptie niet tegenspreken.

4.De beoordeling

Conclusie
4.1
De rechtbank wijst het verzoek af en zal hierna uitleggen waarom.
Het wettelijk kader
4.2
De rechtbank stelt voorop dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is. Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro is een voorwaarde voor adoptie onder meer dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is. Vaststaat dat [belanghebbende] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift 28 jaar oud was en dus meerderjarig. Dit betekent dat niet is voldaan aan de gestelde voorwaarde van minderjarigheid en dat de adoptie van [belanghebbende] door de man op grond van nationale wetgeving niet mogelijk is.
4.3
De man stelt dat het feit dat [belanghebbende] meerderjarig is niet in de weg staat aan adoptie. Hij verwijst daarbij naar artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarin het recht op ‘family life’ is neergelegd. Volgens de man moet het minderjarigheidsvereiste op grond van het EVRM terzijde worden gesteld.
4.4
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is het recht op adoptie niet één van de door het EVRM beschermde rechten. Dit betekent dat het feit dat een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch gezinsverband op zichzelf niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Dat adoptie op grond van in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden niet mogelijk is, maakt dus niet dat er sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life. Ook de Hoge Raad heeft beslist dat aan artikel 8 EVRM Pro weliswaar het recht op bescherming van family life tussen de ouders en een door hen geadopteerd kind kan worden ontleend, maar niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de nationale wet voor adoptie gestelde eisen. [1]
4.5
Het weigeren van een adoptie kan onder zeer bijzondere omstandigheden zo’n inbreuk maken op het bestaande gezinsleven dat een terzijdestelling van het minderjarigheidsvereiste in artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro gerechtvaardigd is. Het moet dan gaan om zeer uitzonderlijke gevallen waarin de weigering van de adoptie vanwege enkel de meerderjarigheid bij de indiening van het verzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen. Ook moet de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar zijn.
De beoordeling
4.6
De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waardoor voorbij gegaan kan worden aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onder Pro a BW. Zij zal dit hierna toelichten.
4.7
De rechtbank gaat eerst in op de vraag of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Gebleken is dat de vader vlak voor de geboorte van [belanghebbende] is overleden en dat [belanghebbende] vanaf zijn vierde is opgevoed en verzorgd door de stiefvader en de moeder samen. De stiefvader en de moeder hebben een dochter [jongmeerderjarige] gekregen en samen met [belanghebbende] vormen zij een hecht gezin. De stiefvader stelt dat hij een echte vaderrol vervult voor [belanghebbende] en dat er geen onderscheid is tussen [belanghebbende] en [jongmeerderjarige] . Over en weer zien zij elkaar als vader en zoon. Na het overlijden van de vader van de stiefvader bleek dat [belanghebbende] als kleinkind juridisch geen positie had. Dat tussen de stiefvader en [belanghebbende] geen juridische band aanwezig is voelt voor de stiefvader als een groot gemis. De rechtbank begrijpt dat de adoptie uit emotioneel oogpunt belangrijk is voor de stiefvader en [belanghebbende] , zeker nu [belanghebbende] zelf een kind heeft en een tweede op komst is. Op zichzelf vormt dit echter geen bijzondere omstandigheid die zou moeten leiden tot een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie. In de huidige tijd waarin stiefouders en samengestelde gezinnen vaker voorkomen, is het namelijk niet uitzonderlijk dat iemand een betere band heeft met zijn of haar sociale ouder dan met zijn of haar juridische (en biologische) ouder.
4.8
De erfrechtelijke gevolgen van het ontbreken van een familierechtelijke band tussen de stiefvader en [belanghebbende] vormen evenmin een zodanig bijzondere omstandigheid dat op grond daarvan voorbij moet worden gegaan aan minderjarigheidsvereiste. Deze consequentie geldt namelijk voor iedere persoon waarbij de familierechtelijke betrekking met een sociale ouder ontbreekt en kan door de stiefvader worden gecompenseerd of rechtgetrokken bij testament, zoals hij kennelijk al heeft gedaan. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan geoordeeld kan worden dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde gezins- en familieleven. [belanghebbende] had en heeft immers gezinsleven met de stiefvader. Dat dit nu niet juridisch wordt vertaald in een adoptie levert geen schending op van dat gezinsleven.
4.9
Omdat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of de overschrijding van de termijn van minderjarigheid verschoonbaar is.
Nieuw wetsvoorstel
4.1
De rechtbank heeft tot slot oog voor het spanningsveld tussen juridisch ouderschap en sociaal ouderschap en de maatschappelijke ontwikkelingen op dit gebied. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om, zoals verzocht, vooruit te lopen op het wetsvoorstel ‘Wet afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel’. Dit wetsvoorstel brengt met zich dat adoptie van meerderjarigen eenvoudiger zal worden. Volgens dit wetsvoorstel hoeft van zeer bijzondere omstandigheden geen sprake meer te zijn, maar is het voldoende voor meerderjarigenadoptie dat het meerderjarige kind als minderjarige gedurende tenminste vijf jaar door adoptant en diens eventuele partner als behorende tot het gezin is opgevoed. Dit is als eis opgenomen omdat een eis als ‘zeer bijzondere omstandigheden’ volgens de wetgever tot rechtsongelijkheid leidt. Het wetsvoorstel ligt op dit moment ter consultatie voor. Het is daarmee nog onduidelijk of het wetsvoorstel in de huidige vorm aangenomen zal worden en als dat al zo is, wanneer het in werking zal treden. Dit zou nog jaren kunnen duren. Het is uiteindelijk aan de wetgever om dit spanningsveld te beoordelen en de noodzaak voor een wetswijziging te onderzoeken. De rechtbank wenst deze ontwikkeling af te wachten.

5.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.HR 30 juni 2000, NJ 2001, 103, ECLI:NL:2000:AA6339.