ECLI:NL:RBMNE:2026:4790

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
12007407 \ UC EXPL 25-9911 WMB/61313
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:140 BWArt. 7:129 BWArt. 150 RvArt. 3:2 partnerovereenkomstArt. 3:33 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling lening aan vennootschap ondanks ontbreken formele rol en verrekeningsverweer

Eiseres, een vennootschap opgericht in 2020, vordert terugbetaling van €9.181,89 vermeerderd met rente van gedaagde, die betwist dat het om leningen gaat en stelt dat het giften zijn of verrekend moeten worden met opbrengsten die hij voor eiseres zou hebben gegenereerd. De kantonrechter constateert dat gedaagde formeel geen rol heeft binnen eiseres en dat er geen duidelijke afspraken zijn over de financiële verhouding.

Uit overgelegde rekeningafschriften en Whatsapp-berichten blijkt dat eiseres in totaal €8.300,00 aan gedaagde heeft geleend. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een tegenvordering heeft om te verrekenen en dat zijn opschortingsverweer faalt omdat de partnerovereenkomst met een andere partij is gesloten.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van €8.300,00 plus contractuele en wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten van €790,00 en proceskosten van €1.526,40. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat eiseres direct kan executeren.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €8.300,00 met rente en kosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12007407 \ UC EXPL 25-9911 WMB/61313
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
vertegenwoordigd door haar (middellijk) bestuurder, de heer [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C.L. Berkel.

1.De procedure

1.1
[eiser] heeft [gedaagde] op 17 november 2025 gedagvaard. [gedaagde] heeft op 7 januari 2026 een conclusie van antwoord ingediend. De mondelinge behandeling vond plaats op 28 april 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting. Namens [eiser] is de heer [A] (hierna: [A] ) verschenen, samen met de heer [B] , oud-medewerker van [eiser] . [gedaagde] is samen met mr. Berkel verschenen. Beide partijen hebben tijdens de zitting aanvullende stukken ingediend. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat [gedaagde] zich mocht uitlaten over de door [eiser] ingediende producties. Op 13 mei 2026 heeft [gedaagde] daarvoor een akte genomen. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[A] en [gedaagde] zijn een tijd lang vrienden geweest en hebben op enig moment het plan opgevat om samen te gaan ondernemen. Daartoe is [eiser] in 2020 opgericht en hebben zij in 2023 een partnerovereenkomst getekend. Vanaf rekeningen van [eiser] , van [A] en van zijn holding zijn verschillende bedragen overgemaakt naar [gedaagde] en een andere rechtspersoon. [eiser] zegt dat [gedaagde] die bedragen van haar heeft geleend en wil dat [gedaagde] die terugbetaalt. [gedaagde] weigert dat te doen. Hij zegt dat het gaat om schenkingen van [A] en/of bedragen die moeten worden verrekend met de opbrengsten die hij voor [eiser] heeft gegenereerd. Daarnaast zegt [gedaagde] dat hij de terugbetaling kan opschorten. De vorderingen van [eiser] worden gedeeltelijk toegewezen.
3 De beoordeling
[eiser] moet onderbouwen dat zij geld aan [gedaagde] heeft geleend
3.1
[eiser] wil in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een totaalbedrag van € 9.181,89 aan haar te betalen, vermeerderd met contractuele en wettelijke rente. De kantonrechter heeft moeite gehad met het duiden van de grondslag van die vordering. Dat komt doordat [A] en [gedaagde] minimale afspraken hebben gemaakt over hun onderlinge samenwerking, waardoor het onduidelijk is hoe de verhouding tussen [gedaagde] en [eiser] precies moet worden begrepen. Uit de ingebrachte stukken en wat er op zitting naar voren is gebracht, heeft de kantonrechter het volgende op kunnen maken.
