ECLI:NL:RBMNE:2026:4686

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
16/032363-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 241 SrArt. 312 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging en oplegging van ongemaximeerde tbs met dwangverpleging na bewezenverklaring diefstal met geweld en aanranding

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 24 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van een gewapende overval op een KPN-winkel en een aanranding van een vrouw in Lelystad in januari 2025. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard op basis van getuigenverklaringen, camerabeelden en een foto van een omstander.

De verdachte werd echter volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard vanwege een chronische psychotische stoornis (schizofrenie) en cannabisgebruik, waardoor hij niet strafbaar is. De rechtbank ontslaat hem van alle rechtsvervolging. Gezien de ernst van de feiten en het hoge recidiverisico legt de rechtbank een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging op, omdat tbs met voorwaarden niet uitvoerbaar is.

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van €6.200, waarvan de rechtbank €1.000 aan immateriële schade toewijst en de materiële schadevordering niet-ontvankelijk verklaart. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling aan de Staat met wettelijke rente en een gijzelingsmogelijkheid bij niet-betaling. De uitspraak is gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/032363-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in J.C. [locatie] te [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. Kamper;
  • de advocaat van de verdachte: mr. J.A.C. van den Brink (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 30 januari 2025 in Lelystad een KPN-winkel heeft overvallen door met bedreiging met geweld tegen [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] meerdere telefoons te stelen;
feit 2
op 28 januari 2025 in Lelystad [aangeefster] heeft aangerand.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2. De advocaat voert geen verweer voor feit 1.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen feit 2
Uit de inhoud van de stukken in het dossier volgt dat aangeefster [aangeefster] op 28 januari 2025 in Lelystad op het trottoir vlak bij haar woning door een man wordt vastgegrepen. De man betast haar borsten en grijpt haar over haar broek bij haar vagina. Vervolgens gooit de man aangeefster met kracht op het trottoir, buigt zich over haar heen en probeert haar broek uit te trekken. Aangeefster schopt de man, waardoor zij loskomt en kan wegrennen. Terwijl de man haar achterna rent, belt aangeefster haar partner die samen met zijn broer onmiddellijk naar haar toe komt. Als de man de partner van aangeefster en zijn broer (hierna: de broers [A] ) ziet, slaat hij op de vlucht waarop de broers [A] hem achterna rennen. Als ze de man vervolgens te pakken krijgen ontstaat er een worsteling. Aangeefster komt iets later aangerend en ziet dat de broers [A] aan het vechten zijn met de man die haar zojuist heeft betast. Na de worsteling achtervolgt de man de broers [A] enige tijd terwijl hij een steen in zijn hand heeft. Een onbekend gebleven schilder die op dat moment in de buurt aan het werk was, heeft verklaard dat hij twee mannen zag lopen die werden achtervolgd door een man met een steen. Omdat hij dit opvallend vond, heeft hij een foto gemaakt van die laatste man.
Kort na het voorval is deze foto getoond aan aangeefster en de broers [A] , die hebben verklaard dat dit de man is die aangeefster heeft aangerand dan wel waarmee de broers [A] hebben gevochten. De advocaat stelt dat deze herkenningen door aangeefster en de broers [A] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Het tonen van deze foto kort na het voorval maakt deze herkenningen onbetrouwbaar nu een enkelvoudige fotoconfrontatie de suggestie wekt dat de persoon in kwestie de dader moet zijn. Bovendien is de foto volgens de advocaat dusdanig wazig dat herkenning niet mogelijk is. Dit laatste maakt dat de herkenning van verdachte op deze foto door de verbalisant evenmin kan worden gebruikt voor het bewijs.
Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin wordt gerelateerd dat de verbalisanten een door collega’s toegestuurde foto aan de broers [A] hebben getoond volgt niet duidelijk welke foto zij hebben getoond. Ook de schriftelijke beantwoording van vragen van de raadsman door de verbalisanten hebben niet tot eenduidig uitsluitsel geleid. De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier, in onderlinge samenhang bezien, kan worden vastgesteld dat het de foto betreft die gemaakt is door de onbekend gebleven schilder.
