ECLI:NL:RBMNE:2026:4633

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/16/589939 / FL RK 25-253
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Afghaans BWArt. 98 Afghaans BWArt. 110 Afghaans BWArt. 131 Afghaans BWArt. 156 Afghaans BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vrouw tot betaling bruidsgave wegens strijd met Nederlandse openbare orde

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een geschil over de bruidsgave tussen een vrouw en een man die in 2006 in Iran naar Afghaans recht zijn gehuwd. De vrouw vorderde betaling van een bruidsgave van 220 gouden munten, terwijl de man stelde dat het Nederlands recht van toepassing is en dat de bruidsgave onredelijk is gezien zijn financiële situatie.

De rechtbank oordeelde dat de huwelijksakte authentiek is en dat het Afghaans recht van toepassing is op de bruidsgave, aangezien het recht van het land van het huwelijk geldt. Echter, de rechtbank stelde vast dat de Afghaanse regeling die de vrouw verplicht haar recht op de bruidsgave op te geven bij een Khul-scheiding in strijd is met de Nederlandse openbare orde, mede vanwege de langdurige Nederlandse betrokkenheid van partijen.

Omdat het Afghaans recht niet zonder deze regel kan worden toegepast en aanpassing niet mogelijk is, viel de rechtbank terug op het Nederlandse recht. De bruidsgave is in Nederland niet bekend en moet worden beoordeeld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Gezien de geringe draagkracht van de man en de vastgestelde alimentatieverplichtingen, wees de rechtbank het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave af.

De beslissing werd genomen door rechter M. Weistra en griffier J.J. Terpstra en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave wordt afgewezen wegens strijd met de Nederlandse openbare orde en onredelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/589939 / FL RK 25-253
Boedel – bruidsgave
Beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D. Rezaie.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft op 24 maart 2026 onder andere de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het verzoek van de vrouw over de bruidsgave is aangehouden en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op elkaar te reageren.
1.2
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • de akte van de vrouw van 25 maart 2026;
  • de akte van de man van 15 april 2026.
1.3
Er heeft geen mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden.

2.Waar de procedure over gaat

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 24 maart 2026.

