ECLI:NL:RBMNE:2026:4789

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
11371005 LC EXPL 24-2753 BmR/842
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verstekvonnis en bewijsopdracht niet geslaagd inzake herstelkosten vloeren

In deze civiele zaak bij de Rechtbank Midden-Nederland heeft de kantonrechter het verstekvonnis van 14 augustus 2024 bekrachtigd. Opposant was veroordeeld tot betaling van een factuurrestant en proceskosten, maar kwam hiertegen in verzet. Opposant stelde dat geopposeerde had ingestemd met betaling van herstelkosten van vloeren door een derde partij, en vorderde verrekening en terugbetaling van niet uitgevoerd werk.

De kantonrechter heeft het bewijs van opposant getoetst aan de hand van getuigenverklaringen, waaronder die van partijen zelf en een echtgenote. Uit deze verklaringen bleek geen afspraak dat geopposeerde de herstelkosten zou dragen. Opposant kon niet aantonen dat een dergelijke afspraak was gemaakt, terwijl geopposeerde dit ontkende.

Daarmee is de bewijsopdracht van opposant niet geslaagd. De kantonrechter oordeelde dat het verstekvonnis terecht is en veroordeelde opposant tot betaling van het openstaande bedrag. De vorderingen in reconventie van opposant werden afgewezen. Tevens werd opposant veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt bekrachtigd en opposant wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag en proceskosten, met afwijzing van de reconventionele vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11371005 LC EXPL 24-2753 BmR/842
Vonnis van 15 juli 2026
inzake
[geopposeerde] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [geopposeerde] ,
gedaagde partij in het verzet,
oorspronkelijk eisende partij,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.
rolgemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso,
tegen:
[opposant],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [opposant] ,
eisende partij in het verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
gemachtigde: E.P. de Jong.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025 - de akte aan de zijde van [opposant] - het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 mei 2026 - de akte uitlating getuigenverhoor aan de zijde van [opposant] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1
De kantonrechter blijft bij hetgeen bij tussenvonnis van 28 mei 2025 is overwogen.
2.2
Bij verstekvonnis van 14 augustus 2024 is [opposant] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 4.194,45, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.699,50 vanaf 24 december 2023 tot aan de voldoening en veroordeelt in de proceskosten van € 770,39. [opposant] is tijdig in verzet gekomen van bedoeld vonnis.
2.3
De vordering van [geopposeerde] is gebaseerd op de factuur van 10 december 24 december 2023 (verval termijn 24 december 2023) voor een bedrag van € 7.199,50. [opposant] heeft op die factuur een bedrag van € 3.500,00 voldaan, zodat resteert een bedrag van € 3.699,50. Dat bedrag is dus toegewezen bij verstek vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten.
2.4
[opposant] meent niets verschuldigd te zijn aan [geopposeerde] . [geopposeerde] zou hebben ingestemd met betaling van de kosten van herstel van de vloeren uit te voeren door een derde partij. Voor wat de benedenverdieping voor een bedrag van € 3.582,80. Ten aanzien van dit bedrag beroept [opposant] zich in conventie op verrekening met het restant van de factuur van 10 december 2023. Voor herstel van de vloer op de bovenverdieping vordert [opposant] in reconventie betaling van een bedrag van € 3.395,00. Daarnaast vordert [opposant] in reconventie terugbetaling voor niet uitgevoerd, maar wel in rekening gebracht werk voor een bedrag van € 3.726,80.
2.5
Bij tussenvonnis van 28 mei 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering van [opposant] voor terugbetaling van niet uitgevoerd werk moet worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat die werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, maar bovendien dat [geopposeerde] ook niet in verzuim is geraakt, omdat [opposant] hem niet in gebreke heeft gesteld en hem ook niet alsnog de gelegenheid heeft geboden de werkzaamheden uit te voeren voor zover die niet waren gedaan.
