ECLI:NL:RBMNE:2026:4773

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
11791206 \ LC EXPL 25-1496
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:17 BWArt. 7:18a BWArt. 7:22 lid 1 sub a BWArt. 7:24 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst tweedehandsauto wegens non-conformiteit en onenigheid over koopprijs

De zaak betreft een consumentenkoop van een tweedehandsauto waarbij de koper een gebrek aan de motor ontdekte kort na levering. De kantonrechter stelt vast dat de auto non-conform is omdat het motorlek al bij aflevering latent aanwezig was en niet aan de overeenkomst voldeed. De verkoper kon het wettelijk bewijsvermoeden van non-conformiteit niet weerleggen, ondanks zijn stelling dat de koper met een loszittende oliedop heeft gereden.

De koper vorderde ontbinding van de koopovereenkomst en terugbetaling van de koopprijs, waarbij partijen van mening verschilden over het exacte bedrag. De kantonrechter ging uit van de lagere prijs vermeld in de overeenkomst en inkoopverklaring, omdat de koper deze niet tijdig had betwist.

De ontbinding werd toegewezen, waarbij de verkoper € 2.450 aan de koper moet terugbetalen en de koper de auto moet teruggeven. Schadevergoedingen voor stallingskosten, motorrijtuigenbelasting, vervangend vervoer en belastingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of causaal verband.

De verkoper werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente over het terug te betalen bedrag. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De koopovereenkomst wordt ontbonden wegens non-conformiteit en de verkoper moet € 2.450 terugbetalen aan de koper.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11791206 \ LC EXPL 25-1496
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Stoel,
toevoegingsnummer: 4QK3787,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.L.J.M. Verberne.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van [gedaagde] ;
- het e-mailbericht van 27 mei 2026 van [eiser] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. [eiser] is verschenen met de heer F.E.Z. Akkad (geregistreerde tolk), bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] is verschenen zonder zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De (verdere) beoordeling

