ECLI:NL:RBMNE:2026:4772

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
12142836 \ MC EXPL 26-1457 AW/1583
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 sub a BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding en ontruiming bij huurachterstand na instelling bewind

Woonpalet Zeewolde vorderde betaling van huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van [onderbewindgestelde]. Bij verstek werd aan Woonpalet Zeewolde toegewezen tot betaling van huurachterstand en ontbinding met ontruiming, maar de rente en incassokosten werden afgewezen.

[onderbewindgestelde] kwam in verzet, vertegenwoordigd door een bewindvoerder. De kantonrechter stelde vast dat de huurachterstand tot juni 2026 € 1.953,60 bedroeg en veroordeelde tot betaling daarvan. De lopende huurtermijnen worden betaald, waardoor de vordering daarop werd afgewezen.

De kantonrechter beoordeelde ambtshalve de onredelijkheid van bedingen over incassokosten, rente en boetes en vernietigde deze vanwege onduidelijkheid en onevenredigheid. De ontbinding en ontruiming werden afgewezen omdat de instelling van bewind zekerheid biedt dat de huur voortaan tijdig wordt betaald en het woonbelang van de huurder, met minderjarige kinderen, zwaarder weegt.

De bewindvoerder werd veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en proceskosten van € 1.256,45. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurachterstand wordt toegewezen, ontbinding en ontruiming afgewezen vanwege bewind, en de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12142836 \ MC EXPL 26-1457 AW/1583
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[opposante] B.V.handelend onder de naam [handelsnaam] , in de hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van
[onderbewindgestelde],
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg,
tegen
STICHTING WOONPALET ZEEWOLDE,
gevestigd te Zeewolde,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: Woonpalet Zeewolde,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners.

1.De procedure

1.1
Woonpalet Zeewolde heeft bij inleidende dagvaarding van 9 december 2025 een vordering ingesteld tegen [onderbewindgestelde] . [onderbewindgestelde] is niet verschenen, waarna zij bij verstekvonnis van 28 januari 2026 met zaaknummer 12028365 MC EXPL 25-7098 is veroordeeld.
1.2
Bij dagvaarding van 24 februari 2026 is [onderbewindgestelde] in verzet gekomen van dat verstekvonnis. Woonpalet Zeewolde heeft op de verzetdagvaarding gereageerd, waarna op 16 juni 2026 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft Woonpalet Zeewolde nog een productie in het geding gebracht. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De zaak in het kort

2.1
Woonpalet Zeewolde heeft bij inleidende dagvaarding betaling van de achterstallige huur gevorderd tot en met december 2025 van € 1.953,60 vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en rente. Ook heeft Woonpalet Zeewolde gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden en [onderbewindgestelde] te veroordelen om de woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning) te ontruimen. [onderbewindgestelde] is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur. De rente en buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen. Ook is de huurovereenkomst ontbonden en is [onderbewindgestelde] veroordeeld om de woning te ontruimen. De bewindvoerder vordert in de verzetdagvaarding om de vorderingen van Woonpalet Zeewolde af te wijzen dan wel deze haar te ontzeggen. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huidige huurachterstand toe en de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning af.

