ECLI:NL:RBMNE:2026:4707

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
16.000088.26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontploffing met vuurwerk-brandstofcombinatie en bezit verboden wapens

Op 1 januari 2026 heeft de verdachte in Huizen opzettelijk brand gesticht en een ontploffing veroorzaakt met een vuurwerk-brandstofcombinatie bij de voordeur van een woning, waarbij schade ontstond aan de voordeur en een fiets. Tevens had hij professioneel vuurwerk van categorie F4 en een boksbeugel in bezit, wat verboden is.

De verdachte bekende de feiten tijdens de zitting van 10 juli 2026 en vroeg geen vrijspraak. De rechtbank baseerde haar oordeel op het proces-verbaal van bevindingen, forensisch onderzoek en de bekennende verklaring. De feiten werden strafbaar geacht onder diverse artikelen van het Wetboek van Strafrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieubeheer en het Vuurwerkbesluit.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het gemeen gevaar voor goederen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die nog jong is, geen eerdere veroordelingen heeft en positieve stappen heeft gezet sinds de voorlopige hechtenis. De straf bestaat uit 540 dagen gevangenisstraf waarvan 434 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 120 uur en bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht en deelname aan een gedragsinterventie.

Daarnaast werden het vuurwerk en de boksbeugel onttrokken aan het verkeer. De vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding van €182,50 werd toegewezen met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 540 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, 120 uur taakstraf, onttrekking van vuurwerk en boksbeugel, en betaling van schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.000088.26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 juli 2026. Op deze zitting waren aanwezig:
  • de verdachte met zijn advocaat, mr. T.G.M. Houben;
  • de officier van justitie, mr. N. Schipper;
  • de toezichthouder van de verdachte van reclasseringsorganisatie Leger des Heils.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, steeds op
1 januari 2026 in Huizen:
feit 1:opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerk-brandstofcombinatie aan te steken en bij de voordeur van een woning te leggen, waardoor deze vuurwerkbrandstofcombinatie tot ontploffing is gekomen en er brand is ontstaan bij/aan de voordeur en een fiets, waardoor er gemeen gevaar voor één of meer goederen is ontstaan.
feit 2:opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten een stuk (knal)vuurwerk van categorie F4, voorhanden heeft gehad.
feit 3:een wapen van categorie I onder 3° van de Wet wapens en munitie, namelijk een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 tot en met 3 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • de bekennende verklaring van de verdachte ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3, afgelegd tijdens de zitting van 10 juli 2026;
  • de in de aangifte opgenomen verklaring namens [slachtoffer 1] ;
- een proces-verbaal van bevindingen (dat onder meer ziet op de aangetroffen voorwerpen bij de verdachte); [3]
- het ‘proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] [plaats] )’; [4]
- het ‘proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk’. [5]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
op 1 januari 2026 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht en opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht,
- door open vuur in aanraking te brengen met een vuurwerk-brandstofcombinatie,
bestaande uit spuitbussen, inhoudende remreiniger, vastgemaakt aan een stuk knalvuurwerk,
en
- door vervolgens voornoemde vuurwerk-brandstofcombinatie te leggen bij de voordeur van een woning en
- ten gevolge waarvan/waarna voornoemde vuurwerk-brandstofcombinatie tot ontploffing is gekomen en
- waarna brand bij/aan de voordeur en een fiets is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de voordeur van de woning aan de
[adres 2] en een geparkeerde fiets, te duchten was;
2
op 1 januari 2026 te Huizen, opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten een stuk knalvuurwerk van categorie F4, voorhanden heeft gehad;
3
op 1 januari 2026 te Huizen een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
feit 2:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkbesluit juncto artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan
feit 3:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de door de reclassering in haar voortgangsverslag van 7 juni 2026 geadviseerde bijzondere voorwaarden.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Naast de dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten, is een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De advocaat heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de nog jonge verdachte een