3.De beoordeling

Geen valse huwelijksakte
3.1
De man stelt dat de huwelijksakte niet authentiek en echt is, omdat partijen geen 220 gouden munten maar slechts 20 gouden munten hadden afgesproken en in de huwelijksakte hebben laten opnemen. Verder hebben destijds vier getuigen de huwelijksakte ondertekend en niet twee. De vrouw heeft dit betwist.
3.2
De rechtbank gaat uit van de echtheid van de huwelijksakte, omdat zij van oordeel is dat de man zijn stelling niet heeft onderbouwd. De man heeft geen (uitgebreide) verklaring gegeven over hoe het huwelijk tot stand is gekomen en/of welke twee andere getuigen er, naast de vader en de broer van de vrouw, dan aanwezig zijn geweest. Bovendien blijkt dat er voor de totstandkoming van een huwelijk in Afghanistan twee handelingsbekwame getuigen aanwezig dienen te zijn. [1] Dit alles maakt dat de rechtbank geen twijfels heeft over de echtheid van de huwelijksakte.
De bruidsgave
3.3
De vrouw stelt dat het Afghaans recht van toepassing is op de bruidsgave en niet het Iraans recht, omdat de bruidsgave voortvloeit uit het door partijen naar Afghaans recht gesloten huwelijk.
3.4
De man vindt primair dat het Nederlands recht van toepassing is, omdat er een nauwere band is met Nederland dan met Afghanistan. Het zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid als de man gehouden is om een bruidsgave van 220 gouden munten (volgens de vrouw € 111.474,- in euro’s) aan de vrouw te betalen gelet op zijn geringe financiële draagkracht. Subsidiair meent de man dat de bruidsgave naar Nederlands recht in de gemeenschap is gevallen. Meer subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat er sprake is van een eenzijdige echtscheiding op initiatief van de vrouw. Dat betekent dat er sprake is van een ‘Khul’ scheiding waartoe de man een beroep doet op het Afghaans Burgerlijk Wetboek en hij recht heeft op compensatie ter hoogte van de bruidsgave van de vrouw.
Juridisch kader
3.5
Deze zaak heeft internationaal-privaatrechtelijke aspecten door de plaats van de huwelijksvoltrekking (Iran), het toepasselijke recht van de huwelijksvoltrekking (Afghaans) en de nationaliteiten van partijen. Partijen wonen al lange tijd in Nederland, maar zijn oorspronkelijk afkomstig uit Afghanistan en Iran. De man had tijdens de huwelijksvoltrekking de Afghaanse nationaliteit en de vrouw de Iraanse nationaliteit. Door al deze aspecten heeft de zaak raakvlakken met zowel de Iraanse, de Afghaanse als de Nederlandse rechtsorde.
3.6.
Om zich een oordeel te kunnen vormen over de rechtsmacht en het toe te passen recht op deze zaak, zal de rechtbank eerst stilstaan bij het karakter van de door de vrouw verlangde bruidsgave.
3.7.
Uit de huwelijksakte volgt dat partijen naar Afghaans recht zijn gehuwd. Naar Afghaans recht heeft de vrouw na voltrekking van het huwelijk recht op een bruidsgave. [2] De bruidsgave wordt als eigendom van de vrouw beschouwd. [3] In Nederland is de bruidsgave niet bekend en wordt het beschouwd als een eigen rechtsfiguur die moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de bruidsgave tot stand is gekomen. [4]
3.8.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om het geschil te behandelen overeenkomstig de hoofdregel in het internationale privaatrecht, dat de gedaagde partij in Nederland woont. Overigens woont ook de vrouw in Nederland en is de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet betwist.
3.9.
De vraag of de vrouw recht heeft op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar Afghaans recht. Dat is het recht van het land waar de aanspraak op de bruidsgave is ontstaan. Uit de huwelijksakte volgt namelijk dat partijen naar Afghaans recht zijn gehuwd.
3.10.
De rechtbank overweegt dat een Afghaans huwelijk kan worden ontbonden door:
  • nietigverklaring;
  • afwijzing;
  • onbaatzuchtige verlossing (hierna: Khul-scheiding); of
  • gerechtelijke echtscheiding (wegens defect, schade, afwezigheid).
Op grond van het Afghaans Burgerlijk Wetboek kan de vrouw vragen om een Khul-scheiding [6] in ruil voor bezittingen die de vrouw aan de echtgenoot overdraagt. Als bij de Khul-scheiding de gehele bruidsgave als tegenprestatie is overeengekomen en de vrouw de bruidsgave geheel of gedeeltelijk heeft ontvangen, is zij verplicht het ontvangen bedrag terug te geven. In andere gevallen is de echtgenoot ontheven van de verplichting tot betaling van de bruidsgave, ongeacht of de Khul-scheiding vóór of na consumptie van het huwelijk heeft plaatsgevonden. [7] Als de tegenprestatie ten tijde van de Khul-scheiding niet is vastgesteld, worden beide echtgenoten vrijgesteld van hun verplichtingen uit het huwelijk. Evenmin kan de echtgenoot van de vrouw terugeisen wat zij al heeft verkregen, noch kan de vrouw eisen wat nog openstaat van de echtgenoot. [8]
Afghaans recht in strijd met de openbare orde en welk rechtsgevolg brengt dat met zich mee?
3.11.
In dit geval is de vrouw de echtscheidingsprocedure gestart (Khul-scheiding). Dit zou met zich meebrengen dat de vrouw de openstaande bruidsgave van 220 gouden munten niet meer kan opeisen dan wel de man moet compenseren. De rechtbank moet (ambtshalve) beoordelen of deze beperking, namelijk het opgeven van haar recht op de bruidsgave/compensatie van de man om echtscheiding te kunnen verzoeken, in strijd is met de Nederlandse openbare orde. [9] Dat is het geval als toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. [10] Daarbij spelen de omstandigheden van het geval een rol en met name de betrokkenheid van Nederland met de zaak. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake zijn van strijd met de openbare orde. De rechtbank constateert dat de Nederlandse rechtssfeer een grote rol heeft in het leven van partijen. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.