3.2
[eiser] is in 2020 is opgericht vanuit de gedachte dat [A] en [gedaagde] samen aan de slag zouden gaan in de detacheringsbranche. Alleen [A] is bij de oprichting middellijk bestuurder en enig aandeelhouder geworden van [eiser] , via zijn holding [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [gedaagde] was op dat moment nog verwikkeld in de afhandeling van andere rechtsverhoudingen en kreeg daarom op papier nog geen rol binnen [eiser] . Alle inhoudelijke beslissingen over de bedrijfsvoering van [eiser] , besprak [A] wel met [gedaagde] . Op 9 mei 2023 is met het oog op de samenwerking een partnerovereenkomst (hierna: de partnerovereenkomst) gesloten tussen [bedrijf 1] en [gedaagde] waarin is afgesproken dat [gedaagde] 50% van de aandelen in [eiser] zou krijgen en de rol zou gaan aannemen van CCO binnen het bedrijf. In diezelfde periode is er ook een accountmanager aangetrokken en is [eiser] een kantoorruimte gaan huren in [woonplaats] . Hoewel de samenwerking tussen [A] en [gedaagde] vanaf dat moment in ieder geval op papier dus meer invulling kreeg, heeft de afgesproken aandelenoverdracht nooit plaatsgevonden. Heldere afspraken over de rol die [gedaagde] tot het moment van die overdracht zou vervullen en hoe dat financieel zou worden afgehandeld, zijn kennelijk niet gemaakt of in ieder geval niet duidelijk geworden voor de kantonrechter.
3.3
Vanaf 2021 zijn er vanuit [A] persoonlijke rekening, een rekening van [eiser] , en een rekening van [bedrijf 1] verschillende bedragen aan [gedaagde] en een andere rechtspersoon ( [bedrijf 2] .) overgeboekt. [A] zegt dat al die bedragen door [eiser] via een rekening-courantverhouding aan [gedaagde] in persoon zijn geleend en [gedaagde] daarom door [eiser] kan worden aangesproken om die leningen terug te betalen. De rekening-courantverhouding was volgens [A] een logische manier om de leningen administratief af te handelen, omdat het altijd de bedoeling is geweest dat [gedaagde] uiteindelijk zou toetreden als medebestuurder en aandeelhouder. [gedaagde] zou de leningen op termijn dan af kunnen betalen via de inkomsten die hij zou gaan genereren voor [eiser] . Omdat [gedaagde] volgens [A] nooit daadwerkelijk inkomsten is gaan genereren voor [eiser] , bleef de lening openstaan en was op een gegeven moment voor [A] de maat vol. Daarom heeft [A] namens [eiser] op 11 mei 2025 per brief aan [gedaagde] verzocht om de openstaande lening af te gaan betalen en op 3 juli 2025 het volledige bedrag opgeëist.
3.4
[gedaagde] betwist dat de overgeboekte bedragen leningen van [eiser] aan hem in persoon zijn. Hij wijst erop dat hij (nog) geen bestuurder of aandeelhouder van [eiser] is en zegt dat hij daarom geen rekening-courantverhouding met [eiser] heeft. De bedragen waren volgens [gedaagde] persoonlijke giften van [A] , die in sommige gevallen via [bedrijf 1] of [eiser] werden uitbetaald. De eenzijdige keuze van [A] om de bedragen in een rekening-courantverhouding bij [eiser] te administreren, maakt daarom niet dat er sprake was van leningen volgens [gedaagde] . Als het bovendien al leningen waren geweest, zegt [gedaagde] dat die leningen gedeeltelijk tussen [A] en/of [bedrijf 1] en hemzelf zijn gesloten. [eiser] kan daarop daarom geen aanspraak maken. Voor zover [eiser] wel aanspraak kan maken op terugbetalingen, moeten die vorderingen volgens [gedaagde] verder worden verrekend met een buffer. Daarnaast zegt [gedaagde] dat hij zich beroept op opschorting, omdat de aandelen nooit aan hem zijn geleverd zoals afgesproken in de partnerovereenkomst.