first offenderis en verantwoordelijkheid heeft genomen voor de naïeve en impulsieve feiten die hij heeft gepleegd. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft hij positieve stappen gezet. Dit volgt ook uit het reclasseringsadvies. Met de op te leggen straf zou moeten worden ingezet op hulpverlening en het voorkomen van het opnieuw plegen van strafbare feiten.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft een zogenaamde vuurwerk-brandstofcombinatie (hierna: VBC), bestaande uit spuitbussen met remreiniger die waren vastgemaakt aan een stuk knalvuurwerk, aangestoken en tot ontploffing gebracht bij een voordeur van een woning. Hierdoor is schade aan een daar geparkeerd staande fiets en de voordeur van de betreffende woning ontstaan. De verdachte heeft deze VBC als geweldsmiddel gebruikt. Hij wilde de personen die zich mogelijk in die woning bevonden flink laten schrikken dan wel afschrikken. Kwalijk is het dat de verdachte niet wist wie er in de woning zouden zijn die nacht. In de woning bevonden zich die nacht een viertal personen (een kind van één jaar oud, haar ouders en haar oma). Het is onduidelijk gebleven of de verdachte het op hen voorzien had. De oma kwam rond 04.00 uur in de nacht de kamer van de ouders van het kind binnen, omdat zij een zeer harde knal had gehoord en aan de voorzijde van het huis brand had gezien. Zij zijn vervolgens allemaal de achtertuin van de woning in gegaan en hebben het alarmnummer gebeld, waarna de politie en de brandweer ter plaatse kwamen. Dit was dus voor hen een zeer beangstigende situatie waar de verdachte voor verantwoordelijk is.
Daarnaast had de verdachte ten tijde van zijn aanhouding diezelfde nacht (verboden) professioneel knalvuurwerk en een boksbeugel bij zich.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte (het strafblad) d.d. 16 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 13 maart 2026 en in aanvulling daarop een voortgangsverslag van 7 juni 2026 van het Leger des Heils Midden-Nederland. Hierin staan onder meer de volgende conclusies en adviezen:
De verdachte had zijn leven op orde ten tijde van de aanhouding en was bezig met zijn toekomst. Hij woont bij zijn ouders, werkte als beveiliger en had zijn opleiding tot beveiliger bijna afgerond. Inmiddels heeft de verdachte werk als schilder gevonden en wil hij daarin verder leren. Er komen geen bijzonderheden naar voren op het gebied van middelengebruik, financiën, sociaal netwerk en psychische problematiek.
Gedurende het reclasseringstoezicht dat is opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, had de reclassering contact met de verdachte in het kader van zijn meldplicht. De verdachte kon niet goed aangeven waarom hij, terwijl hij alles goed voor elkaar had, overging tot het plegen van de feiten. De reclassering adviseerde vóór deze schorsing nog geen reclasseringstoezicht. Inmiddels ziet de reclassering wel een meerwaarde in het opleggen van een reclasseringstoezicht, juist om duidelijkheid te krijgen in wat er ten grondslag lag aan het delict en hoe hij in de toekomst risicosignalen beter kan herkennen. Bij deze vragen en handelingsalternatieven wordt uitgebreid stilgestaan tijdens de individuele training ‘I-Respect.’ De reclassering adviseert het opleggen van – kort gezegd – de volgende bijzondere voorwaarden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • zich inzetten voor het vinden/behouden van dagbesteding;
  • deelname aan de gedragsinterventie ‘I-Respect’;
  • een contactverbod met de slachtoffers;
  • een locatieverbod met betrekking tot de betreffende woning;
De toezichthouder, tevens opsteller van het voortgangsverslag, is ter terechtzitting als deskundige gehoord en heeft voornoemde conclusies en adviezen op de zitting onderschreven. Aanvullend heeft zij verklaard dat het gepleegde feit een ondoordachte actie lijkt te zijn die niet past in het patroon dat de verdachte verder laat zien. Er is nu nog onvoldoende zicht op het ‘hoe en waarom’. De I-respect training kan daar goed bij helpen en indien dat niet voldoende is, kan gekeken worden of er – al dan niet in een vrijwillig kader – meer nodig is voor de verdachte.
Strafkader
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten. Vanwege die ernst is een gevangenisstraf passend.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte nog langer naar de gevangenis moet dan de tijd die hij al in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie vindt van wel. De rechtbank begrijpt dat, maar ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de 106 dagen die hij al in voorarrest heeft gezeten. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit, heeft ten aanzien van de gepleegde feiten openheid van zaken gegeven, heeft aan zichzelf gewerkt en is op een positieve manier aan de slag gegaan sinds de voorlopige hechtenis is geschorst. De rechtbank zal de verdachte dan ook niet terug naar de gevangenis sturen.
De rechtbank vindt bovendien dat, juist ook vanwege die persoonlijke omstandigheden, de nadruk nu moet liggen op het voorkomen van het opnieuw plegen van strafbare feiten. Deze feiten leken namelijk uit het niets te komen toen hij, naar eigen zeggen, voor zijn nichtje wilde opkomen die lastiggevallen zou zijn door anderen. De verdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en grote risico’s genomen door deze gevaarlijke strafbare feiten te plegen, nog daargelaten dat hij niet zeker wist dat de personen op wie deze actie gericht was zich daar ook bevonden.