De door de schilder gemaakte foto bevindt zich bij de stukken in het dossier. De rechtbank oordeelt dat deze foto niet van zodanig slechte kwaliteit is dat op basis daarvan een positieve en betrouwbare herkenning niet mogelijk is. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de herkenning door een verbalisant die de camerabeelden heeft onderzocht van de overval op de KPN-winkel op 30 januari 2026 door de verdachte. De verbalisant herkent de persoon op de foto als dezelfde persoon die te zien is op de camerabeelden van de overval op de KPN-winkel. De verbalisant heeft de verdachte herkend aan specifieke onderscheidende persoonskenmerken. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer tot uitsluiting van de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] .
Ten aanzien van het tonen van de foto aan aangeefster en de broers [A] stelt de rechtbank voorop dat er geen rechtsregel aan in de weg staat om gebruik te maken van de verklaring van een getuige die de dader zegt te herkenning op een hem bij een enkelvoudige fotoconfrontatie getoonde foto. Wel moet met een dergelijke fotoconfrontatie behoedzaam worden omgegaan. In algemene zin geldt dat van deze manier van confronteren een suggestieve werking uitgaat. Dit betekent echter niet dat een herkenning op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie in zijn algemeenheid dusdanig onbetrouwbaar is dat het hanteren van die methode hoe dan ook moet leiden tot uitsluiting van het daarmee verkregen bewijs.
In deze zaak is er sprake van meerdere onafhankelijke herkenningen. De foto is eerst getoond aan de broers [A] , die de verbalisanten op straat tegenkwamen, en daarna getoond aan aangeefster in de winkel waar zij werkte. Dit vond kort na het voorval plaats. Zij hebben onafhankelijk van elkaar verklaard dat de man op de foto de man betreft met wie de broers [A] in gevecht waren. Niet is gebleken dat er op dat moment sprake is geweest van enige beïnvloeding die deze herkenningen onbetrouwbaar maakt. De herkenningen ondersteunen elkaar en worden bovendien ondersteund door de verklaring van de onbekend gebleven schilder die past in de verklaring van getuige [getuige 1] . Aangeefster heeft gezien dat de broers [A] aan het vechten waren met de man en heeft stellig verklaard dat dit de man betrof die haar heeft betast. Dit alles oordeelt de rechtbank voldoende ondersteuning voor de herkenning van de man op de foto als de man die aangeefster heeft betast.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte de man is geweest die aangeefster heeft vastgegrepen en heeft betast. De rechtbank oordeelt dan ook dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen is.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 30 januari 2025 te Lelystad telefoons die aan KPN toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- naar de KPN winkel te gaan en
- in de winkel aan de telefoons te trekken en
- in een onbekende taal naar medewerkers te schreeuwen en
- een mes te pakken en
- met voornoemd mes in de richting van die [aangever 1] te lopen en
- met voornoemd mes een snijbeweging langs zijn keel te maken en daarbij die [aangever 2] aan te kijken en
- met voornoemd mes telefoons los te snijden en
- telefoons in zijn, verdachtes, jaszakken te doen;
feit 2
op 28 januari 2025 te Lelystad, met een persoon, te weten [aangeefster] seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van de borsten van die [aangeefster] en
- het vasthouden van de borsten van die [aangeefster] en
- het over de broek betasten van de vagina van die [aangeefster] en
- het op de grond gooien van die [aangeefster] en
- over die [aangeefster] hangen en de broek van die [aangeefster] uit proberen te trekken,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
feit 2
opzetaanranding.
4.2.
Strafbaarheid feiten
De feiten zijn strafbaar.
4.3.
Strafbaarheid verdachte
De verdachte is niet strafbaar. De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank heeft onder meer kennisgenomen van de volgende rapporten die over de verdachte zijn opgemaakt:
  • een Pro Justitia rapport van 17 december 2025, psychiatrisch onderzoek, opgemaakt door een psychiater;
  • een Pro Justitia rapport van 17 december 2025, psychologisch onderzoek, opgemaakt door een GZ-psycholoog.
