Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:471

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/5699
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 4:84 AwbArt. 7 AKWArt. 18 AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum kinderbijslag bij wisselend hoofdverblijf kind

Eiser heeft kinderbijslag aangevraagd voor zijn dochter en stelt dat de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag onjuist is vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Hij voert aan dat zijn dochter sinds 27 februari 2025 feitelijk en exclusief bij hem verblijft, en dat de kinderbijslag daarom met terugwerkende kracht vanaf het tweede kwartaal 2025 moet worden toegekend.

De SVB heeft de kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal 2025, omdat op de peildatum 1 april 2025 nog geen sprake was van een bestendige wijziging van het hoofdverblijf. De SVB hanteert het beleid dat een wijziging van het hoofdverblijf pas wordt erkend als deze bestendig is, doorgaans na zes maanden. De rechtbank bevestigt dat dit beleid in lijn is met vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eiser, oordeelt zij dat de SVB terecht heeft vastgehouden aan het beleid en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, maar de SVB wordt wel opgedragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de kinderbijslag wordt toegekend vanaf het derde kwartaal 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5699

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. S. Pinar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door eiser aangevraagde kinderbijslag voor zijn dochter. Eiser is het niet eens met de door de Svb gehanteerde ingangsdatum van het recht op kinderbijslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ingangsdatum van de kinderbijslag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van 1 oktober 2025 in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor kinderbijslag voor zijn dochter, [A] . De SVB heeft de gevraagde kinderbijslag aan eiser toegekend, met ingang van het derde kwartaal van 2025. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij deze ingangsdatum gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de SVB.