3.De beoordeling

Formele procespartij
3.1
De goederen die (zullen) toebehoren aan [onderbewindgestelde] zijn door de kantonrechter bij beschikking met ingang van 25 februari 2026 onder bewind gesteld en de kantonrechter heeft [opposante] B.V. h.o.d.n. [handelsnaam] benoemd tot haar bewindvoerder. Dit heeft tot gevolg dat de bewindvoerder (in de hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde] ) de formele procespartij is geworden. De bewindvoerder is ook ter zitting verschenen.
De bewindvoerder ( [onderbewindgestelde] ) moet de huurachterstand betalen
3.2
Woonpalet Zeewolde heeft bij akte een recent overzicht van de huurachterstand in het geding gebracht. Volgens Woonpalet Zeewolde bedraagt de huurachterstand tot en met juni 2026 € 3.236,94. De bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat op 16 juni 2026 nog twee huurbetalingen zijn verricht. De bewindvoerder heeft een betalingsbewijs overgelegd. Woonpalet Zeewolde heeft ter zitting aangegeven dit nog niet te kunnen controleren omdat de betalingen op die dag zijn verricht. Omdat de betalingen zijn verricht door de bewindvoerder en het rekeningnummer klopt, gaat Woonpalet Zeewolde uit van de juistheid van de betalingen. Dit betekent dat de huurachterstand tot en met juni 2026 bedraagt € 1.953,60 (3.236,94 – 2 x € 641,67). Nu dit verder niet meer wordt betwist gaat de kantonrechter uit van de juistheid hiervan. De bewindvoerder ( [onderbewindgestelde] ) moet dit betalen.
3.3
De bewindvoerder wordt - gelet op hetgeen in 3.2 is overwogen - veroordeeld om € 1.953,60 aan huurachterstand berekend tot en met juni 2026 aan Woonpalet Zeewolde te betalen.
3.4
De eis die ziet op de lopende termijnen wordt afgewezen. Er is inmiddels een bewindvoerder aangesteld en de lopende huurtermijnen worden betaald. Woonpalet Zeewolde heeft op dit moment onvoldoende belang bij deze vordering. Overigens is de bewindvoerder op grond van de huurovereenkomst ook gehouden om de lopende huurpenningen te voldoen.
Het ambtshalve toetsen van bedingen
3.5
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (de eisende partij) en een consument (de gedaagde partij). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige belangrijke consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd.
3.6
Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen voor consumenten onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:233 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek, moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen.
3.7
In deze procedure gaat het met name om bedingen over rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ook het boetebeding is relevant.
Het incassokosten- en boetebeding
3.8
In artikel 14.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals de gedaagde partij, zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid heeft gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten.
3.9
In artikel 14.1 van de algemene voorwaarden is bedongen dat in geval van buitengerechtelijke maatregelen alle daaruit voortvloeiende kosten voor vergoeding in aanmerking komen. In artikel 14.2 is daaraan toegevoegd dat consumenten daarnaast, met in achtneming van artikel 6:96 BW Pro en het besluit, een vergoeding voor in de redelijke incassokosten verschuldigd zijn. De kantonrechter sluit niet uit dat de eisende partij het beding in artikel 14.2 heeft bedoeld als een nadere uitwerking van het beding in artikel 14.1, maar het beding kan (met name door het gebruik van het woord ‘daarnaast’) ook anders worden gelezen, in de zin dat een consument in geval van een betalingsachterstand contractueel gehouden is om én alle kosten te vergoeden voor te nemen buitengerechtelijke maatregelen én een redelijke vergoeding te betalen voor incassokosten.
De kantonrechter is van oordeel dat de tekst van het beding onbegrijpelijk en onduidelijk is geformuleerd, waardoor het voor consumenten onmogelijk is om te weten waar zij contractueel aan worden gehouden. Daarnaast is in artikel 16 ook Pro nog opgenomen dat op het niet nakomen van enige bepaling uit de huurovereenkomst, dus ook op niet tijdige huurbetaling, de huurder nog een boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd is. Het in rekening brengen van een boete naast buitengerechtelijke incassokosten levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is op zichzelf en in combinatie met het boetebeding onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.
Het rente- en boetebeding
3.1
Het rentebeding in artikel 14.2 is in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW Pro. Dit beding is daarom op zichzelf niet onredelijk bezwarend.
3.11
In combinatie met het boetebeding in artikel 16 is Pro het rentebeding wel onredelijk bezwarend. De mogelijkheid van het in rekening brengen van een boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het rentebeding wordt daarom vernietigd.
De gevolgen van de ambtshalve toetsing voor de vorderingen
3.12
Omdat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente volledig moeten worden afgewezen.
Geen ontbinding en ontruiming
3.13
De kantonrechter oordeelt dat het ontbinden van de huurovereenkomst met alle gevolgen in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd is. Alleen een tekortkoming van voldoende gewicht van de huurder kan het ontbinden van de huurovereenkomst met alle gevolgen rechtvaardigen (artikel 6:265 lid 1 BW Pro en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810), maar de kantonrechter vindt dat daarvan op dit moment geen sprake is. Hiervoor zijn de volgende omstandigheden belangrijk.
3.14
[onderbewindgestelde] , althans de bewindvoerder, moet de huur elke maand op tijd betalen. Dat is één van de belangrijkste verplichtingen van een huurder. Uit de dagvaarding blijkt dat de huurachterstand berekend tot en met december 2025 € 1.953,60. Vast staat dus dat [onderbewindgestelde] tekortgeschoten is in het nakomen van haar verplichtingen.
3.15
Inmiddels is echter bewind ingesteld over de goederen van [onderbewindgestelde] . De maandelijkse huurbetalingen worden voldaan. De huurachterstand was weliswaar eerst verder opgelopen, maar na de instelling van het bewind is deze teruggebracht tot dezelfde achterstand als in december 2025. De tekortkoming(en) van [onderbewindgestelde] kan/kunnen weliswaar niet meer worden teruggedraaid, maar in de huidige omstandigheden, het ingestelde bewind over de goederen van [onderbewindgestelde] , is voldoende zeker dat de huur in de toekomst op tijd zal worden betaald. Er is dus geen sprake meer van een zich voortslepende situatie van telkens niet of te laat de huur betalen.
3.16
Gelet op de omstandigheden weegt het woonbelang van [onderbewindgestelde] op dit moment zwaarder dan het belang van Woonpalet Zeewolde bij het ontbinden van de huurovereenkomst. Daarbij weegt mee dat de vijf minderjarige kinderen van [onderbewindgestelde] in de woning wonen en het is niet in het belang van de kinderen als de huurovereenkomst wordt ontbonden.
Proceskosten
3.17
Ondanks dat het verzet deels gegrond is, krijgt de bewindvoerder voor het grootste deel ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Woonpalet Zeewolde op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 397,00 aan griffierecht, € 612,00 (3 punten x tarief € 204,00) aan salaris voor de gemachtigde en € 102,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.256,45. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.18
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
vernietigt het op 28 januari 2026 tussen Woonpalet Zeewolde en [onderbewindgestelde] gewezen verstekvonnis met zaaknummer 12028365 MC EXPL 25-7098;
4.2
veroordeelt de bewindvoerder, in de hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde] , om aan Woonpalet Zeewolde te betalen € 1.953,60 aan huurachterstand tot en met juni 2026;
4.3
veroordeelt de bewindvoerder, in de hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde] , in de proceskosten van € 1.256,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.