3.5
Gelet op het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat [gedaagde] tot op de dag van vandaag geen formele rol heeft bij [eiser] en er geen algemene afspraken zijn gemaakt over zijn verhouding tot [eiser] . De kantonrechter ziet daarom geen reden waarom [eiser] de aan [gedaagde] overgeboekte bedragen zomaar als negatief saldo op een rekening-courantverhouding in haar administratie kon opnemen. [1] Dat zij dat eventueel wel heeft gedaan, zegt niets over de afspraken die over die overboekingen zijn gemaakt. [eiser] zegt dat het om leningen van haar aan [gedaagde] ging. Het is daarom aan [eiser] om voldoende te onderbouwen dat al die bedragen door of namens haar aan [gedaagde] zijn betaald en dat zij met [gedaagde] heeft afgesproken dat hij die bedragen moest terugbetalen. [2]
[eiser] heeft € 8.300,00 aan [gedaagde] geleend
3.6
Ter onderbouwing van haar vorderingen heeft [eiser] rekeningafschriften en Whatsapp-berichten tussen [A] en [gedaagde] overgelegd. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarmee voldoende heeft onderbouwd dat zij in totaal € 8.300,00 aan [gedaagde] heeft geleend. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.7
[eiser] heeft verschillende en onderling afwijkende overzichten overgelegd met bedragen die zij volgens haar aan [gedaagde] heeft geleend. Als alle door [eiser] overgelegde overzichten worden samengenomen, levert dat het volgende totaaloverzicht op:
1
8 maart 2021
250,00
2
16 maart 2021
250,00
3
14 september 2021
1.000,00
4
12 februari 2022
300,00
5
15 mei 2023
631,89
6
25 mei 2023
2.500,00
7
30 mei 2023
1.000,00
8
16 juni 2023
1.000,00
9
28 juni 2023
1.000,00
10
3 juli 2023
300,00
11
15 juli 2023
300,00
12
27 augustus 2023
1.200,00
Totaal
9.731,89
3.8
Bedrag 1 is aan een rekening van [gedaagde] overgeboekt door [bedrijf 1] met daarbij de omschrijving
“Iov [eiser]”. Dat betekent volgens [eiser] dat de overboeking in opdracht van haar door [bedrijf 1] is gedaan. Dat kan kloppen, maar daaruit blijkt niet zonder meer dat het ging om een lening. Uit de door [eiser] overgelegde Whatsapp-berichten volgt dat [gedaagde] op 8 maart 2021 aan [A] alleen vraagt om
“iets vanuit fkexstafit over te maken”. Daaruit blijkt onvoldoende dat [eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat hij dat bedrag aan haar moest terugbetalen.
3.9
Bedrag 2 is aan [gedaagde] overgeboekt vanuit een persoonlijke rekening van [A] met daarbij de omschrijving
“Doe er iets zinvols mee vriend”. Uit niets blijkt dat het zou gaan om een lening.
3.1
Bedrag 3 is aan [gedaagde] overgeboekt door [bedrijf 1] , opnieuw met de omschrijving “
Iov [eiser] ”. Uit de Whatsapp-berichten blijkt dat [gedaagde] op 14 september 2021 om geld heeft gevraagd en daarbij heeft geschreven
“wel later betalen ergens volgende haar”. Daaruit maakt de kantonrechter op dat [gedaagde] het geld op termijn terug zou betalen en het hier dus ging om een lening. [gedaagde] heeft bovendien niet weersproken dat de omschrijving betekent dat het bedrag in opdracht van [eiser] aan hem is overgeboekt. Daarmee staat vast dat [eiser] dat bedrag als lening aan [gedaagde] heeft verstrekt.
3.11
Bedrag 4 is volgens [eiser] aan [gedaagde] overgemaakt door [bedrijf 1] , maar van de overboeking is geen rekeningafschrift overgelegd. Uit de Whatsapp-berichten blijkt dat [gedaagde] op 12 februari 2022 aan [A] heeft gevraagd
“zou jij iets kunnen missen vanuit het bedrijf”. Daaruit blijkt onvoldoende dat het ging om een lening en dat die lening vanuit [eiser] aan [gedaagde] is verstrekt.
3.12
Bedrag 5 is door [eiser] overgeboekt aan [bedrijf 2] . met daarbij de omschrijving
“Oprichting [bedrijf 3] ”. Dat hierbij sprake was van een lening van [eiser] aan [gedaagde] in persoon blijkt nergens uit. Eerder lijkt het erop dat met deze overboeking uitvoering wordt gegeven aan de partnerovereenkomst, waarin is opgenomen dat de kosten voor de oprichting van de persoonlijke holding van [gedaagde] zullen worden gedragen door [eiser] . [3]
3.13
De overige bedragen 6 tot en met 12 zijn allemaal door [eiser] aan [gedaagde] overgemaakt, telkens met de omschrijving
“boeking op rekening courant”of
“R/C boeking”. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat bedragen 6 en 7 leningen van haar aan [gedaagde] zijn. Uit de Whatsapp-berichten blijkt dat [gedaagde] op 25 mei 2023 aan [A] heeft geschreven:
“Ik kom zelf 2500 euro tekort Ron, is het mogelijk om dit bedrag van je te lenen en vanaf volgende jaar een afspraak maken over terugbetalen of als ik zover ben met [C] dat ik je in een keer terug kan betalen”. Bij zijn verzoek voor het daaropvolgende bedrag schrijft [gedaagde] op 30 mei 2023:
“Je krijgt het echt gelijk als ik de aanbid krijg van [C] ”. Daarmee staat buiten twijfel dat het bij die twee bedragen ging om een lening. Verder is voldoende vast komen te staan dat [A] bij het verstrekken van die leningen niet namens zichzelf, maar namens [eiser] handelde, aangezien uit de Whatsapp-berichten blijkt dat [gedaagde] telkens vroeg om geld uit het bedrijf en het geld ook telkens door [eiser] werd overgeboekt.
