ECLI:NL:RBMNE:2026:4755

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
25 juli 2026
Zaaknummer
C/16/601419 / HL RK 25-55
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019z RvArt. 1019aa lid 1 RvArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:193c lid 1 onder d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bij botsing tussen twee jetski's met letselschade niet vastgesteld

Op 31 juli 2024 vond in Marokko een botsing plaats tussen twee jetski's bestuurd door partijen. De verzoeker verloor hierbij een pink en stelt dat de verweerder aansprakelijk is wegens gevaarlijk vaargedrag. De verweerder betwist dit en stelt dat de verzoeker zelf begon met provocerend gedrag en dat de botsing het gevolg was van gelijktijdige manoeuvres.

Tijdens de mondelinge behandeling was de verzoeker afwezig, waardoor het woord van de één tegen de ander staat. Er zijn geen aanvullende bewijzen of verklaringen die de stellingen van de verzoeker ondersteunen, terwijl op hem de stelplicht en bewijslast rusten. De rechtbank concludeert dat de aansprakelijkheid van de verweerder niet is komen vast te staan.

De rechtbank wijst het verzoek af en begroot de redelijke kosten van de deelgeschilprocedure op €2.000 exclusief btw plus griffierecht. Deze kosten worden niet aan de verweerder opgelegd, tenzij zijn aansprakelijkheid alsnog wordt vastgesteld. Een veroordeling van de verzoeker in proceskosten wordt afgewezen omdat de wet dit niet voorziet.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek af omdat de aansprakelijkheid van de verweerder niet is komen vast te staan.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/601419 / HL RK 25-55
Beschikking van 14 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. R.H. Bouwman.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met vier producties,
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van de zijde van [verweerder] .
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Kern van de zaak

2.1
[verzoeker] en [verweerder] zijn op het water bij het berijden van een jetski met elkaar in botsing gekomen. [verzoeker] is daarbij gewond geraakt. [verzoeker] vindt dat [verweerder] aansprakelijk is voor de (financiële) gevolgen van zijn letsel. De rechtbank oordeelt dat aansprakelijkheid van [verweerder] (vooralsnog) niet is komen vast te staan.

3.De beoordeling

3.1
[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
3.2
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
3.3
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over het antwoord op de vraag of [verweerder] aansprakelijk is voor de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Inhoudelijke beoordeling
3.4
Op 31 juli 2024 heeft in Marokko een aanvaring plaatsgevonden tussen twee jetski’s. [verzoeker] was de bestuuurder van de ene jetski en [verweerder] van de andere. Beide mannen maakten deel uit van een groep die daar op dat moment op vakantie was. Bij de botsing is [verzoeker] een pink verloren. [verzoeker] wil dat voor recht wordt verklaard dat [verweerder] aansprakelijk is voor de (financiële) gevolgen die de botsing en het daarbij opgelopen letsel voor [verzoeker] hebben gehad.
3.5
[verzoeker] heeft gesteld dat [verweerder] gevaarlijke manoeuvres uitvoerde met zijn jetski, met de bedoeling om hem, [verzoeker] , nat te maken of te laten schrikken. Volgens [verzoeker] is [verweerder] daarmee doorgegaan, ondanks waarschuwingen met dit gedrag te stoppen, tot het uiteindelijk tot een botsing is gekomen tussen de jetski’s van [verzoeker] en [verweerder] . Door zo gevaarlijk te varen, heeft [verweerder] onrechtmatig jegens hem gehandeld en is hij schadeplichtig geworden, aldus [verzoeker] .
3.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] een andere visie op het gebeuren gegeven. Volgens [verweerder] was het namelijk juist [verzoeker] die begon met het met de jetski proberen de anderen nat te spatten. [verweerder] erkent dat hij in dat gedrag is meegegaan, maar heeft gesteld dat hij dit maar één of twee keer heeft gedaan, in tegenstelling tot [verzoeker] . Over de botsing zelf heeft [verweerder] verklaard dat beiden tegelijkertijd een manoeuvre waren gestart om elkaar nat te maken en daarbij recht op elkaar af voeren. Toen [verweerder] dat zag, heeft hij naar eigen zeggen nog geprobeerd om uit te wijken, terwijl [verzoeker] door is blijven varen. Het uitwijken is niet gelukt. Bij de botsing is [verweerder] met zijn jetski over de voorkant van de jetski van [verzoeker] gegaan, aldus [verweerder] .
3.7
[verzoeker] was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling en heeft daarom geen reactie gegeven op de visie van [verweerder] op de toedracht van het ongeval. Daardoor is een situatie ontstaan waarbij het het woord van de één tegen de ander is. Er zijn geen stukken of verklaringen in het geding gebracht die een onderbouwing geven voor de lezing van [verzoeker] , terwijl op hem wel de stelplicht en de bewijslast rust van de toedracht. Deze procedure leent zich niet voor nadere bewijsvoering.
Op grond daarvan is de door [verzoeker] geschetste toedracht op dit moment niet komen vast te staan. Daarmee is ook de aansprakelijkheid van [verweerder] op dit moment niet vast komen te staan. Anders dan [verzoeker] meent, blijkt uit de door hem in het geding gebrachte stukken ook niet dat [verweerder] op enig moment aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend. Het oordeel wordt daardoor dus niet anders.
Kosten deelgeschil
3.8
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. Voorafgaand aan dit deelgeschil is herhaaldelijk contact gezocht door (de advocaat van) [verzoeker] om tot een regeling te komen. Dit heeft niet tot een duidelijk standpunt van [verweerder] geleid. Eerst op de mondelinge behandeling in dit deelgeschil is duidelijk geworden dat [verweerder] de aansprakelijkheid voor het ongeval volledig afwijst.
3.9
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
3.1
[verzoeker] maakt aanspraak op € 2.260,-, te vermeerderen met het griffierecht en kantoorkosten.
3.11
Tegen de omvang van buitengerechtelijke kosten is geen verweer gevoerd. Maar de rechtbank moet de kosten ambtshalve toetsen aan de dubbele redelijkheidstoets. De rechtbank ziet aanleiding om deze kosten te matigen in die zin dat de kantoorkosten buiten beschouwing worden gelaten. Het begrip kantoorkosten is gedateerd en arbitrair en ook misleidend in de zin van artikel 6:193c, eerste lid onder d BW. Dergelijke kosten worden geacht onder het uurtarief te vallen.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 8 uren × € 250,- exclusief btw, dus op € 2.000,- exclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,-.
3.12
Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en [verweerder] niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door [verweerder] te worden betaald, als zijn aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.
3.13
[verweerder] verzoekt [verzoeker] in zijn proceskosten te veroordelen. De wet voorziet niet in die mogelijkheid. Op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv begroot de rechter alleen de kosten aan de zijde van [verzoeker] .

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
wijst de verzoeken af,
4.2
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.000,- exclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,-.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
4403