Beoordeling door de rechtbank

(Totstandkoming van) het besluit
3. Eiser heeft op 10 juni 2025 een aanvraag voor kinderbijslag ingediend voor [A] . Bij deze aanvraag heeft eiser aangegeven dat zijn dochter sinds 27 februari 2025 daadwerkelijk en exclusief bij hem verblijft. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025 overgelegd. De SVB heeft in het primaire besluit het recht op kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2025 vastgesteld. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat de startdatum moet worden aangepast omdat hij al sinds 27 februari 2025 de zorg draagt over [A] en zij alleen bij hem verblijft. Door hem pas met ingang van het derde kwartaal kinderbijslag toe te kennen wordt hij benadeeld en heeft de andere ouder onterecht kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangen, zo stelt eiser.
4. In het bestreden besluit heeft de SVB het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij is de SVB uitgegaan van samenloop, dat wil zeggen dat er meerdere personen over dezelfde periode recht hebben op kinderbijslag voor hetzelfde kind. Nu de andere ouder volgens de SVB heeft aangetoond dat zij in het tweede kwartaal van 2025 heeft voldaan aan de minimale onderhoudsbijdrage voor een uitwonend kind, bestaat geen aanleiding om de kinderbijslag met terugwerkende kracht aan eiser toe te kennen. De SVB blijft daarom bij de toekenning van kinderbijslag aan eiser met ingang van het derde kwartaal 2025, te weten vanaf 1 juli 2025.
Wat vindt eiser?
5. Eiser is van mening dat de SVB ten onrechte zijn recht op kinderbijslag heeft vastgesteld vanaf het derde kwartaal van 2025. Dit recht zou met terugwerkende kracht moeten worden vastgesteld met ingang van het tweede kwartaal van 2025. Eiser voert hiertoe in zijn gronden van beroep aan dat de beslissing van de SVB niet in overeenstemming is met de door hem overgelegde beschikking van het gerechtshof. Hierin wordt namelijk vermeld dat [A] vanaf 27 februari 2025 volledig en onafgebroken bij hem verblijft. Eiser draagt de zorgverantwoordelijkheid en de kosten. Het is hem dan ook onduidelijk hoe er sprake kan zijn geweest van een onderhoudsbijdrage van de andere ouder, de moeder van [A] . Dit wordt ook niet door onderbouwd door de SVB. Naar de mening van eiser berust het bestreden besluit dan ook op een onjuiste interpretatie van de beschikking van het gerechtshof en miskent deze de feitelijke situatie.
Wat vindt de rechtbank?
Motiveringsgebrek
6. De rechtbank stelt eerst vast dat het verweerschrift een andere insteek heeft dan hetgeen in het bestreden besluit is weergegeven. In het verweerschrift wijst de SVB er namelijk op dat voor de vraag welke ouder recht heeft op uitbetaling van de kinderbijslag van belang is waar het kind het hoofdverblijf heeft. Als er sprake is van een opgelegde of overeengekomen regeling over de opvoeding van het kind, wordt daarvan uitgegaan. Alleen als blijkt dat de regeling bestendig, dat wil zeggen langer dan zes maanden, niet wordt nageleefd, gaat het SVB uit van de feitelijke situatie. In de situatie van eiser komt de SVB tot de conclusie dat op de peildatum voor het tweede kwartaal 2025, 1 april 2025, het verblijf van [A] bij eiser nog niet als bestendig kon worden aangemerkt. Daarom bestaat ook geen aanleiding om zoals eiser wenst kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf het tweede kwartaal aan hem uit te betalen. Ter zitting heeft de SVB desgevraagd aangegeven dat in het bestreden besluit over het hoofd is gezien dat eerst moet worden bezien waar het kind hoofdverblijf heeft en dat de regeling van samenloop pas eventueel daarna komt. Er is in het bestreden besluit dan ook ten onrechte gekeken en getoetst aan samenloop.
7. Gelet op vorengaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelet op de in het verweerschrift en de zitting door de SVB gegeven motivering. Dit betekent dat het besluit in stand blijft. Wel komen de griffierechten hierom voor vergoeding in aanmerking.
Toetsingskader
8. In aanvulling op de hier toepasselijke wettelijke bepalingen van de AKW [1] heeft de SVB uitvoeringsbeleid geformuleerd voor de betaling van kinderbijslag bij gescheiden huishoudens, echtscheiding en co-ouderschap. [2] Hierin is opgenomen dat wanneer de ouders van een kind gescheiden huishoudens voeren en het kind in één van beide huishoudens woont, de ouder in wiens huishouden het kind woont (hoofdverblijf heeft) recht heeft op kinderbijslag. Voorts is beschreven dat voor de vraag tot wiens huishouden een kind behoort, de rechterlijke uitspraak doorslaggevend is. Als de feitelijke situatie hiervan afwijkt, houdt de SVB daarmee rekening vanaf het moment waarop de nieuwe situatie een bestendig karakter heeft. In het algemeen is hiervan sprake wanneer de ouders de rechterlijke uitspraak langer dan zes maanden niet naleven.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is, voor het antwoord op de vraag tot welk huishouden een kind behoort, de feitelijke situatie van belang. Als de feitelijke situatie afwijkt van een rechterlijke uitspraak, wordt aangenomen dat sprake is van een wijziging wanneer een bestendige – nieuwe – situatie is ontstaan. Daarmee wordt het algemene uitgangspunt van de SVB door de CRvB onderschreven. [3]