Uit de adviezen van de reclassering en op de zitting is gebleken dat ook nog niet helemaal duidelijk is waarom de verdachte precies tot het plegen van die feiten is overgegaan. Alhoewel hij direct een bekennende verklaring heeft afgelegd, blijft het onduidelijk waarom de verdachte zijn toekomst zo op het spel heeft gezet en wat er nu precies ten grondslag heeft gelegen aan zijn acties. Het is nog niet zeker of de ‘I-respect’ training de verdachte voldoende zal helpen. De rechtbank wil de verdachte de kans geven direct verder te gaan op de positief ingeslagen weg door het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarbij, als vangnet, bepalen dat de verdachte zich naast de meldplicht ook aan alle aanwijzingen van de reclassering moet houden. Mocht de I-respect-training niet toereikend zijn, dan kan de reclassering de verdachte na die training nog verder helpen om het gevaar op herhaling verder te verkleinen door hem door te verwijzen naar een andere hulpverleningsinstantie. De verdachte heeft op zitting aangegeven hiervoor open te staan. De rechtbank zal daar de gebruikelijke proeftijd van twee jaar aan verbinden, ook vanwege de algemene voorwaarden die dan gedurende twee jaar gelden, in plaats van een proeftijd van één jaar zoals in het reclasseringsadvies wordt genoemd.
De rechtbank vindt het, gezien de ernst van zijn acties, nog wel nodig dat de verdachte ook nu nog iets merkt van een straf. Ook naar de samenleving dient duidelijk te zijn dat dergelijk gedrag niet wordt geaccepteerd. Daarom zal de rechtbank ook een taakstraf opleggen.
Al met al komt de rechtbank, in het kort, tot de volgende strafoplegging:
  • een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 434 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar en met de in het dictum vermelde bijzondere voorwaarden;
  • een taakstraf voor de duur van 120 uur, bij niet (of niet naar behoren) voldoen te vervangen met 60 dagen hechtenis.
De rechtbank zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de op de beslaglijst van 7 juli vermelde voorwerpen – vuurwerk en een boksbeugel – te onttrekken aan het verkeer;
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van voornoemde inbeslaggenomen voorwerpen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten
1 stuk vuurwerk (omschrijving: PL0900-2026000485-BZAW8763|Black
thunder Pericolo);
1 stuk boksartikel (boksbeugel) (omschrijving: PL0900-2026000482-BZAW8762),
onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot deze voorwerpen zijn de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten begaan.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 182,50 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade en bestaat uit de volgende onderdelen:
voorband binnen/buitenband fiets: € 33,50;
outdoor deurbel met camera: € 149,-
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het duidelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden, maar dat deze niet is onderbouwd en dat de vordering daarom afgewezen moet worden.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
Geheel toewijzen met wettelijke rente
Bij de vordering van de benadeelde partij zitten geen stukken ter onderbouwing van de hierboven genoemde schadeposten. In de aangifte heeft de aangeefster echter onder meer verklaard: “de hele voordeur is beschadigd en zwart van het roet. Ook mijn fiets die naast de voordeur stond, is beschadigd door de hitte. Het handvat, voorwiel, trapper en handrem zijn verbrand.” Uit de inhoud van het proces-verbaal met betrekking tot het forensisch onderzoek aan de woning volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het zeer aannemelijk is dat (ook) de fiets en de deurbel beschadigd zijn. In dit proces-verbaal staat onder meer: “Ik zag op de voordeur om de omgeving van de voordeur roetaanslag (foto 3). Ik zag ook
aan de onderzijde van de luifel roetaanslag (foto 4). Ik zag in deze aanslag een
zogenaamd wolk patroon wat ik herkende als ontstaan door het ontbranden van een
ontbrandbare vloeistof in combinatie met een explosie, zoals met een VBC. Ik zag dat
de afdekking van de buitenlamp in de luifel in de tuin lag. (….) de explosie had buiten, voor de voordeur, plaatsgevonden. (….) Het vuur is door de kieren aan
de onderzijde, de zijkanten van de deur en de brievenbus de hal ingekomen.
Op de foto’s is te zien dat de fiets inderdaad vlakbij de voordeur stond. De deurbel bevindt zich vrijwel direct naast de voordeur, zo is op de foto’s van de forensische opsporing te zien. Dat ook deze is beschadigd door de door verdachte aangestoken en tot ontploffing gebrachte vuurwerkbom, vindt de rechtbank zeer aannemelijk. Bovendien volgt uit dit proces-verbaal van de forensische opsporing dat er bovendien meer schade is ontstaan door de vuurwerkbom dan nu is gevorderd. De gevorderde bedragen voor de schadeposten als hierboven vermeld komen de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en begroot de schade op de bedragen zoals deze door de benadeelde partij is gevorderd.
Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen, te weten tot een bedrag van € 182,50.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 1 januari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Veroordeling verdachte in de proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Oplegging schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € € 182,50 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 1 dag. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie;
  • artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
  • artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, en
  • artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