3.14
Hoewel [gedaagde] na 30 mei 2023 in de Whatsapp-berichten niet meer expliciet aangeeft dat hij het geld dat hij vraagt zal terugbetalen, moeten ook de laatste vijf overboekingen als leningen van [eiser] aan [gedaagde] worden gezien. Voor zover [gedaagde] zijn laatste verzoeken om geld namelijk niet als verzoeken om een lening heeft bedoeld, heeft [eiser] die verzoeken wel zo opgevat. Gelet op de context dat [eiser] kort daarvoor op dezelfde manier al twee leningen had verstrekt en de veronderstelling van beide partijen dat [gedaagde] op termijn bestuurder zou worden, mocht [eiser] er redelijkerwijs vanuit gaan dat zij [gedaagde] telkens een lening verstrekte door de bedragen over te boeken. [4] Daarmee staat vast dat [eiser] in totaal € 8.300,00 (= € 1.000,00 + € 2.500,00 + € 1.000,00 + € 1.000,00 + € 1.000,00 + € 300,00 + € 300,00 + € 1.200,00) aan [gedaagde] heeft geleend.
[gedaagde] kan niet verrekenen
3.15
[gedaagde] zegt dat hij de door [eiser] verstrekte leningen niet terug hoeft te betalen, omdat hij die kan verrekenen. Dat verweer slaagt niet. Om te kunnen verrekenen is het nodig dat [gedaagde] een tegenvordering op [eiser] heeft, [5] die bovendien eenvoudig moet kunnen worden vastgesteld. [6] Het is aan [gedaagde] om te onderbouwen dat die tegenvordering bestaat. [7] [gedaagde] heeft het in dat verband over een buffer, die hij zou hebben opgebouwd bij [eiser] . Het is de kantonrechter niet duidelijk geworden waaruit die buffer volgens [gedaagde] is opgebouwd. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] gezegd dat [eiser] € 2,50 of € 5,00 per uur in rekening kon brengen per gedetacheerde bij verschillende contracten die hij voor [eiser] heeft binnengehaald. Hoeveel daarvan aan een buffer van [gedaagde] zou worden toegeschreven en hoe hoog die buffer volgens hem op dit moment is, kon [gedaagde] niet aangeven. Ook heeft hij geen enkele onderbouwing overgelegd van de binnengehaalde opdrachten. [eiser] heeft dat alles weersproken en gezegd dat alleen [A] inkomsten voor [eiser] heeft gegenereerd door zichzelf te detacheren. Gelet op die betwisting van [eiser] , lag het op de weg van [gedaagde] om zijn stellingen te onderbouwen. Omdat hij dat niet heeft gedaan, is niet vast komen te staan dat hij een tegenvordering op [eiser] heeft.
[gedaagde] kan niet opschorten
3.16
[gedaagde] heeft zich daarnaast beroepen op opschorting. Daarvoor is vereist dat [gedaagde] een opeisbare vordering heeft op [eiser] , die voldoende samenhang heeft met de leningen om de opschorting te rechtvaardigen. [8] Ook dat verweer slaagt niet. [gedaagde] zegt dat hij een opeisbare vordering heeft, omdat in de partnerovereenkomst is afgesproken dat hij 50% van de aandelen van [eiser] zou krijgen. Maar de partnerovereenkomst heeft [gedaagde] gesloten met [bedrijf 1] . [gedaagde] zou daarom alleen van [bedrijf 1] kunnen vorderen dat zij die aandelen aan hem overdraagt, als [gedaagde] daarop aanspraak zou kunnen maken. Van een opeisbare vordering op [eiser] is geen sprake.