3.12.
Partijen zijn op [datum huwelijk] 2006 op [locatie] in Iran getrouwd. Uit de uittreksels van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat de man zich in september 2000 in Nederland heeft ingeschreven op een woonadres en de vrouw in augustus 2007. In 2008 is het oudste kind van partijen in Nederland geboren en in 2013 en 2016 de andere twee kinderen. De kinderen gaan school/studeren in Nederland. De vrouw woont al 19 jaar in Nederland en de man 26 jaar. De man heeft in Nederland een onderneming gevoerd en de vrouw doet dat nog steeds. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de bepaling uit het Afghaans Burgerlijk Wetboek in strijd moet worden geacht met de Nederlandse openbare orde.
3.13.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen wat het rechtsgevolg is van het feit dat de Afghaanse bepaling in strijd is met de openbare orde. Hierin volgt zij de stappen die de rechtbank Oost-Brabant [11] heeft uiteengezet.
  • stap 1: kan het Afghaanse recht toegepast worden zonder de regel die in strijd met de openbare orde?
  • stap 2: als dat niet mogelijk is, kan dan de terzijde gestelde regel worden aangepast of aangevuld;
  • stap 3: als aanpassing of aanvulling niet mogelijk is, dan dient te worden onderzocht welk ander recht voor toepassing in aanmerking komt;
  • stap 4: als dit geen goede oplossing biedt – aldus nog steeds volgens bovengenoemde benadering – dient teruggevallen te worden op de lex fori (het recht van de bevoegde rechter).
3.14.
De rechtbank is van oordeel dat het Afghaans recht niet kan worden toegepast zonder de regeling die in strijd is met de openbare orde. Dit is niet mogelijk, omdat de bruidsgave door partijen is overeengekomen en niet los kan worden gezien met de regel dat de vrouw haar recht daarop moet opgeven dan wel de man moet compenseren.
3.15.
Voor wat betreft de tweede te nemen stap geldt dat de bruidsgave is verankerd in het islamitisch recht (in dit geval het Afghaans recht). De bruidsgave heeft een eigen karakter en kan niet gelijk worden gesteld met een rechtsfiguur dat wij in Nederland kennen zoals een onderhoudsverplichting. Omdat partijen allebei in Nederland wonen, op de door de vrouw verzochte echtscheiding Nederlands recht is toegepast en partijen aanspraak (kunnen) maken op in het Nederlands recht verankerde voorzieningen zoals een bijstandsuitkering, toeslagen en alimentatie maken een aanvulling of aanpassing van de terzijde gestelde regel niet mogelijk.
3.16.
Voor het toepassen van ander recht ziet de rechtbank geen aanwijzingen (stap 3). Dit brengt met zich mee dat zal worden terug gevallen op de lex fori, dus op Nederlands recht (stap 4). Dat betekent dat naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld of de vrouw aanspraak kan maken op de bruidsgave.
3.17.
Zoals onder 3.15. vermeld, kent het Nederlands recht de figuur van de bruidsgave niet. Voor zover die moet worden beschouwd als een (verbintenisrechtelijke) overeenkomst tussen partijen, geldt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [12]
3.18.
De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de man te verplichten 220 gouden Bahar Azadi munten (althans de waarde daarvan in euro’s) aan de vrouw te voldoen. De vrouw heeft in haar verzoekschrift gesteld dat 220 gouden Bahar Azadi munten gelijk staat aan een geldbedrag van € 111.474,-. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit bedrag in de buurt komt bij de welstand van partijen tijdens het huwelijk. In de vorige beschikking is namelijk de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 50,- per maand voor drie kinderen en is het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen ook vastgesteld op € 50,- per maand. Verder is het verzoek om partneralimentatie van de vrouw afgewezen, wegens een tekort aan draagkracht bij de man. Uit niets is gebleken dat de man, bij toewijzing van het verzoek van de vrouw, het gevraagde bedrag zou kunnen voldoen.
3.19.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot overdracht van 220 gouden Bahar Azadi munten of een equivalent daarvan in euro’s ter hoogte van € 111.474,- dan ook af.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
wijst het verzoek van de vrouw over de bruidsgave af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 77 van Pro het Afghaans Burgerlijk Wetboek (BW) (via Bergmann, Ferid e.a.).
2.Artikel 98 Afghaans Pro BW.
3.Artikel 110 Afghaans Pro BW.
4.Prof. mr. S.W.E. Rutten, ‘De islamitische bruidsgave, deel II: het is niet al goud wat blinkt; de bruidsgave in de Nederlandse rechtspraak’, FJR 2025/22.
5.Artikel 131 Afghaans Pro BW (via Bergmann, Ferid e.a.).
6.Artikel 156 Afghaans Pro BW (via Bergmann, Ferid e.a.).
7.Artikel 163 Afghaans Pro BW.
8.Artikel 164 Afghaans Pro BW.
9.Artikel 10:6 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
10.Hoge Raad van 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.
11.Rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:47.
12.Artikel 6:248 lid 2 BW Pro.