Consumentenkoop
2.1
De kantonrechter stelt voorop dat er sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het betreft de koop van een roerende zaak tussen een verkoper die handelt in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit ( [gedaagde] ) en een koper, een natuurlijk persoon, die handelt buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit ( [eiser] ). De consumentenbeschermende bepalingen van titel 1 van boek 7 BW zijn daarom van toepassing.
Juridisch kader non-conformiteit
2.2
Op grond van artikel 7:17 lid 1 en Pro 2 BW moet een geleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper mocht verwachten. In het algemeen mag een koper verwachten dat een auto de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Bij de aankoop van een tweedehandsauto die bedoeld is om aan het verkeer deel te nemen, geldt volgens vaste rechtspraak dat de auto in beginsel niet aan de overeenkomst beantwoordt als het gebruik ervan gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid door een gebrek dat niet eenvoudig door de koper kan worden ontdekt en hersteld. Wel moet rekening worden gehouden met de ouderdom, de kilometerstand en de koopprijs van de auto, waardoor slijtage en het optreden van gebreken bij normaal gebruik niet geheel zijn uit te sluiten.
2.3
Daarnaast beantwoordt een auto niet aan de overeenkomst, als op het moment van de aflevering sprake is van een gebrek dat weliswaar niet meebrengt dat deelname met de auto aan het verkeer direct na de aflevering gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert, maar dat wel binnen zo korte tijd na de aflevering zo ernstige problemen met het gebruik van de auto veroorzaakt, dat op die grond gezegd moet worden dat de koper het gebrek niet behoefde te verwachten.
2.4
Op grond van het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW wordt vermoed dat een gebrek dat zich binnen één jaar na aflevering openbaart, al bij aflevering aanwezig was. Dit betekent dat de consument wel moet bewijzen dat de zaak niet aan de overeenkomst voldoet en dat het gebrek zich binnen een jaar heeft voorgedaan, maar niet de exacte oorzaak van het gebrek of de toerkenbaarheid daarvan aan de verkoper. Het is aan de verkoper om aan te tonen dat het gebrek is ontstaan door omstandigheden die zich pas ná de aflevering hebben voorgedaan. De verkoper kan hierbij niet volstaan met het enkel zaaien van twijfel, maar zal daarvan daadwerkelijk bewijs moeten leveren.
Non-conformiteit van de auto
2.5
Een dag na de levering is [eiser] met de auto vanwege een olielekkage teruggekeerd naar de garage. Het staat vast dat er op dat moment sprake was van een gebrek, aangezien [eiser] dit heeft gesteld en [gedaagde] dit heeft erkend. [gedaagde] heeft getracht dit gebrek te herstellen door onder meer de oliepomp en andere onderdelen te vervangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto ook na vervanging van de onderdelen nog steeds olie lekte en dat de motor inmiddels volledig moet worden vervangen. Dit wordt bevestigd door de overgelegde getuigenverklaringen. Er bestaat verschil van inzicht over de oorzaak van de motorschade.
2.6
Nu het gebrek aan de motor zich kort na levering, in elk geval binnen de wettelijke termijn van één jaar, heeft geopenbaard, geldt het vermoeden dat ook dit motorgebrek al bij de levering (latent) aanwezig was. [gedaagde] heeft gesteld dat het motorprobleem is veroorzaakt doordat [eiser] met een loszittende oliedop heeft gereden. Hierdoor heeft de motor gedraaid zonder olie, wat de schade heeft veroorzaakt. [eiser] heeft ter zitting erkend dat de oliedop op enig moment loszat, maar betwist dat dit de primaire oorzaak is van de motorschade.
2.7
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] er niet in is geslaagd het wettelijk bewijsvermoeden te weerleggen. Hoewel het aannemelijk is dat het rijden zonder (goed bevestigde) oliedop (mogelijk) heeft geleid tot verdere motorschade, sluit dit niet uit dat de motor al bij de aflevering gebrekkig was. Het feit dat – ook na vervanging van onder meer de oliepomp – de olie tijdens de rit naar het derde bezoek aan de garage herhaaldelijk moest worden bijgevuld, is een sterke aanwijzing dat de motor ten tijde van levering en ook na vervanging van de oliepomp olie lekte. Ook is het niet uitgesloten dat het motorgebrek is ontstaan door de aanvankelijke lekkage van de oude oliepomp. [gedaagde] heeft – hoewel dit op zijn weg lag – onvoldoende aangetoond dat dit gebrek is ontstaan door omstandigheden die zich pas ná de aflevering hebben voorgedaan. Het aanbod van [gedaagde] om te bewijzen dat [eiser] heeft gereden zonder dat de oliedop er goed op zat moet worden verworpen. Niet alleen heeft [eiser] dit erkend, bovendien doet dit niet ter zake omdat dit niet uitsluit dat de motor bij de levering en na vervanging van de oliepomp al gebrekkig was en gebrekkig is gebleven. In dat kader heeft [gedaagde] geen concreet bewijsaanbod gedaan. Het voorgaande betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat dit motorgebrek al bij de levering aanwezig was.
2.8
Verder heeft [gedaagde] ter onderbouwing verwezen naar verschillende jurisprudentie, maar in deze zaken waren andere feiten en omstandigheden van doorslaggevend belang en kunnen [gedaagde] dus niet baten. [1]
2.9
Tot slot stelt [gedaagde] dat hij bewust geen garantie heeft gegeven op de auto, waarmee het gebrek voor risico van [eiser] dient te komen. Dat een verkoper afziet van garantie, staat echter niet aan een succesvol beroep op non-conformiteit in de weg. Dit geldt te meer nu een gebrek aan de motor(olie) de verkeersveiligheid rechtstreeks raakt en [eiser] onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde] bij de verkoop heeft medegedeeld dat de auto in goede staat verkeerde. Hoewel het een auto is uit 2011 is met een hoge kilometerstand (ruim 200.000 km) en de verwachtingen daarvan lager moeten zijn, zoals ook is meegewogen in de koopprijs, is een gebrek aan het oliesysteem of de motor van een dusdanige aard dat [eiser] dit niet behoefde te verwachten. De auto beantwoordt daarom niet aan de overeenkomst. De kantonrechter weegt de consumentenbescherming hierin zwaar mee. De conclusie is dat de auto non-conform is.
Gevolgen van de non-conformiteit en de hoogte van de koopprijs
