Eiser heeft kinderbijslag aangevraagd voor zijn dochter en stelt dat de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag onjuist is vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Hij voert aan dat zijn dochter sinds 27 februari 2025 feitelijk en exclusief bij hem verblijft, en dat de kinderbijslag daarom met terugwerkende kracht vanaf het tweede kwartaal 2025 moet worden toegekend.
De SVB heeft de kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal 2025, omdat op de peildatum 1 april 2025 nog geen sprake was van een bestendige wijziging van het hoofdverblijf. De SVB hanteert het beleid dat een wijziging van het hoofdverblijf pas wordt erkend als deze bestendig is, doorgaans na zes maanden. De rechtbank bevestigt dat dit beleid in lijn is met vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eiser, oordeelt zij dat de SVB terecht heeft vastgehouden aan het beleid en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, maar de SVB wordt wel opgedragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.