Uit voornoemde rapporten volgt dat de verdachte lijdt aan schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Er is al langere tijd sprake van een chronisch psychotische stoornis met diverse hallucinaties en wanen gepaard gaande met negatieve symptomatologie en katatone kenmerken. In het verleden werden er herhaaldelijk (seksueel) grensoverschrijdende gedragingen waargenomen en agressieve doorbraken. De gedragsdeskundigen hebben geen volledig inzicht gekregen in het precieze toestandsbeeld van de verdachte en zijn belevingswereld ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Niet duidelijk is geworden in hoeverre verdachte medicatietrouw was voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten. Wel zijn er meerdere aanwijzingen dat de verdachte in de periode direct voorafgaand aan het tenlastegelegde aan het destabiliseren was. Het is dan ook aannemelijk dat de verdachte toenemend psychotisch ontregelde. Het is volgens de gedragsdeskundigen goed voorstelbaar dat de verdachte in zijn denken en gedrag verregaand (en mogelijk volledig) beïnvloed werd in zijn waarneming, denken en handelen en dat hij daar weinig tot geen keuzevrijheid in had. De gedragsdeskundigen adviseren daarom om de ten laste gelegde feiten in (ten minste) sterk verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte. Niet wordt uitgesloten dat indien er meer zicht was ontstaan op de belevingswereld van de verdachte en het mogelijke delictscenario, een advies om de tenlastelegging volledig niet toe te rekenen meer passend zou kunnen zijn.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en oordeelt, mede gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte en het gesprek met de verdachte op zitting, dat de bewezen verklaarde feiten in het geheel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte niet strafbaar is. De rechtbank ontslaat hem dan ook van alle rechtsvervolging.

5.Maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest;
  • een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging), ongemaximeerd.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair om bij vrijspraak van feit 2 te volstaan met een gevangenisstraf van kortere duur dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Subsidiair verzoekt de advocaat om te volstaan met tbs met voorwaarden.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging waardoor hem geen straf kan worden opgelegd. De rechtbank legt aan de verdachte tbs met dwangverpleging op. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dit oordeel komt.
Bij het bepalen van deze maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft gewapend met een mes een KPN-winkel overvallen. Daarnaast heeft de verdachte op straat een willekeurige vrouw aangerand. Dit zijn ernstige feiten. Gewapende overvallen zijn voor slachtoffers vaak zeer beangstigend. Met de aanranding heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dit soort feiten hebben voor het slachtoffer vaak vergaande nadelige psychische gevolgen. Overvallen en zedenmisdrijven zorgen daarnaast voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de directe omgeving en de samenleving als geheel.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 27 maart 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van voornoemde Pro Justitia rapporten. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een rapport van Reclassering Nederland van 24 maart 2026, opgemaakt door een reclasseringswerker.
Zoals hierboven is overwogen volgt uit de rapporten van de gedragsdeskundigen dat de verdachte lijdt aan schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Het risico op recidive wordt door de gedragsdeskundigen ingeschat als matig-hoog tot hoog. Het ontbreekt de verdachte aan ziektebesef en -inzicht. Indien de verdachte onbehandeld in vrijheid wordt gesteld keert hij terug naar een situatie en omstandigheden die de opmaat hebben gevormd voor de ten laste gelegde feiten. Om het risico op recidive te verminderen is behandeling nodig van de psychiatrische problematiek. Vanwege het langdurig bestaan van deze structurele en complexe problematiek is een langdurige intensieve en klinische behandeling van een zeer geruime tijd (jaren) nodig, in een voldoende beveiligde klinische behandelingsetting. Na stabilisatie kan nader onderzoek meer inzicht geven in het niveau van functioneren van verdachte en zijn belastbaarheid. Nadien kan worden bezien wat de haalbaarheid is ten aanzien van resocialisatie en wonen en welke ondersteuning en toezicht daarbij noodzakelijk zullen zijn.
