ECLI:NL:RBMNE:2026:4792

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
12245624 \ UV EXPL 26-131
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder vordert betaling huurachterstand en ontruiming bedrijfsruimte, ontruiming afgewezen

De verhuurder vordert in kort geding de ontruiming van een bedrijfsruimte en betaling van een huurachterstand van €23.185,00 door de huurders, een vennootschap onder firma en haar vennoten. De huurders betwisten de omvang van de achterstand en weigeren ontruiming.

De kantonrechter oordeelt dat de huurders een huurachterstand van €10.700,00 hebben opgebouwd vanaf november 2024 tot juli 2026, maar dat de vordering voor het meerdere onvoldoende aannemelijk is in deze spoedprocedure. De ontruiming wordt afgewezen omdat de huurders al zeventien jaar het pand huren, de verhuurder het contract steeds heeft verlengd, en er zicht is op een mogelijke oplossing via een koopaanbod en hulp van de gemeente.

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van €10.700,00 toe en veroordeelt de huurders hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van €1.429,02. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met de waarschuwing dat bij niet-naleving een volgende kort gedingprocedure tot ontruiming kan leiden.

Uitkomst: Huurders moeten €10.700 aan huurachterstand betalen, ontruiming wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12245624 \ UV EXPL 26-131
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,
tegen
de vennootschap onder firma
1.
[gedaagde sub 1],
kantoorhoudende in [plaats] ,

2 [gedaagde sub 2] ,

vennoot van gedaagde sub 1,
wonende in [woonplaats] ,

3 [gedaagde sub 3] ,

vennoot van gedaagde sub 1,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
procederend in persoon van gedaagden sub 2 en 3.

1.De procedure

1.1
[eiser] heeft [gedaagden c.s] op 2 juni 2026 gedagvaard. Vervolgens heeft op 1 juli 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [eiser] aanwezig met zijn gemachtigde mr. M.P.H. van Wezel. Namens [gedaagden c.s] waren haar vennoten de heer [gedaagde sub 2] en mevrouw [gedaagde sub 3] aanwezig met hun zoon [A] , die tijdens de zitting voor hen heeft vertaald vanuit het Turks naar het Nederlands. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.2
Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis vandaag zal worden uitgesproken.
2 De kern van de zaak
2.1
[gedaagden c.s] huurt vanaf december 2010 de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] (hierna: het restaurant) voor € 2.200,00 per maand van [eiser] . Volgens [eiser] heeft [gedaagden c.s] een huurachterstand laten ontstaan van € 23.185,00. [eiser] wil daarom dat de kantonrechter in dit kort geding, vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst, bepaalt dat [gedaagden c.s] het restaurant moet ontruimen en dat zij de huurachterstand moet betalen. [gedaagden c.s] betwist niet dat zij een huurachterstand heeft, maar stelt dat deze slechts twee maanden huur bedraagt. Zij wil het restaurant ook niet ontruimen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden c.s] het restaurant niet hoeven te ontruimen, maar dat zij wel € 10.700,00 aan huurachterstand aan [eiser] moet betalen.