Beoordeling in de voorliggende zaak
10. De SVB heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden overwogen dat op de peildatum, 1 april 2025, nog geen sprake was van een bestendige situatie. Niet in geschil is dat [A] tot 27 februari 2025 hoofdverblijf had bij haar moeder. Uit de beschikking van het gerechtshof van 3 juni 2025 blijkt dat dit ook was bepaald in de (daar bestreden) beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 13 september 2024. Vanaf 27 februari 2025 is [A] bij eiser gaan wonen en vanaf dat moment wordt dus feitelijk afgeweken van deze eerder bepaalde regeling. Zoals door de SBV is toegelicht, is op het moment dat wordt afgeweken van een uitspraak van de rechter of een overeenkomst het uitgangspunt dat de afwijking bestendig moet zijn. Daarvoor wordt in hun beleid de lijn aangehouden dat de afwijking ten minste zes maanden moet duren. Omdat [A] sinds 27 februari 2025 bij eiser woonde, waren er op 1 april 2025 nog geen zes maanden verstreken. Dat betekent dat, ook al woonde [A] op dat moment bij eiser, er nog geen sprake kan zijn van een bestendige situatie. De SVB heeft dan ook niet ten onrechte in het verweerschrift overwogen dat [A] op de peildatum van 1 april 2025 juridisch gezien geen hoofdverblijf had bij eiser, ook al was dit feitelijk wel zo en blijkt dit ook uit de beschikking van het gerechtshof.
11. Eiser heeft ter zitting ook gesteld dat in zijn situatie moet worden afgeweken van bovengenoemde beleidsregel, omdat deze onredelijk uitpakt. Hij heeft immers feitelijk de kosten betaald voor [A] sinds 27 februari 2025, en daarmee in het tweede kwartaal van 2025, en het is dus niet redelijk dat hij in het tweede kwartaal niet de ontvanger is van de kinderbijslag (en daarmee samenhangend het kindgebonden budget).
12. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat hij een beroep doet op de inherente afwijkingsbevoegdheid in het kader van beleidsregels, neergelegd in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
13. De rechtbank is van oordeel dat de SVB geen aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van het in zijn beleid neergelegde uitgangspunt dat pas na zes maanden niet-naleven van een regeling sprake is van een situatie van bestendig afwijken, waardoor de feitelijke woonsituatie bepalend zou worden. De omstandigheid dat eiser in de periode van het tweede kwartaal feitelijk de kosten heeft gedragen voor [A] heeft de SVB op zichzelf niet hoeven aanmerken als bijzondere omstandigheid waardoor moet worden afgeweken van de beleidsregel. In de praktijk komt het immers ook geregeld voor dat er net ná één van de peildata recht op kinderbijslag ontstaat (bijvoorbeeld op 2 juli 2025), waardoor over dat gehele kwartaal geen aanspraak bestaat op kinderbijslag. Ook in die gevallen heeft iemand (nagenoeg) over een heel kwartaal de kosten gedragen voor een kind, maar bestaat geen aanspraak op kinderbijslag voor het kind in dat kwartaal. In die zin is deze omstandigheid niet voldoende bijzonder. Ook de achtergrond en doelen van dit beleid is hier van belang. Het betreffende beleid is het gevolg van het gegeven dat de SVB bij de uitvoering van de kinderbijslag vaak te maken krijgt met situaties waarbij de ouders gescheiden zijn en het kind op basis van een overeengekomen of opgelegde regeling bij de ene ouder woont, maar later weer (al dan niet kortstondig) bij de andere ouder – en de wens van de SVB om daar enige kaders in aan te brengen om tot een uitvoerbare regeling te komen. Ook in dat licht bezien is de situatie van eiser, in relatie tot de met de beleidsregel te dienen doelen, naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig bijzonder dat dit een afwijking rechtvaardigt.
14. De rechtbank merkt – tot slot – op dat zij begrip heeft voor de situatie van eiser en snapt dat hij het onlogisch en onrechtvaardig vindt dat hij over het tweede kwartaal van 2025 geen kinderbijslag ontvangt, terwijl hij wel de kosten heeft gedragen. Alhoewel de rechtbank daar begrip voor heeft, is er in juridische zin geen mogelijkheid om van de geldende regels af te wijken.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand blijft. In de omstandigheid dat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding om de SVB op te dragen het griffierecht aan eiser te vergoeden. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten, omdat daarvan niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
(de rechter is verhinderd te tekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.artikel 7, eerste lid, en artikel 18 vierde Pro lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
2.Beleidsregel Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap (SB1096).
3.zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 17 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3262, en 6 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2316).