De gedragsdeskundigen kwamen in de eerste instantie tot het advies om de verdachte tbs met dwangverpleging op te leggen. In de laatste contacten met de gedragsdeskundigen was het psychiatrisch beeld van de verdachte echter zodanig opgeknapt dat de gedragsdeskundigen de rechtbank adviseerden om door de reclassering te laten onderzoeken of tbs met voorwaarden kan volstaan. Verdachte heeft bij deze contacten aangegeven open te staan voor langdurige klinische behandeling en zich aan voorwaarden te willen houden.
De reclassering heeft de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van tbs met voorwaarden onderzocht. Uit het rapport van de reclassering volgt dat de verdachte in het verleden is geplaatst in (gesloten) jeugdzorginstellingen en in ggz-instellingen met een rechterlijke machtiging. Ingezette hulpverlening heeft niet kunnen voorkomen dat betrokkene met justitie in aanraking kwam. Hoewel de verdachte meermaals is gediagnosticeerd met schizofrenie herkent hij zich niet in de diagnose en is er een gebrek aan ziektebesef, probleeminzicht en medicatietrouw. De verdachte rookte dagelijks cannabis en leefde de laatste jaren thuis bij zijn ouders in isolement. De thuissituatie heeft tot spanning geleid, waarbij er ook vermoedens zijn van geweld richting ouders. De verdachte geeft aan graag naar huis te willen en de wens te hebben weer te gaan blowen als hij uit detentie komt.
Hoewel de verdachte aangeeft mee te zullen werken indien tbs met voorwaarden wordt opgelegd, geeft hij geen blijk de inhoud en het doel van tbs met voorwaarden te begrijpen. Gelet op het risico op recidive, dat de reclassering inschat als hoog, de ontkennende houding van de verdachte en het ontbreken van een delictanalyse, het zeer beperkte functioneren en het gebrek aan ziektebesef en probleeminzicht acht de reclassering tbs met voorwaarden niet haalbaar. Ondanks de stijgende lijn in de zeer gestructureerde omgeving in het PPC wordt door de reclassering ingeschat dat de verdachte zich niet aan de voorwaarden zal kunnen houden. Daar komt bij dat er geen geschikte FPK is gevonden die bereid is om de verdachte op te nemen. Hiermee acht de reclassering tbs met voorwaarden niet uitvoerbaar.
Maatregel
De verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit (i) een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan ter beschikking kan worden gesteld indien sprake is van (ii) een misdrijf genoemd in artikel 37a, lid 1, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht en (iii) de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist.
Bij de verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank volgt hierbij de hierboven genoemde conclusie van de gedragsdeskundigen en legt deze ten grondslag aan haar oordeel. De verdachte lijdt aan schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis.
De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, lid 1, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
De rechtbank oordeelt dat veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de tbs-maatregel vereist. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. De gedragsdeskundigen schatten het risico op recidive in als matig-hoog tot hoog indien de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving. Om het risico op recidive te verminderen is behandeling nodig van de psychiatrische problematiek. Gezien het langdurig bestaan van de (structurele en complexe) problematiek is een langdurige intensieve en klinische behandeling gedurende een geruime tijd (jaren) nodig in een voldoende beveiligde klinische behandelingsetting. Daar zal de medicamenteuze behandeling kunnen worden voortgezet en geoptimaliseerd, en krijgt de verdachte structuur en een dagprogramma aangeboden waardoor hij verder kan worden geactiveerd. Daarnaast kan worden toegezien op abstinentie van cannabis, wat noodzakelijk is omdat blowen de psychotische klachten verergerd. Verder kan tijdens verblijf in de kliniek nadere diagnostiek plaatsvinden wat van belang is voor de verdere behandeling, begeleiding en ondersteuning op verschillende levensgebieden.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of het opleggen van tbs met dwangverpleging passend is of dat kan worden volstaan met tbs met voorwaarden. Uit de rapportages en het gesprek met de verdachte op zitting blijkt dat hij geen ziektebesef en - inzicht heeft. Op vragen naar zijn diagnostiek en behandelbehoefte geeft de verdachte wisselende antwoorden. De rechtbank er is mede op grond van het gesprek met de verdachte op zitting onvoldoende van overtuigd dat de verdachte daadwerkelijk en intrinsiek gemotiveerd is om zich langdurig en intensief te laten behandelen. Daar komt bij dat de reclassering heeft aangegeven dat tbs met voorwaarden niet uitvoerbaar is. Ook is vanuit de familie van de verdachte aangegeven dat zij een terugkeer naar huis niet als haalbaar zien. Dit alles maakt dat de rechtbank een minder verstrekkend kader dan tbs met dwang niet passend oordeelt.