Conclusie: [gedaagde] moet [eiser] € 8.300,00 inclusief contractuele en wettelijke rente betalen
3.17
De conclusie is dat [gedaagde] € 8.300,00 aan [eiser] moet terugbetalen, zodat de vorderingen van [eiser] voor dat bedrag worden toegewezen.
3.18
[eiser] vordert verder zowel contractuele rente als wettelijke rente over dat bedrag. Omdat partijen volgens [eiser] geen rentetarief zijn overeengekomen, moet volgens haar worden uitgegaan van een contractueel rentetarief dat gelijkstaat aan de wettelijke rente. [9] Omdat [gedaagde] daar niets tegenin heeft gebracht en uit de wet voortvloeit dat bij dit soort leningen de lener verplicht is rente te betalen, tenzij uit de overeenkomst voortvloeit dat geen rente verschuldigd is, is die vordering toewijsbaar. Daarnaast stelt [eiser] dat zij de volledige lening op 3 juni 2025 heeft opgeëist en [gedaagde] op 10 juli 2025 in verzuim is gekomen met de terugbetaling daarvan, zodat hij sindsdien ook wettelijke rente verschuldigd is. Hoewel [gedaagde] ook daar niets tegenin heeft gebracht, kan de kantonrechter die datum niet plaatsen. Uit het dossier volgt namelijk dat [eiser] de leningen pas op 3 juli 2025 heeft opgeëist, waardoor [gedaagde] zes weken daarna, op 15 augustus 2025, in verzuim is geraakt. [10] Pas vanaf die datum was hij naast de contractuele rente ook de wettelijke rente verschuldigd. [11] Dat betekent dat [eiser] de al verschenen rente zal moeten herberekenen. De kantonrechter wijst daarom de contractuele rente per afzonderlijk bedrag toe vanaf de datum waarop dat bedrag is overgeboekt. De wettelijke rente wordt toegewezen over de gehele hoofdsom vanaf 15 augustus 2025.
[gedaagde] moet € 790,00 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.19
[eiser] vordert daarnaast betaling van € 881,74 aan buitengerechtelijke incassokosten. Om die vordering toe te kunnen wijzen is het nodig dat [eiser] een zogenaamde veertiendagenbrief aan [gedaagde] heeft gestuurd. [12] Uit het dossier blijkt dat zij dat op 15 augustus 2025 heeft gedaan. De vordering is daarom toewijsbaar tot het bedrag dat volgt uit de staffel in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bij een hoofdsom van € 8.300,00. Dat bedrag is € 790,00 en in zoverre wordt de vordering daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag wordt toegewezen als gevorderd.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.2
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.526,40
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.21
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren als [gedaagde] niet aan het vonnis voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als er nog in hoger beroep moet worden beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.300,00, te vermeerderen met:
- de wettelijke rente [13] over dat bedrag vanaf 15 augustus 2025,
- de contractuele rente die gelijkstaat aan de wettelijke rente over:
o een bedrag van € 1.000,00 vanaf 14 september 2021,
o een bedrag van € 2.500,00 vanaf 25 mei 2023,
o een bedrag van € 1.000,00 vanaf 30 mei 2023,
o een bedrag van € 1.000,00 vanaf 16 juni 2023,
o een bedrag van € 1.000,00 vanaf 28 juni 2023,
o een bedrag van € 300,00 vanaf 3 juli 2023,
o een bedrag van € 300,00 vanaf 15 juli 2023,
o een bedrag van € 1.200,00 vanaf 27 augustus 2023,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 790,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente [14] als dat bedrag niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis is voldaan,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.526,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
  • de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
  • de wettelijke rente
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 6:140 BW Pro.
2.Artikel 7:129 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) samen met artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.Artikel 3.2 van de partnerovereenkomst.
4.Artikel 3:33 in Pro samenhang met 3:35 BW.
5.Artikel 6:127 BW Pro.
6.Artikel 6:136 BW Pro.
7.Artikel 150 Rv Pro.
8.Artikel 6:52 BW Pro.
9.Op grond van artikel 7:129c en 7:129d BW.
10.Op grond van artikel 7:129e BW.
11.Zie Hof Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2111, r.o. 4.36-4.38.
12.Op grond van artikel 6:96 BW Pro.
13.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
14.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
15.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.