9.De beslissing

bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 540 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 434 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als (algemene) voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
Meldplicht:zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de
reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De verdachte meldt zich (in elk geval) binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij Reclassering Leger des Heils (adres: Archimedesbaan 26, 3439 ME Nieuwegein; telefoonnummer 088-0901000). De verdachte houdt zich aan alle aanwijzingen die de reclassering hem geeft;
Contactverbod:geen contact zal hebben, niet direct en niet indirect, met de slachtoffers, te weten:
* [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1972;
* [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000;
Locatieverbod:zicht niet mag begeven binnen een straal van 100 meter rond de woning aan de [adres 2] , [postcode] in [plaats] ;
Dagbesteding:zich inzet voor het vinden en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en zich aan de regels houdt die daarbij worden gesteld en houdt de reclassering op de hoogte van het verloop van deze dagbesteding;
Gedragsinterventie – training I-Respect: deelneemt aan de gedragsinterventie
I-Respect van de reclassering, zolang de reclassering deze training of een soortgelijke, opvolgende training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden (met uitzondering van het contact- en locatieverbod) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
beslag (feiten 2 en 3)
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
1 stuk vuurwerk (omschrijving: PL0900-2026000485-BZAW8763|Black
thunder Pericolo);
1 stuk boksartikel (boksbeugel) (omschrijving: PL0900-2026000482-BZAW8762),
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel toe tot een bedrag van
€ 182,50;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 182,50 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. van Haaren-Paulus, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 1 januari 2026 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,
- door open vuur in aanraking te brengen met een vuurwerk-brandstofcombinatie,
bestaande uit spuitbussen inhoudende remreiniger vastgemaakt aan een cobra 6, in
elk geval een stuk (knal)vuurwerk,
in elk geval door een vuurwerk-brandstofcombinatie bestaande uit spuitbussen met
remreiniger vastgemaakt aan een cobra 6, in elk geval een stuk (knal)vuurwerk, in
elk geval een explosief, aan te steken en/of
- door vervolgens voornoemde vuurwerk-brandstofcombinatie te gooien naar,
althans te leggen bij, de voordeur van een woning en/of
- ten gevolge waarvan/waarna voornoemde vuurwerk-brandstofcombinatie, in elk
geval de cobra 6, althans het stuk (knal)vuurwerk en/of het explosief materiaal, tot
ontploffing is gekomen en/of
- waarna brand bij/aan de voordeur en/of een fiets is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning aan de [adres 2]
en/of de omliggende woningen en/of de voordeur van de woning aan de
[adres 2] en/of een geparkeerde fiets te duchten was;
2
hij op of omstreeks 1 januari 2026 te Huizen, in elk geval in Nederland, opzettelijk,
professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten een cobra 6,
althans een stuk (knal)vuurwerk van categorie F4,
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft opgeslagen en/of
heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter
beschikking heeft gesteld;
3
hij op of omstreeks 1 januari 2026 te Huizen, in elk geval in Nederland,
een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten
een een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

Voetnoten

2.Pagina 7.
3.Pagina 21.
4.Pagina’s 48 tot en met 50.
5.Niet doorgenummerd, maar separaat in het dossier opgenomen: proces-verbaal nummer PL0900 2026000485 van 7 januari 2026, pagina 2.