De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel is daarom niet in tijd beperkt.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij
[aangever 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.200,00 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.200,00 voor vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde materiële schade omdat de vordering voor dit deel onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende onderbouwd is. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de advocaat de rechtbank om de hoogte van het bedrag te matigen tot een bedrag van € 1.000,00.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt de impact op de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘Bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing’, hoofdstuk 19.1 van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van een bedrag tot € 3.000,00 tot uitgangspunt (categorie ernstig). De rechtbank acht een bedrag van € 1.000,00 passend.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 30 januari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.000,00 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2026 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 241 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van die feiten;
maatregel
- gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij
van overheidswege wordt verpleegd;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 1] (feit 1)
- wijst de vordering van [aangever 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [aangever 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [aangever 1] voor wat betreft de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- wijst de vordering van [aangever 1] voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade af;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 1.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mrs. J.A. Koorevaar en T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Lelystad, een of meerdere telefoons, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan KPN, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- naar de KPN winkel te gaan en/of
- in de winkel aan de telefoons te trekken en/of
- in een onbekende taal naar die [aangever 3] en/of een of meerdere medewerkers te schreeuwen en/of
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te pakken en/of
- met voornoemd mes in de richting van die [aangever 1] te lopen en/of
- met voornoemd mes een snijbeweging langs zijn keel te maken en/of daarbij die [aangever 2] aan te kijken en/of
- met voornoemd mes telefoons los te snijden en/of
- een of meerdere telefoons in zijn, verdachtes, jaszakken te doen;
2
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Lelystad, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het meermalen, althans eenmaal, betasten van de borsten van die [aangeefster] en/of
- het meermalen, althans eenmaal, vasthouden van de borsten van die [aangeefster] en/of
- het meermalen, althans eenmaal, (over de broek) betasten van de vagina van die [aangeefster] en/of
- het op de grond gooien van die [aangeefster] en/of
- over die [aangeefster] hangen en/of de broek van die [aangeefster] uit proberen te trekken,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
Feit 1:
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3]van 30 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 30 januari 2025 was ik werkzaam bij de [bedrijf] in Lelystad. [2] Ik zag een jongeman binnen komen lopen via de voordeur van de winkel. Ik zag dat hij een van de telefoons vastpakte en met kracht los probeerde te halen van de tafel. Ik zag dat de telefoon vast zat aan een kabel. Op het moment dat ik en mijn collega's een stap richting de man zetten, maakt de jongeman zelf een beweging om naar ons toe te komen. Ik hoorde dat hij iets schreeuwde, maar ik kon de taal die hij sprak niet verstaan. Op het moment dat hij dit schreeuwde maakte een van zijn armen een beweging omhoog. Ik zag dat hij iets in zijn hand had, maar ik kon niet zien wat. Ik zag dat de jongeman van verschillende tafels toestellen losrukte van de tafel.
Ik zag dat hij ondertussen wel telefoons probeerde te pakken. Ik zag dat de jongeman naar kassa 1 liep en ik zag dat hij de kassalade opende en hieruit een stanleymes pakte. Ik zag dat hij weer terug ging naar de telefoons en kabels begon los te snijden. [3]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 1]van 30 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:
Op 30 januari 2025 was ik aan het werk in de [bedrijf] in Lelystad. Ik zag dat er iemand binnenkwam. Hij richtte zich na een korte indringende blik naar ons gelijk naar de telefoons die bij ons in de winkel liggen. Ik zag dat hij de toestellen van het schap aftrok. Vervolgens keek hij dreigend naar ons. Ik hoorde hem wat onze richting op roepen. Ik verstond niet precies wat. Door de blik die hij ons gaf kreeg ik het vermoeden dat hij ons wat wilde aandoen als wij wat zouden zeggen of ondernemen. Ik zag dat hij met iets in zijn hand naar ons toe kwam.