2.1
Gelet op de non-conformiteit en het feit dat [gedaagde] heeft geweigerd het gebrek (opnieuw) te herstellen, is [eiser] in beginsel bevoegd de overeenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:22 lid 1 sub a BW Pro. [eiser] vordert dat hij de Opel aan [gedaagde] ter beschikking stelt tegen terugbetaling van de koopprijs van een bedrag van € 5.000,00, (bestaande uit de inruilwaarde van € 3.000,00 voor de Chevrolet en een restant te betalen bedrag van € 2.000,00). De vordering ziet dus feitelijk op terugbetaling van de koopprijs van de Opel voor een bedrag van € 5.000,00.
2.11
Vanwege de ongedaanmakingsverbintenissen die volgen uit de ontbinding, moet worden vastgesteld welk bedrag [eiser] daadwerkelijk aan [gedaagde] heeft bijbetaald voor de Opel en welk bedrag aan inruilwaarde voor de Chevrolet is overeengekomen. Partijen verschillen hierover van mening.
2.12
In de overeenkomst voor de Opel staat een prijs van € 2.450,00 en in de inkoopverklaring van de Chevrolet een prijs van € 1.000,00. Op beide stukken staat “Betaalwijze: contant” en beide stukken zijn zowel door [eiser] als door [gedaagde] ondertekend. Hieruit volgt dus dat [gedaagde] nog een bedrag van € 1.450,00 moest bijbetalen. [eiser] stelt daarentegen dat de werkelijke prijs van de Opel € 5.000,00 bedroeg met een inruilwaarde van € 3.000,00 voor de Chevrolet, waardoor hij € 2.000,00 contant zou hebben bijbetaald. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar correspondentie via Messenger. Daaruit blijkt dat [gedaagde] inderdaad dit aanbod heeft gedaan. Volgens [eiser] is de factuur naderhand alleen op een lager bedrag gesteld door [gedaagde] vanwege belastingvoordelen. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij hiertegen destijds niet heeft geprotesteerd, omdat hij de factuur niet goed heeft kunnen zien en door een taalbarrière ook niet volledig begreep.
2.13
[gedaagde] erkent dat hij in de voorafgaande correspondentie het door [eiser] genoemde aanbod heeft gedaan, omdat dat hij altijd inzet op de hoogst mogelijke waarde. Na bezichtiging van de auto's zouden partijen volgens [gedaagde] een lagere prijs zijn overeengekomen, die uiteindelijk ook op de factuur is vermeld.
2.14
De kantonrechter overweegt dat in lijn met eerdere rechtspraak zwaar weegt dat het bedrag van € 2.450,00 voor de Opel (en het inruilbedrag van de Chevrolet) expliciet op de overeenkomst en de inkoopverklaring staat vermeld en dat [eiser] hiertegen niet (tijdig) heeft geprotesteerd, sterker nog: hij heeft die beiden ondertekend. De verklaring van [gedaagde] voor de prijsverlaging na bezichtiging is bovendien plausibel. De enkele omstandigheid dat in de voorafgaande Messengerberichten over hogere bedragen is gesproken, is onvoldoende om voorbij te gaan aan de bedragen die worden genoemd op de overeenkomst en de inkoopverklaring. De stelling van [eiser] dat de prijs bewust is verlaagd voor belastingvoordeel is theoretisch een mogelijkheid, maar is in dit specifieke geval niet vast komen te staan. De kantonrechter gaat daarom uit van het bedrag op de overeenkomst en de inkoopverklaring.
2.15
Bovenstaande leidt ertoe dat [gedaagde] als gevolg van de ontbinding een bedrag van € 2.450,00 (de waarde van de Opel) aan [eiser] moet terugbetalen en dat [eiser] de Opel moet teruggeven aan [gedaagde] , zoals hij zelf ook heeft gesteld..
Schadevergoeding
2.16
[eiser] vordert ook schadevergoeding op grond van artikel 7:24 BW Pro, bestaande uit de volgende posten:
  • Stallingskosten van € 25,00 per maand vanaf oktober 2024 tot aan de dag van ontbinding;
  • Motorrijtuigenbelasting van € 223,00 per kwartaal vanaf augustus 2024 tot aan de dag van ontbinding;
  • Kosten voor een vervangende auto van € 700,00;
  • Kosten voor gemeente- en waterschapsbelastingen van € 674,08, nu hij geen kwijtschelding van deze belasting kreeg omdat hij één of meer voertuigen op zijn naam had staan.
2.17
De kantonrechter wijst alle vier de schadeposten af. De stallingskosten en de motorrijtuigenbelasting heeft [eiser] slechts gesteld, zonder deze nader te onderbouwen. Deze kosten kunnen dus niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft de kosten voor een vervangende auto heeft [eiser] weliswaar een factuur overgelegd van de huur van een Renault Clio, maar uit de stukken kan niet worden afgeleid dat deze kosten in causaal verband staan met het gebrek aan de Opel. Dit geldt ook voor de post van de gemeente- en waterschapsbelastingen, nu het causale verband tussen de non-conformiteit van de auto en het niet verkrijgen van kwijtschelding voor algemene lokale belastingen onvoldoende is onderbouwd.
Subsidiaire vordering
2.18
Nu de primaire vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst wordt toegewezen, wordt aan de subsidiaire vordering tot herstel niet toegekomen.
Wettelijke rente
2.19
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen over de toe te wijzen hoofdsom van € 2.450,00 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.2
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu er geen brief is verstuurd met een veertien-dagentermijn die voldoet aan de daarvoor gestelde eisen.
Proceskosten
2.21
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
542,50
(2,5 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
Totaal
741,00
2.22
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1
ontbindt de koopovereenkomst tussen partijen;
3.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 2.450,00 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van algehele voldoening onder de verplichting de Opel op kosten van [gedaagde] aan [gedaagde] ter beschikking te stellen;
3.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 741,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
5998

Voetnoten

1.[gedaagde] verwees naar ECLI:NL:RBGEL:2024:356 (dit betrof lichte trillingen die normaal gebruik niet in de weg staan, laat staan de verkeersveiligheid belemmeren), ECLI:NL:RBAMS:2025:306 (de verkoper had voldoende aangetoond dat er sprake was van conformiteit ten tijde van de levering, en het gebrek deed zich pas voor nadat koper drie maanden met de auto had gereden) en ECLI:NL:RBNHO:2022:4597 (hier was vooraf duidelijk voor beide partijen dat de auto meerdere gebreken had).