2.6
Bij tussenvonnis is verder overwogen dat [opposant] dient te bewijzen dat hij met [geopposeerde] heeft afgesproken dat de werkzaamheden aan de vloeren op de begane grond en/of op de eerste verdieping op kosten van [geopposeerde] hersteld mocht worden door een derde. Indien [opposant] in het bewijs slaagt dan zal [geopposeerde] de kosten moeten dragen. Alsdan is het beroep op verrekening (in conventie) toewijsbaar voor wat het bedrag van € 3.582,80 en de reconventionele vordering voor een bedrag van € 3.395,00 eveneens toewijsbaar. Slaagt [opposant] evenwel niet in het bewijs dan is de veroordeling bij verstekvonnis van 14 augustus 2024 terecht.
2.7
De kantonrechter is van oordeel dat [opposant] niet in zijn bewijs opdracht is geslaagd. [opposant] heeft een drietal getuigen voorgedragen, te weten [geopposeerde] , [opposant] en de echtgenote van [opposant] , Adoliva. De getuigen zijn onder ede gehoord op 7 mei 2026.
[geopposeerde] verklaart onder meer: “(..)
U houdt mij voor dat [opposant] in de procedure zich op het standpunt heeft gesteld dat er met mij een afspraak is gemaakt dat de werkzaamheden opnieuw door een derde op mijn kosten mochten worden uitgevoerd. Die afspraak is niet gemaakt.(..)”
[opposant] verkaart onder meer: “(..)
U vraagt mij wat er op 26 januari is besproken. We waren niet tevreden over het werk, met name de plinten. Bij het schoonmaken hadden wij geconstateerd dat er oneffenheden waren bij de plinten. Wij hebben gevraagd om de werkzaamheden te verbeteren, maar [geopposeerde] gaf aan niet professioneel genoeg te zijn om dat zelf te kunnen doen. Wij zijn uiteindelijk bij een derde partij terecht gekomen. Het bedrijf van [A] . Dhr. [geopposeerde] heeft mij medegedeeld: kijk naar een ander bedrijf en regel het zelf. U vraagt mij of er nog andere afspraken zijn gemaakt. Er zijn verder geen andere afspraken gemaakt (..)”.
“(..) U vraagt mij of dhr. [geopposeerde] heeft toegezegd dat hij de kosten gaat dragen van de andere parketeur. Hij heeft alleen maar gezegd dat hij zijn factuur betaald wil krijgen
U vraagt mij of er in het gesprek van 26 januari is gesproken over verrekening van de te maken kosten en/of herstelkosten. Daar is niet over gesproken, [geopposeerde] heeft aangegeven dat hij zijn rechten zou opzoeken”
[opposant] verklaart onder meer:
“(..) [geopposeerde] gaf aan: zoek een ander bedrijf, ik wil er samen uitkomen. Mijn man heeft aangegeven dat betaling aan het andere bedrijf zou plaatsvinden. [geopposeerde] heeft geaccepteerd dat het bedrag aan het andere bedrijf zou worden betaald.
Er is verder geen toezegging gedaan door [geopposeerde] tot verdere betaling (..)”
[geopposeerde] heeft alleen gezegd dat wat oorspronkelijk aan mij betaald zou moeten worden, dat kan aan het bedrijf worden betaald.(..)”
2.8
Uit de verklaringen in onderlinge samenhang kan niet worden afgeleid dat daadwerkelijk tussen partijen is afgesproken dat [geopposeerde] de kosten van herstel van de vloeren door een derde zou dragen. Zowel [geopposeerde] als [opposant] zelf ontkennnen dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Alleen [opposant] verklaart dat wat oorspronkelijk zou moeten worden betaald aan [geopposeerde] aan het andere bedrijf kon worden betaald. Dat is echter onvoldoende voor het bewijs. Dit betekent dat [opposant] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd en gehouden is het restant van de factuur van 10 december 2023 te voldoen, zoals ook bij verstekvonnis is bepaald. Dit betekent verder dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen.
2.9
[opposant] zal worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure tot op heden begroot op: - salaris gemachtigde € 864,00 - nakosten
€ 144,00- totaal € 1.008,00

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie en reconventie
3.1
bekrachtigt het verstekvonnis van 14 augustus 2024 onder zaaknummer 11161998 LC EXPL 24-1648;
3.2
veroordeelt [opposant] in de kosten van de verzetprocedure aan de zijde van [geopposeerde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.008,00, alsmede de kosten van betekening indien niet aan het vonnis wordt voldaan;
3.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.