Vervolgens zag ik op de camera dat de man verder ging met het pakken van de telefoons. Ik zag dat de man de kabels los sneed waar de telefoons aan vast zaten. Dit moet met een mes gebeurd zijn. [4]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 2]van 30 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 30 januari 2025 liep ik ter hoogte van de KPN-winkel . Ik zag toen een man in de winkel staan. Ik zag dat deze man telefoons van de kabels trok. Ik zag dat de man gebaren met zijn hand langs zijn keel maakte en mij aankeek daarbij. Opeens pakte hij een mes uit zijn jaszak. Ik zag dat het een stanleymes betrof zwart met rood van kleur. Ik zag dat hij weer door de winkel ging lopen en met het mes kabels los sneed van de telefoons. Ik zag dat de man de telefoons welke hij los sneed in zijn jaszakken deed. [5]
De verklaring van de verdachteop de zitting van 10 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij wat er is gebeurd bij de KPN-winkel in Lelystad op 30 januari 2025. Ik ben daarnaartoe gegaan om wat te stelen. Ik wilde wat telefoons meenemen. Toen ik in de winkel was begon ik die telefoons te pakken.
Feit 2:
Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster]van 28 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2025 vertrok ik lopend vanaf mijn woning in Lelystad. Ik liep op het trottoir en zag de man op mij af komen lopen. Ik voelde dat hij mij met kracht aan mijn arm trok en mij vervolgens bij mijn borsten begon te betasten. Ik voelde dat hij met een hand mijn arm vasthield en de andere hand mijn borst greep. Ik voelde dat hij vervolgens mij bij mijn vagina greep aan de buitenzijde van mijn broek. Vervolgens gooide hij mij met kracht op het trottoir en ik begon om hulp te schreeuwen. Hij boog/knielde zich over mij heen en probeerde mijn broek uit te trekken. Ik voelde dat hij mij met beide handen vastpakte aan mijn broek waar normaal de riem zit. Ik had geen riem om. Ik voelde dat mijn broek iets naar beneden ging maar ik trok ook aan mijn broek om hem omhoog te houden. [6]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]van 28 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: U bent getuige geweest van een strafbare feit gepleegd op dinsdag 28 januari 2025, om ongeveer 14.40 uur. Kunt u mij vertellen wat er is gebeurd?
A: Mijn vriendin is naar haar werk gegaan. Toen ze onderweg was belde ze me en ze vertelde me dat ze was aangerand. Ik ben toen met mijn broertje naar buiten gerend en we troffen de man bij de vijver in de buurt van de IJssellaan Lelystad. Er waren mensen op straat en die riepen dat die man het was, dat hij het gedaan had. [7]
V: Wat gebeurde er vervolgens?