3.Het geschil

Toetsingskader
3.1
In een kort geding kan de kantonrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak), die na het kort geding kan worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt, in dit geval [eiser] , hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
3.2
Voor geldvorderingen in kort geding geldt bovendien dat de kantonrechter terughoudend moet zijn bij de toewijzing daarvan. De kantonrechter zal niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is en of de gedaagde een spoedeisend belang heeft, maar neemt in de afweging van de belangen van partijen ook het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mee. Wanneer dit restitutierisico hoog is, kan dit bijdragen tot weigering van de voorziening.
Spoedeisend belang
3.3
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. Hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagden c.s] de huur al langere tijd niet (volledig) betaalt en dat de huurachterstand oploopt. Hiermee is de spoedeisendheid gegeven.
[gedaagden c.s] moet € 10.700,00 aan huurachterstand aan [eiser] betalen
3.4
[eiser] vordert in zijn dagvaarding betaling van een huurachterstand van € 23.185,00 tot en met 13 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling op 1 juli 2026 heeft [eiser] toegelicht dat de huurachterstand op dat moment nog steeds € 23.185,00 was. [gedaagden c.s] heeft volgens [eiser] wel betalingen heeft gedaan, maar is ook twee nieuwe huurtermijnen verschuldigd geworden.
3.5
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden c.s] in deze spoedprocedure voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de huurachterstand € 10.700,00 bedraagt. Dit bedrag zal worden toegewezen. Het meerdere kan niet worden toegewezen omdat in deze procedure niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat [eiser] daarop recht heeft. Daarvoor is, gelet op het gevoerde verweer, nader onderzoek nodig en daarvoor leent deze procedure zich niet. Volgens [eiser] heeft [gedaagden c.s] al vanaf 2010 een deel van de huur niet betaald. [eiser] heeft echter op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt dat oude huurpenningen nog opeisbaar zijn. Het overzicht van betalingen en verschuldigde huur dat [eiser] heeft overgelegd begint namelijk pas bij 2022. [1] [eiser] heeft ook geen ander overzicht overgelegd waaruit duidelijk blijkt welke huurtermijnen vanaf 2010 niet zijn betaald en hoe betalingen zijn toegerekend. Aangezien dit een kort geding procedure is, moet de kantonrechter terughoudend zijn bij de toewijzing van geldvorderingen en is er geen plaats voor bewijslevering van [eiser] . De huurachterstand die [eiser] vordert vanaf 2010 staat dus onvoldoende vast om door de kantonrechter in dit kort geding te worden toegewezen.
3.6
Zoals hiervoor genoemd heeft [eiser] de huurachterstand vanaf 2022 wel onderbouwd met een overzicht waarop de verschuldigde huurtermijnen en de door [gedaagden c.s] gedane betalingen te zien zijn. [2] Dit overzicht komt echter niet geheel overeen met de sommatie die [eiser] op 3 januari 2025 aan [gedaagden c.s] heeft verstuurd. Hierin zegt [eiser] dat [gedaagden c.s] de huur van november 2024, december 2024 en januari 2025 niet heeft betaald. Daarnaast zou [gedaagden c.s] € 8.300,00 ‘uit de periode 2010’ niet betaald hebben. Wat er met de periode 2010 wordt bedoeld heeft [eiser] niet verduidelijkt. Aangezien onduidelijk is of deze bedragen uit de sommatie overeenkomen met het betaaloverzicht van [eiser] , kan de kantonrechter niet met voldoende zekerheid vaststellen dat [gedaagden c.s] de gevorderde huurpenningen van 2022 tot en met november 2024 (deels) niet heeft betaald.
3.7
Van de huurachterstand vanaf november 2024 heeft [eiser] wel voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagden c.s] deze nog verschuldigd is. Vanaf dit punt komen het overzicht van betalingen en de sommatie van [eiser] namelijk met elkaar overeen. [gedaagden c.s] betwist wel dat zij een dergelijk hoog bedrag aan huur niet aan [eiser] heeft betaald. Zij stelt slechts twee huurtermijnen onbetaald te hebben gelaten. Dit is niet voldoende aannemelijk geworden omdat [gedaagden c.s] de gestelde betalingen op geen enkele manier hebben onderbouwd. De kantonrechter gaat dan ook niet mee met de betwisting van [gedaagden c.s] en zal de huurachterstand vanaf november 2024 tot en met juli 2026 toewijzen. Dit is een bedrag van € 10.700,00 (€ 4.400,00 voor 2024 + € 5.000,00 voor 2025 + € 1.300,00 voor 2026).
[gedaagden c.s] hoeft het restaurant nu niet te ontruimen
3.8
[eiser] vordert naast betaling van de huurachterstand dat [gedaagden c.s] , vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst, wordt veroordeeld het restaurant te ontruimen. [eiser] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij wil emigreren naar Turkije en daarom het restaurant wil verkopen. Met dat belang dient de kantonrechter rekening te houden. Toch zal de kantonrechter de vordering tot ontruiming afwijzen. In beginsel kan een vordering tot ontruiming in kort geding worden toegewezen als een huurachterstand omvangrijk is en er geen zicht is op betaling of aflossing van de schuld op korte termijn. In dit geval is de huurachterstand wel omvangrijk, maar is niet uitgesloten dat daarvoor op korte termijn een oplossing zal worden gevonden. [gedaagden c.s] huurt dit pand al zeventien jaar en er is altijd sprake geweest van een huurachterstand, zo stelt [eiser] . Toch heeft [eiser] het contract steeds weer verlengd. Ook recentelijk nog met vijf jaar per 30 november 2025. Daar komt bij dat [gedaagden c.s] nu doordrongen is van de ernst van de situatie en hulp heeft gezocht bij de gemeente Utrecht. Bovendien heeft de zoon van de heer [gedaagde sub 2] en mevrouw [gedaagde sub 3] een aanbod gedaan aan [eiser] om het pand te kopen, waarmee ook de huurschuld zou kunnen worden opgelost. Tegen deze achtergrond heeft verhuurder voorshands niet voldoende aannemelijk gemaakt dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
3.9
In een volgende kort geding kan de beslissing anders uitvallen. Dan kan de vordering tot ontruiming mogelijk wel worden toegewezen als [gedaagden c.s] niet heeft voldaan aan de veroordeling van dit vonnis. [gedaagden c.s] zal ook de lopende huur moeten blijven betalen.
[gedaagden c.s] moet de proceskosten betalen
3.1
[gedaagden c.s] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Een onderdeel van de proceskosten is het griffierecht. Dat wordt berekend aan de hand van de vordering die door [eiser] is ingesteld en bedraagt € 753,00. Maar, een groot deel van de door [eiser] gevorderde huurachterstand is door de kantonrechter afgewezen. De kantonrechter zal daarom een veroordeling tot betaling van het griffierecht toewijzen wat past bij de hoogte van het toegewezen bedrag, namelijk € 265,00.
3.11
De proceskosten van [eiser] worden dus begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,02
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.429,02
De veroordelingen tot betaling van een geldsom worden hoofdelijk uitgesproken
3.12
De veroordelingen tot betaling van een geldsom worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel de [gedaagde sub 1] , als haar vennoten, de heer [gedaagde sub 2] en mevrouw [gedaagde sub 3] , kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.13
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [eiser] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk, zodat indien de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van € 10.700,00 aan achterstallige huur van november 2024 tot en met 1 juli 2026,
4.2
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk, zodat indien de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 1.429,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
!
!
!
62938

Voetnoten

1.Productie 3 dagvaarding.
2.Productie 3 dagvaarding.