A: Er ontstond een worsteling. Mijn broertje en ik probeerden hem vast te houden. [8]
Een proces-verbaal van bevindingenvan 28 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2025 bevonden wij, verbalisant [verbalisant 2] en collega [verbalisant 3] , ons te Lelystad en troffen wij twee Poolse heren die ons opgaven te zijn: [getuige 2] en [getuige 1] . Zij verklaarden te hebben gevochten met een persoon, die door omstanders werd aangewezen als de dader van de aanranding, dan wel mishandeling. Collega's, die deze avond ingelogd waren onder het roepnummer [nummer] stuurden ons een foto van de mogelijke verdachte via BBM. Deze foto hebben verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] laten zien aan gebroeders [A] , die gelijk bevestigden dat dit de persoon is geweest waarmee zij hebben gevochten. [9]
Een proces-verbaal van bevindingenvan 28 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2025 reden wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , in Lelystad. Ter hoogte van een appartementencomplex aldaar werden wij aangesproken door een onbekend gebleven schilder die daar aan het werk was. Deze vroeg ons of wij op zoek waren naar twee mannen. Hij verklaarde verder dat hij zojuist twee mannen had zien lopen waarvan er een iets van een steen in zijn hand had. Verder verklaarde hij dat deze mannen achtervolgd werden door een voor hem onbekende man die eveneens iets van een steen in zijn handen had. Van die persoon heeft de schilder op afstand een foto weten te maken. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , met mijn dienst telefoon een foto gemaakt van de foto op de telefoon van de schilder. [10]
Een proces-verbaal van bevindingenvan 31 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vandaag heb ik, verbalisant, een groot deel van de ochtend besteed aan het bekijken van een diefstal met geweld gepleegd op 30 januari 2025 bij de KPN winkel te Lelystad. Van deze diefstal heb ik diverse camera fragmenten bekeken die door de KPN waren aangeleverd. Op deze beelden heb ik de verdachte die in de winkel was goed kunnen bekijken.
Collega [verbalisant 3] liet mij rond 14:00 uur een foto zien die gemaakt was van een verdachte die verdacht werd van een aanranding. Toen ik deze foto zag dacht ik gelijk dit is dezelfde persoon als die van de diefstal met geweld bij de KPN.
Ik herkende de persoon op de foto die collega [verbalisant 3] mij liet zien aan zijn haardracht, iets langer bovenop en iets langer in de nek. Ook zag ik dat de persoon op de foto een baardje heeft langs zijn kaaklijn en dat heeft de verdachte van de beelden van de diefstal met geweld ook.
Ik heb in mijn proces-verbaal van bevindingen ook de jas van de verdachte benoemd met aan de rand van de capuchon witte letters. De foto die de collega mij liet zien zag ik een witte rand langs de capuchon. De schoenen van de persoon op de foto en die van de beelden van de diefstal met geweld zijn ook gelijkend. [11]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]van 1 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Kunt u mij iets vertellen over die 28 januari?Mijn broer en ik zaten in de woonkamer en zijn vriendin belde hem op met de mededeling dat zij was aangevallen. Mijn broer rende uit de woning. Ik rende achter hem aan. De vriendin van mijn broer stond op de parkeerplaats voor ons huis en ze vertelde tegen mijn broer dat ze was aangevallen en wij begonnen die man te zoeken. Toen hij ons zag, ging hij op de vlucht.
Hoe wist u welke man u moest gaan zoeken?Toen we op zoek waren naar die man lieten de buren ons zien waarnaartoe hij was gerend.
Hoe lieten de buren dat zien?Ze wezen met hun vingers, met hun hand in de richting.
En toen?Wij renden in die richting. Eén van de buren wees aan dat hij het was. Mijn broer rende naar hem toe en wilde de situatie verduidelijken, maar toen ontstond er duwen en trekken. [12]
En toen?
Wij waren toen al moe en we liepen bij hem vandaan. Hij liep achter ons aan. Hij pakte een baksteen en volgde ons. [13]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [aangeefster]van 1 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
En de man die uw partner en zijn broer vast hebben gepakt, dat was dezelfde man die u heeft aangerand?
Ja, zeker weten. Hij rende meteen achter hem aan. De buren lieten zien in welke richting hij was gerend en ik kwam als laatste aangerend. Ik zag dat het dezelfde man was. [14]

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2025032147, doorgenummerd pagina 1 tot en met 129. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 11.
3.Pagina 12.
4.Pagina 14.
5.Pagina 20.
6.Pagina 77.
7.Pagina 81.
8.Pagina 82.
9.Pagina 84.
10.Pagina 87.
11.Pagina 93.
12.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 1 oktober 2025, pagina 2.
13.Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 1 oktober 2025, pagina 3.
14.Een proces-verbaal van verhoor getuige [aangeefster] d.d. 1 oktober 2025, pagina 4.